10/05412 mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 15 april 2011 Conclusie inzake [De vrouw] tegen [De man] Inleiding
(2005), nrs. 59 en 60 en Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4 2009, nr. 27 e.v. , steeds met verdere verwijzingen.
- Het cassatieverzoekschrift van de vrouw, waarbij zij beroep in cassatie instelt tegen de beschikking van het hof die - als gezegd - zowel een eindbeschikking als een tussenbeschikking is, richt geen klachten tegen het eindbeschikkinggedeelte, inhoudende de vaststelling van de door de man te betalen alimentatie. De cassatieklachten zijn uitsluitend gericht tegen het tussenbeschikkinggedeelte betreffende het verzoek tot verdeling en verrekening, te weten tegen de slechts als eindbeslissing te kwalificeren overwegingen van het hof dat de waarde van de aandelen automobielbedrijf [A] b.v. niet in de verrekening moeten worden betrokken omdat op geen van beide hypothecaire leningen waarmee de aankoop van de aandelen is geherfinancierd is afgelost en voor zover reeds aannemelijk is geworden dat rente is betaald op deze leningen, de vrouw niet aannemelijk heeft gemaakt wat de hoogte daarvan is.
- Mijn slotsom is dat de vrouw niet ontvankelijk is in haar cassatieberoep. Conclusie De conclusie strekt tot niet-ontvankelijkverklaring van de vrouw in haar cassatieberoep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden