Nr. 10/00238 Mr. Aben Zitting 29 maart 2011 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Onder de stukken bevindt zich tevens een kopie van een mededeling uitspraak van 25 juni 2009, maar niet duidelijk is of en zo ja, op welke datum de verdachte deze heeft ontvangen. Blijkens een akte van uitreiking is de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep van 8 december 2009 op 23 november 2009 betekend aan de griffier van de rechtbank te 's-Gravenhage en - kennelijk omdat de verdachte in de gemeentelijke basisadministratie sinds 17 oktober 2007 de registratie "zonder vaste woon- of verblijfplaats" had - per gewone post verzonden aan het door de verdachte bij zijn aanhouding door de politie opgegeven adres. Bij brief van 18 augustus 2009 heeft J.T.C.M. Crepin zich bij het gerechtshof te 's-Gravenhage voor de verdachte als raadsman gesteld in een tweetal zaken, waaronder de onderhavige zaak (parketnummer 10/502855-08). In een aan de cassatieschriftuur gehechte kopie van een brief van strafgriffie van het gerechthof te 's-Gravenhage van 19 augustus 2009 aan de raadsman wordt de ontvangst van de betreffende stelbrief bevestigd, maar als zaakskenmerk alleen het parketnummer vermeld van de andere zaak waarop deze brief betrekking had (10-500125-08). 3.
- Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 8 december 2009 heeft het hof bij die gelegenheid tegen de niet-verschenen verdachte verstek verleend en heeft de advocaat-generaal de niet-ontvankelijkverklaring van de verdachte gevorderd. De Aantekening mondeling arrest van diezelfde datum houdt - voor zover relevant - in: "Ontvankelijkheid in het hoger beroep De verdachte heeft niet binnen veertien dagen na het instellen van het hoger beroep een schriftuur met grieven tegen het vonnis ingediend. Evenmin heeft hij ter terechtzitting in hoger beroep mondeling bezwaren tegen het vonnis opgegeven. Het hof ziet ambthalve geen redenen voor een inhoudelijke behandeling van de zaak in hoger beroep. Daarom zal de verdachte, gelet op het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, niet-ontvankelijk worden verklaard in het hoger beroep." 3.
- Uit de omstandigheid dat de verdachte door het hof niet-ontvankelijk is verklaard met de op het bepaalde in art. 416, tweede lid, Sv gestoelde overweging dat deze heeft nagelaten een schriftuur houdende grieven tegen het vonnis van de rechtbank in te dienen of ter terechtzitting mondeling zijn bezwaren op te geven, leid ik - voor zover van belang - af dat het hof het beroep van de verdachte wel op geldige wijze ingesteld heeft geacht, en dat het hof tot behandeling van de zaak is overgegaan. Nu uit de stukken niet blijkt dat aan de raadsman van de verdachte een afschrift van de dagvaarding voor de zitting in hoger beroep is gezonden en evenmin dat de verdachte afstand heeft gedaan van zijn recht te verschijnen en door een raadsman te worden bijgestaan, kan het bestreden arrest niet in stand blijven.