Nr. 10/01357 B Mr. Knigge Zitting: 29 maart 2011 Conclusie inzake: [Klaagster], e.v. [betrokkene 1]
(3)"Het Hof heeft geoordeeld dat het beklag ongegrond is omdat de onroerende zaken in feite toebehoren aan [B]. Aldus heeft het Hof, dat niets heeft vastgesteld omtrent het te dezen toepasselijke huwelijksgoederenregime, kennelijk voor ogen dat de onroerende zaken, hoewel zij naar maatstaven van burgerlijk recht - voor de onverdeelde helft - aan de klaagster in eigendom toebehoren en deze zaken niet in verband staan met de strafbare feiten waarvoor [B] is veroordeeld, op de voet van art. 94a, tweede lid, Sv kunnen dienen tot verhaal van een aan [B] opgelegde betalingsverplichting op de enkele grond dat [B] ten aanzien van deze onroerende zaken feitelijk kan handelen als behoorden deze zaken hem toe. In zodanig geval heeft de wetgever evenwel strafvorderlijk conservatoir beslag op de onroerende zaken, die blijkens inschrijving in de registers in eigendom toebehoren aan een ander dan degene aan wie het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden ontnomen als bedoeld in art. 94a, derde lid, Sv, eerst toegelaten indien is voldaan aan de in die bepaling vermelde voorwaarden, waaronder de voorwaarde dat deze voorwerpen, onmiddellijk of middellijk, afkomstig zijn van het desbetreffende misdrijf (vgl. HR 19 februari 2008, LJN BA7675). Het Hof heeft door te overwegen als voormeld art. 94a, derde lid, Sv miskend. Het middel, dat daarop gerichte klachten bevat, slaagt. 4.
- De Hoge Raad stelt in deze overwegingen eerst vast wat de feitelijke situatie is die het Hof bij zijn oordeel kennelijk voor ogen heeft gestaan. Tot die feitelijke situatie behoort dat de zaken "naar de maatstaven van burgerlijk recht" niet in eigendom aan [B] toebehoren, maar aan de klaagster. Vervolgens overweegt de Hoge Raad dat "in zodanig geval" conservatoir beslag alleen mogelijk is als aan de voorwaarden van art. 94a lid 3 Sv is voldaan. Over de vraag wat rechtens is als de onroerende zaken wel naar de maatstaven van burgerlijk recht (mede) in eigendom toebehoren aan de verdachte of de veroordeelde aan wie de betalingsverplichting is of mogelijk zal worden opgelegd, zeggen deze overwegingen zo gezien niets. Maar de voor de hand liggende gevolgtrekking is desalniettemin, dat in dat geval gewoon op grond van art. 94a lid 2 Sv beslag kan worden gelegd. 4.
- Klip en klaar zijn de overwegingen van de Hoge Raad echter niet. Dat komt door de zinsnede: "die blijkens inschrijving in de registers in eigendom toebehoren aan een ander". Borgers komt op grond daarvan in zijn noot bij de beschikkingen tot de conclusie dat de terughoudendheid van de wetgever met betrekking tot "het aan de dag leggen van enige creativiteit om schijnconstructies te doorbreken" door de Hoge Raad wordt vertaald "in een rechtstreekse koppeling van het eigenaarschap van een onroerende zaak aan de inschrijving in de registers". Misschien heeft Borgers gelijk als het om het doorprikken van schijnconstructies gaat. Mogelijk is de Hoge Raad inderdaad van oordeel dat daarvoor in artikel 94a leden 3 en 4 Sv een "exclusieve regeling" is getroffen. Of dat juist is, kan hier in het midden blijven. Want om het doorbreken van schijnconstructies gaat het hier niet. Dat de Hoge Raad van oordeel is dat de inschrijving in de registers in alle gevallen doorslaggevend is voor de eigendom en dat in zoverre nimmer van belang is aan wie de onroerende zaken naar de maatstaven van burgerlijk recht in eigendom toebehoren, kan mijns inziens bezwaarlijk in de weergegeven overwegingen worden gelezen. 4.
- Ik wijs in dit verband op de zinsnede dat het Hof "niets heeft vastgesteld omtrent het te dezen toepasselijke huwelijksgoederenregime". Als het zo is dat voor het beantwoorden van de vraag aan wie een onroerende zaak in de zin van art. 94a Sv toebehoort de inschrijving in het kadaster doorslaggevend is en niet de eigendomssituatie zoals die volgens de maatstaven van het burgerlijke recht is (een situatie die na de inschrijving door bijvoorbeeld een huwelijk kan wijzigen), dan zie ik niet in waarom de Hoge Raad deze zinsnede zou hebben opgenomen. Ik merk voorts op dat moeilijk een goede reden valt te bedenken waarom in zaken als de onderhavige een absolute betekenis zou moeten worden toegekend aan de inschrijving in het register en waarom aldus afgeweken zou moeten worden van het burgerlijke recht. 4.
- Het middel slaagt.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige beslissing als aan de Hoge Raad gepast voorkomt. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG 1 Art. 1:93 BW regelt dat van het ogenblik der voltrekking van het huwelijk tussen de echtgenoten van rechtswege algehele gemeenschap van goederen bestaat, voor zover daarvan bij huwelijks voorwaarden niet is afgeweken. Het goed dat voor het huwelijk eigendom is van een van de echtgenoten wordt door het huwelijk eigendom van beide echtgenoten tezamen. De andere echtgenoot verkrijgt de eigendom door boedelmenging, een van de wijzen van eigendomsverkrijging onder algemene titel als aangegeven in art. 3:80 lid 2 BW; uit: Kraan en Marck, Het huwelijksvermogensrecht, vijfde druk, p.
- 2 Ten aanzien van inschrijvingen betreffende registergoederen is in beginsel het negatieve stelsel behouden, hetgeen betekent dat de werkelijke rechtstoestand van een registergoed kan afwijken van hetgeen in het register is vermeld. Zie T&C Burgerlijk Wetboek, 2009, Inleidende opmerkingen bij Boek 3, Titel 1, Afd.
- In het civiele recht vormen erfrechtelijke kwesties en huwelijken gesloten in (beperkte) gemeenschap van goederen uitzonderingen op de regel dat voor de eigendomsvraag bij registergoederen de opnaamstelling de enige maatstaf is. Vgl. de annotatie van WK bij HR 2 april 1976, LJN AB6874, NJ 1976/450 (Modehuis Nolly I). 3 [C] is klaagster in de vergelijkbare zaak die leidde tot HR 19 februari 2008, LJN BA7674.