Zaaknr. 11/01104 Mr. Huydecoper Zitting van 22 april 2011 Conclusie inzake [Eiser] eiser tot cassatie tegen
(2). Er bestaan geen relevante aanwijzingen dat de regel uit art. 3 lid 3 WGBZ een van deze vaste regel afwijkend uitgangspunt zou voorschrijven. (Het zou ook zeer verwarrend, en al daarom bepaald onwenselijk zijn wanneer de WGBZ iets dergelijks wél deed. Als gezegd: niets wijst erop dat dat bedoeld zou zijn.) Conclusie Ik concludeer dat er geen bezwaren zijn ten aanzien van de ontvankelijkheid van het cassatieberoep in verband met de (tijdige) betaling van het griffierecht; en dat de behandeling in cassatie kan worden voortgezet. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Wet van 30 september 2010, S.
- 2 Asser Procesrecht/Bakels, Hammerstein & Wesseling-van Gent 4, 2009, nr. 39; Tjittes - Asser, Rechtsmiddelen, 2007, p. 28; Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 65; Funke, NJB 1976, p. 572 en NJB 1962, p. 273 - 275; HR 31 augustus 1984, NJ 1985, 52, rov. 3.
- Dat de eerste dag zelf niet meetelt is volgens de aangehaalde overweging uit HR 31 augustus 1984, NJ 1985, 52 "in overeenstemming met hetgeen in het algemeen voor processuele termijnen vanouds geldt." In alinea 7 van de conclusie voor deze beslissing drukt A-G Ten Kate het zo uit: "De dag van de gebeurtenis waarvandaan een termijn moet worden berekend, wordt naar algemeen erkende regels van procesrecht in beginsel niet meegerekend."