Nr. 10/01712 Mr. Vegter Zitting 5 april 2011 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)De Hoge Raad verwees daarbij naar de conclusie van mijn ambtgenoot Jörg. Ik citeer hier de centrale passage uit zijn conclusie: "Op basis van de schriftelijke weergave van het onderzoek - ook wel bekend als de kassastrook - kan derhalve achteraf gecontroleerd worden of aan de onderzoeksvoorschriften is voldaan, zoals bijvoorbeeld of de 20-minutentermijn in acht is genomen, of het apparaat correct meet, of het meten van het ademmonster werd aangevangen met een schoon meetinstrument, en of het resultaat uitgaande van de meetresultaten correct is berekend. Op grond daarvan dient de voeging bij het proces-verbaal van de schriftelijke weergave van het onderzoek te worden gerekend tot het stelsel van strikte waarborgen waarmee de ademanalyse is omkleed (vgl. Van Dorst, Verkeersrecht 1990, p. 173 en Dijkstra en Van der Neut in: Harteveld en Krabbe (red.), De Wegenverkeerswet 1994, 2e, p. 163; over het stelsel van strikte waarborgen bij de ademanalyse: HR 30 januari 1996, NJ 1996, 454). Dat brengt mee dat indien de schriftelijke weergave van het onderzoeksresultaat niet bij het proces-verbaal is gevoegd, geen sprake is van een onderzoek in de zin van art. 8, tweede lid aanhef en onder a, WVW
- Hiermee op één lijn te stellen is het geval waarin weliswaar de schriftelijke weergave van het ademalcoholonderzoek bij het proces-verbaal is gevoegd, maar deze schriftelijke weergave niet van dien aard is dat kan worden gecontroleerd of aan de eisen van de Regeling ademanalyse en de Bijlage daarbij is voldaan. Dat de bedienaar van het apparaat heeft gezien dat de uitslag van onderzoek 355 µg/l bedroeg legt daarbij geen gewicht in de schaal omdat dit slechts één van de van belang zijnde gegevens is."
- Blijkens de toelichting (p. 2 midden) wordt in cassatie niet betwist dat het resultaat van het onderzoek direct aan verdachte is meegedeeld en mag er tevens van worden uitgegaan dat zich een schriftelijke weergave van het onderzoek bij het proces-verbaal bevindt. De kern van de klacht in cassatie is dat de op de schriftelijke weergave vermelde personalia (NN) niet overeenstemmen met de personalia van verdachte ([verdachte]), terwijl er ten tijde van de ademanalyse wel personalia waren (die achteraf onjuist bleken te zijn). Die bekende (en dus onjuiste) gegevens hadden moeten worden vermeld. Ik stel voorop dat in Bijlage 1 van de Regeling ademanalyse inderdaad is voorgeschreven dat de persoonsgegevens van de verdachte op een schriftelijke weergave moeten worden vermeld. Met inachtneming van het uitgangspunt dat de voeging van een schriftelijke weergave bij het proces-verbaal moet worden geacht te behoren tot de strikte waarborgen waarmee de wetgever het ademonderzoek heeft willen omringen, heeft in beginsel te gelden dat die weergave dan ook de naam van de verdachte moet vermelden.
- In het onderhavige geval vermeldt de schriftelijke weergave van het ademonderzoek van 3 augustus 2008 als naam van de verdachte "NN" - omdat diens juiste naam op dat moment kennelijk nog niet beschikbaar was -, als bedienaar van het ademanalyseapparaat D. van Mourik en als ademonderzoeksresultaat 365 µg/l. Het proces-verbaal van ademanalyse van 3 augustus 2008, opgemaakt door de opsporingsambtenaar D. van Mourik met nummer PL 1535/2008/42120-2, vermeldt in de aanhef echter wel de (volledige) naam van de verdachte en diens geboortedatum. Voorts is daarin vermeld dat de verdachte zijn medewerking heeft verleend aan een onderzoek van de uitgeademde lucht als bedoeld in art. 8 Wegenverkeerswet 1994, dat de verdachte zich onder leiding van Van Mourik aan dit onderzoek heeft onderworpen, dat dit onderzoek heeft geleid tot een voltooid ademonderzoek "overeenkomstig bijgevoegde afdruk", dat de verbalisant de uitslag direct aan de verdachte heeft medegedeeld, dat het resultaat van de ademanalyse "365 µg/l uitgeademde lucht" was en dat een afdruk van de voltooide ademanalyse als bijlage bij dit proces-verbaal is gevoegd. Aldus is er ondanks het ontbreken van de personalia van de verdachte op de schriftelijke weergave van het ademonderzoek voldoende gewaarborgd dat deze weergave bij het proces-verbaal van ademanalyse - waarin de personalia van de verdachte wel zijn vermeld - hoort. Derhalve was de bij het proces-verbaal gevoegde weergave geschikt om te kunnen controleren of aan het Besluit alcoholonderzoeken, de Regeling ademanalyse en de daarbij behorende Bijlage 1 was voldaan.
- Het Hof is inhoudelijk op het verweer ingegaan. Die overweging van het Hof wordt nu in de toelichting op het middel bestreden met de stelling dat het Hof heeft gebruik gemaakt van kansberekening en dat daarmee het stelsel van strikte waarborgen behorend bij het ademonderzoek is miskend. Het Hof is echter niet van kansberekening uitgegaan, maar het heeft kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het uitgesloten is (kans is nihil) dat het formulier NN bij een ander dan verdachte hoort. Dat is een feitelijke vaststelling op grond van nader door het Hof vermelde en door de verdediging niet betwiste feiten en omstandigheden, die niet onbegrijpelijk is en voor toetsing waarvan in cassatie verder geen ruimte is.
- Het middel faalt.
- Het tweede middel klaagt over de motivering van de bewezenverklaring van feit 2 en
- Het bestreden arrest van het Hof houdt als bewezenverklaring van feit 2 respectievelijk feit 3 het volgende in: "
- hij op of omstreeks 03 augustus 2008 te 's-Gravenhage als bestuurder van een motorrijtuig (auto) heeft gereden op de weg, de Laan van 's-Gravenmade, zonder dat aan hem door de daartoe bevoegde autoriteit, als bedoeld in artikel 116 lid 1 van de Wegenverkeerswet 1994 een rijbewijs was afgegeven voor de categorie van motorrijtuigen , waartoe dat motorrijtuig behoorden.
- hij op of omstreeks 03 augustus 2008 te 's-Gravenhage toen een opsporingsambtenaar hem als verdachte van een strafbaar feit naar zijn identiteitsgegevens vroeg, aan die opsporingsambtenaar (een) andere dan zijn werkelijke personalia heeft opgegeven."
- Onder het kopje 'Gevoerde verweren' houdt het arrest onder meer het volgende in : "De raadsvrouw van de verdachte heeft voorts ter terechtzitting in hoger beroep aangevoerd dat, gelet op de uitspraak van het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in de zaak Salduz de door de verdachte bij de politie afgelegde verklaring van het bewijs dient te worden uitgesloten. Het hof overweegt hieromtrent het navolgende. De door de raadsvrouw genoemde uitspraak van het Europese Hof brengt in ieder geval met zich mee dat de verdachte voorafgaand aan het (eerste) politieverhoor contact mag opnemen met een advocaat teneinde zijn proceshouding te kunnen bepalen. Uit het dossier blijkt niet dat de verdachte op dit recht is gewezen is noch dat hij tijdens zijn verhoor door de politie werd bijgestaan door een advocaat. In zoverre slaagt het door de raadsvrouw gevoerde verweer, Nu het hof de verklaring van de verdachte tegenover de politie niet voor het bewijs zal bezigen, behoeft het verweer van de raadsvrouw verder geen nadere bespreking dan de vaststelling zoals deze hiervoor is gedaan. Het vragen naar de identiteit van de verdachte is geen verhoor als bedoeld in de zaak Salduz. De verdachte is voorts vrijwillig teruggekomen op de eerder door hem gedane onjuiste identiteitsopgave."
- In de aanvulling met bewijsmiddelen heeft het Hof met betrekking tot feit 2 als bewijsmiddel