Nr. 10/00618 Mr. Machielse Zitting 19 april 2011 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)3.8 Ik stel voorop dat de bewering van verdachte dat hij zijn vriendin het hof aan het maken was in de fietsenstalling niet uitsluit dat beiden tevens betrokken waren bij de poging tot diefstal van de scooter. Het een kan immers gemakkelijk met het ander samengaan. Wat resteert is dus enkel de vraag of de bewezenverklaring voldoende steun vindt in de gebezigde bewijsmiddelen. Het hof heeft, zoals opgenomen onder 3.3, geoordeeld dat het door de verdediging gevoerde verweer dat verdachte met de poging tot diefstal niets te maken heeft, wordt weersproken door de bewijsmiddelen en heeft overwogen dat het geen reden heeft om aan de juistheid en betrouwbaarheid van de inhoud van die bewijsmiddelen te twijfelen. Hiermee heeft het hof, mijns inziens terecht, tot uitdrukking gebracht dat de bewezenverklaring voldoende wordt ondersteund door de bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien. Ik wil daarbij met name wijzen op bewijsmiddel 3, de verklaring van getuige [getuige 1]. Daaruit kan duidelijk worden afgeleid dat verdachte en zijn vriendin degenen zijn geweest die hebben gepoogd de bromfiets te stelen. Uit de verklaring van de getuige [getuige 1] blijkt immers dat verdachte voorover gebogen voor de scooter stond, dat de vriendin van verdachte schrok van de aanwezigheid van getuige en dat zij een klauwhamer vast had, dat verdachte en zijn vriendin wegliepen toen getuige naderde, dat getuige zag dat het stuurslot van de scooter eruit was gehaald en dat de klauwhamer in een fietstas van een naast de scooter gestalde fiets was gedeponeerd. Van een Meer- en Vaartsituatie is derhalve geen sprake: er zit geen gat in de bewijsvoering. Het hof heeft uit de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen zonder meer kunnen afleiden dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de hem ten laste gelegde poging tot diefstal van de bromfiets in vereniging. Het hof heeft de bewezenverklaring mijns inziens naar de eis der wet met redenen omkleed. Het middel faalt. 4.1 Het tweede middel klaagt dat het hof ten onrechte niet, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft beslist op het (voorwaardelijke) verzoek tot het horen van de getuige [getuige 1]. 4.2 Blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting van het hof van 21 januari 2010 heeft de raadsman van verdachte overeenkomstig zijn aan het hof overgelegde pleitnota het woord tot verdediging gevoerd. De pleitnota houdt - voor zover hier van belang - het volgende in: "(...) Dossier bevat enkele aanknopingspunten voor de verdenking zoals die tegen cliënt is geformuleerd in de tenlastelegging. Zijn naar het oordeel van de verdediging niet meer dan conclusies van getuigen, althans die aanwijzingen zijn niet voldoende om tot het wettig en overtuigend bewijs te kunnen leiden dat cliënt zich heeft schuldig gemaakt aan een poging diefstal. In dossier bevindt zich:
- Aangifte [betrokkene 1]: Is eigenaar van de brommer. Is aangesproken door een collega die zou hebben gezegd dat er twee mensen aan zijn brommer hebben gezeten. Van wie [betrokkene 1] dat gehoord heeft is niet duidelijk. Uit het dossier blijkt immers niet van een getuige die heeft gezien dat er aan de brommer is gezeten (wel in de buurt geweest van brommer, geen feitelijk contact). Verklaart voorts: heb 'gehoord' dat ze met een hamer het contactslot er uit hadden geslagen. Betreft eveneens een overgenomen conclusie van een getuige. Zou kunnen bestempelen als een 'van horen zeggen-gissing'. Immers; uit dossier blijkt niet dat er iemand is die daarover uit eigen wetenschap heeft verklaard. Verklaring van deze aangever is niet redengevend voor bewijs.
- Getuige [getuige 1]: Is enige die cliënt in de buurt van de brommer heeft gezien. En is dus ook de enige die een relatie legt tussen het vernielde slot en de aanwezigheid van cliënt. Nadrukkelijk; relatie legt. Verder dan een gissing/conclusie komt hij niet. Hij ziet cliënt enkel (gebogen) voor de brommer staan. Verklaart verder niet over wat cliënt op dat moment deed. Kan hem niet uit eigen waarneming koppelen aan de vernieling van het slot, heeft hij namelijk niet waargenomen. De betrokkenheid van cliënt zou in dit geval slechts voortvloeien uit een conclusie van deze getuige. Kan niet, ex art. 342 Sv. Getuige kan enkel verklaren over wat hij heeft waargenomen of ondervonden. Conclusie kan niet redengevend zijn voor bewijs. Datzelfde geldt ook voor de aanwezigheid van de hamer (die bij die bouwmarkt te koop is! pv 29) en die de dame in haar hand zou hebben gehouden. Kan om niet voor het bewijs gebezigd worden. Niet blijkt dat die hamer op enige manier voor het vernielen van het slot gebruikt is, anders dan door een gissing van deze getuige [getuige 1]. Hij trekt waarschijnlijk die conclusie, zie verklaring [betrokkene 1] "ik hoorde dat ze met een hamer het slot eruit hadden geslagen" pv
- Betrokkenheid van de hamer kan niet blijken uit een eigen waarneming van een getuige. De aanwezigheid van de hamer is dan ook niet redengevend voor het bewijs. Is het vreemd dat iemand een hamer in zijn hand heeft bij een bouwmarkt? Bovendien hamer die daar te koop is! ook niet redengevend/geen bewijs voor tenlastegelegde. Ook andere 'bewijsmiddelen' duiden niet op vernielen van slot door cliënt. Pv van [verbalisant 2] ziet enkel op aanwezigheid in de buurt van de bouwmarkt. En bevindingen [verbalisant 3] (pv 22 en 23) betreft enkel natrekken van nummerbord. Kan vernielen van het slot ook niet uit volgen. Derhalve onvoldoende wettig, althans overtuigend bewijs, reden waarom cliënt dient te worden vrijgesproken. (...) Meest subsidiair: Indien u het standpunt van de verdediging, inhoudende dat cliënt geen poging heeft ondernomen om de brommer te stelen, niet als geloofwaardig beschouwd en/of indien u zou menen dat de waarnemingen van de getuigen wel degelijk redengevend voor het bewijs zouden zijn, dan verzoek ik uw Hof (voorwaardelijk) [getuige 1] als getuige op te roepen, omdat cliënt de juistheid van die verklaring betwist en het noodzakelijk is om hem te horen. Alleen op die manier kan blijken wat hij daadwerkelijk zelf waargenomen heeft en wat conclusies betreffen. (...)" 4.3 Uit het vorenstaande volgt dat een verzoek is gedaan als bedoeld in art. 315 Sv in verbinding met art. 328 Sv en dat de voorwaarde waarvan het verzoek afhankelijk is gemaakt is vervuld, nu het hof in het bestreden arrest bewezen heeft verklaard dat verdachte heeft gepoogd de bromfiets te stelen en onder meer de verklaring van de getuige [getuige 1] tot het bewijs heeft gebezigd (bewijsmiddel 3). Dat brengt mee dat het hof aan het gedane verzoek tot het horen van de getuige niet had mogen voorbijgaan en daarop een uitdrukkelijke beslissing had moeten geven. Noch het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep, noch het bestreden arrest houdt een zodanige beslissing in. Dat verzuim heeft ingevolge art. 330 Sv in verbinding met art. 415 Sv nietigheid tot gevolg.