Nr. 10/01752 P Mr. Knigge Zitting: 26 april 2011 Conclusie inzake: [Betrokkene]
(1)Deze benadering komt mij vruchtbaar voor. Daarbij zou ik zelf echter niet de nadruk willen leggen op de vraag wat de kernactiviteiten van het betrokken bedrijf zijn, maar op de vraag of het desbetreffende handelen in de kern onrechtmatig is te achten. De kernactiviteiten van de Urker visafslag waren niet onrechtmatig, het meewerken aan het ontduiken van de vangstbeperkingsregeling was dat wel. Daarvan had de visafslag zich hoe dan ook moeten onthouden. 4.
- Meer in het algemeen gesproken gaat het hier mijns inziens om een toerekeningsvraag. Het gaat om de vraag of en zo ja in hoeverre het redelijk is het gehele voordeel dat is behaald met handelen dat in strijd met de voorschriften plaatsvond, toe te rekenen aan de regelschending. De beantwoording van die vraag zou wel eens sterk casuïstisch kunnen zijn. Of het desbetreffende handelen in de kern onrechtmatig is te achten, is tenslotte een weinig hard criterium. Het geeft aan in welke richting het antwoord moet worden gezocht. 4.
- Terug naar de onderhavige zaak. Het Hof heeft niet met zoveel woorden gesteld dat de totale winst die is gemaakt met niet vergunde activiteiten rechtens nimmer als het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt. In 's Hofs overwegingen, bezien in het licht van de vordering van de Advocaat-Generaal dat het Hof de beslissing in eerste aanleg zal bevestigen (waarbij het wederrechtelijk verkregen voordeel is bepaald op € 29.530,50, welk bedrag veroordeelde had verdiend met niet vergunde activiteiten in zijn bedrijf), ligt wel als zijn oordeel besloten dat die winst in dit geval niet als het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt. Daarbij heeft het Hof, door te overwegen dat "de activiteiten die op het bedrijf van veroordeelde zijn verricht op zichzelf niet illegaal waren" en dat er sprake is geweest van "relatieve illegaliteit", kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat het in dit geval niet redelijk is om de totale bedrijfswinst van € 29.530,50 in zijn geheel toe te rekenen aan de regelschending waarvoor betrokkene "reeds bij vonnis van 17 december 2007 [is] veroordeeld tot een geldboete". Dat oordeel getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting. 4.
- De vraag of het oordeel van het Hof begrijpelijk is, is een vraag die geen beantwoording behoeft. Het middel klaagt namelijk enkel over schending van het recht. Weliswaar stelt het middel aan het slot ook dat de motivering van het Hof onbegrijpelijk is, maar dat is enkel een conclusie die - door middel van het woord "mitsdien" - wordt getrokken uit de voorafgaande stelling dat die motivering blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting. Een zelfstandige, aan de daaraan te stellen eisen beantwoordende klacht kan daarin mijns inziens niet gelezen worden. Dat zou wellicht anders zijn als de motiveringsklacht in de toelichting op het middel nog een eigen invulling had gekregen, maar dat is niet het geval. 4.
- Het middel faalt.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG 1 Zie hun bijdrage in: Michael Faure en Theo de Roos (red.), De berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uit milieudelicten, 1998, p.
- Vgl. Rechtbank 's-Hertogenbosch, 2 mei 1996, LJN AK1282 waarin een bedrijf zich had beziggehouden met het slopen van sheds en bijbehorende omheiningen. De daken van de sheds en de omheining bestonden uit asbesthoudende golfplaten. Deze platen werden illegaal gesloopt en afgevoerd. Het wederrechtelijk verkregen voordeel werd door de Rechtbank vastgesteld aan de hand van de bespaarde kosten, en dus niet aan de hand van de winst die het bedrijf had gemaakt door het uitvoeren van de werkzaamheden.