Nr. 09/04540 Mr. Vellinga Zitting: 14 december 2010 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1), voor zover voor de beoordeling van het middel relevant: "De in de artikelen 300-303 bepaalde gevangenisstraffen kunnen met een derde worden verhoogd: 1°. ten aanzien van de schuldige die het misdrijf begaat tegen zijn moeder, zijn vader tot wie hij in familierechtelijke betrekking staat, zijn echtgenoot, zijn levensgezel of zijn kind; (...)"
- Voor de beoordeling van de vraag of een manspersoon als vader van een kind kan worden aangemerkt, en derhalve van "zijn kind" als bedoeld in art. 304 (oud) sub 1 Sr kan worden gesproken, is art. 1:199 BW van belang. Deze bepaling - in werking getreden op 17 februari 1999 - luidt, voor zover voor de beoordeling van het middel relevant: "Vader van een kind is de man: a. die op het tijdstip van de geboorte van het kind met de vrouw uit wie het kind is geboren, is gehuwd, tenzij onderdeel b geldt; b. wiens huwelijk met de vrouw uit wie het kind is geboren, binnen 306 dagen voor de geboorte van het kind door zijn dood is ontbonden, zelfs indien de moeder was hertrouwd; indien echter de vrouw sedert de 306de dag voor de geboorte van het kind was gescheiden van tafel en bed of zij en haar echtgenoot sedert dat tijdstip gescheiden hebben geleefd, kan de vrouw binnen een jaar na de geboorte van het kind ten overstaan van de ambtenaar van de burgerlijke stand verklaren dat haar overleden echtgenoot niet de vader is van het kind, van welke verklaring een akte wordt opgemaakt; was de moeder op het tijdstip van de geboorte hertrouwd dan is in dat geval de huidige echtgenoot de vader van het kind; c. die het kind heeft erkend; d. wiens vaderschap gerechtelijk is vastgesteld; of e. die het kind heeft geadopteerd."
- Het bestreden arrest houdt onder het kopje 'Bewijsvoering" in dat het Hof zijn overtuiging dat de verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan grondt op de feiten en omstandigheden die in de bewezenverklaring zijn vervat en die reden geven tot bewezenverklaring.
- De door het Hof gebezigde bewijsmiddelen houden onder meer in de - zakelijk weergegeven - ter terechtzitting in hoger beroep van 22 juni 2009 afgelegde verklaring van verdachte dat hij en [betrokkene 1] (de moeder van het slachtoffer) samen een dochter hebben (bewijsm. 1), het slachtoffer de achternaam van haar moeder draagt (bewijsm. 1) en verdachte in zijn verhoor bij de politie over "mijn dochter" spreekt (bewijsm. 2).
- In aanmerking genomen dat uit de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen niet blijkt op grond van welke in art. 1:199 BW genoemde omstandigheid verdachte als vader van het slachtoffer kan worden aangemerkt, kan de bewezenverklaring voor wat betreft het onderdeel "zijn dochter" niet uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.