Nr. 10/01074 Mr. Jörg Zitting 17 mei 2011 Conclusie inzake: [Verzoeker = verdachte]
(4)de Hoge Raad casseerde en de zaak terugwees. Daaruit kan steun voor de in het middel gehuldigde opvatting worden afgeleid, dat het moment van het wijzen van de Salduz- en Panovitsarresten niet van belang is bij beantwoording van de vraag of sprake is van een vormverzuim. Een en ander baat de steller van het middel in de onderhavige zaak evenwel als gezegd dus niet.
- De middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
- Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 HR 13 juni 2006, LJN AV4179, NJ 2006, 346 (MMA); en HR 11 maart 2008, LJN BB7662, NJ 2008, 329 (AIVD) m.nt. M.J. Borgers. Een redelijk vermoeden kan onder omstandigheden worden gebaseerd op anoniem verstrekte informatie, waarmee een onderzoek kan worden gestart. HR 22 oktober 1996, NJ 1997, 154 is i.c. niet toepasselijk. 2 In de uitspraak van 27 november 2008 van het EHRM, nr. 36391/02, NJ 2009, 214 (Salduz tegen Turkije). 3 Een verklaring die tot stand is gekomen in strijd met art. 6 EVRM kan ook niet voor het bewijs worden gebruikt indien de verdachte nadien, na raadpleging van een advocaat dan wel met bijstand van een advocaat, een verklaring heeft afgelegd van dezelfde inhoud en/of strekking (vgl. HR 21 december 2010, LJN BN9293). 4 De gebezigde verklaring in die zaak dateerde van ver voor de Salduz- en Panovitsarresten van het EHRM (november/december 2008).