Nr. 09/04296 Mr. Machielse Zitting 24 mei 2011 Conclusie inzake: [Verdachte] 1 Het gerechtshof te Leeuwarden heeft verdachte bij arrest van 15 oktober 2009 voor feit 1: "diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vijf weken. 2 Namens verdachte is beroep in cassatie ingesteld. Mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte een schriftuur ingediend, houdende een middel van cassatie. 3.1 Het middel klaagt over de beslissing van het hof om verdachte niet ontvankelijk te verklaren in zijn hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen het onder 2 tenlastegelegde. 3.2 Voor de beoordeling van het middel is het volgende van belang. In eerste aanleg heeft de politierechter verdachte bij mondeling vonnis van 3 januari 2006 bij verstek veroordeeld tot vijf weken gevangenisstraf voor feit 1: "diefstal door twee of meer personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en inklimming". Ten aanzien van feit 2 is het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. Namens verdachte is op 5 augustus 2008 hoger beroep ingesteld tegen het vonnis van 3 januari 2006. Uit de 'Akte rechtsmiddel' blijkt niet van enige beperking van het beroep. Blijkens de 'Opgave van bezwaren (zijdens de verdediging)' van 9 december 2008 is het beroep gericht tegen de hoogte van opgelegde straf. Op 1 oktober 2009 heeft het hof de zaak ter terechtzitting behandeld. Verdachte is niet verschenen. Hij is verdedigd door een daartoe uitdrukkelijk gemachtigde raadsvrouw. Het proces-verbaal van de zitting houdt onder meer in: "De voorzitter stelt het onder 2 ten laste gelegde aan de orde. De rechtbank heeft ten aanzien van het aan verdachte onder 2 ten laste gelegde het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard. De raadsvrouw merkt op geen belang te hebben bij behandeling van dat feit in hoger beroep en geen bezwaren te willen aanvoeren. De advocaat-generaal geeft desgevraagd aan dat evenmin te hebben. Het hof constateert dat verdachte hiertegen dus geen schriftelijke of mondelinge bezwaren heeft opgegeven. Verdachte zal in zoverre - met toepassing van artikel 416, lid 2 van het Wetboek van Strafvordering - niet-ontvankelijk worden verklaard. De raadsvrouw geeft aan dat het hoger beroep is gericht tegen de bewezenverklaring van feit 1 en de strafmaat." 3.3 Het bestreden arrest bevat de volgende beoordeling van de omvang van het hoger beroep: "Voor zover het beroep is gericht tegen het onder 2 ten laste gelegde, kan verdachte daarin niet worden ontvangen. Door de politierechter in de rechtbank Leeuwarden is het openbaar ministerie ter zake van feit 2 niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging. Verdachte heeft tegen het onder 2 ten laste gelegde geen schriftelijke of mondelinge bezwaren opgegeven. Het hof ziet aanleiding om - ter zake van feit 2 - toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 416, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering, nu er ook geen belang wordt geconstateerd dat aanleiding geeft tot behandeling van dit feit in hoger beroep. Het hof zal verdachte in zoverre in zijn beroep niet ontvankelijk verklaren." 3.4 Art. 416 lid 2 Sv verleent aan de appelrechter de bevoegdheid om, indien de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend noch mondeling bezwaren tegen het vonnis opgeeft, het door de verdachte ingestelde hoger beroep zonder onderzoek van de zaak zelf niet-ontvankelijk te verklaren. 3.5 Zoals de steller van het middel aangeeft, is art. 416 lid 2 Sv op 1 maart 2007 inwerkinggetreden en niet van toepassing op zaken waarin het vonnis in eerste aanleg voor die datum is gewezen.
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.