Nr. 09/04769 Mr. Machielse Zitting 24 mei 2011 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)mededeelt dat verdachte een aantal jaren geleden op Groot Emaus, de inrichting waar het meisje verbleef, als invaller heeft gewerkt. Bewijsmiddel 13 bevat de verklaring van de voogd van het meisje, waarin ook deze verklaart dat verdachte in Groot Emaus heeft gewerkt en dat verdachte precies weet wat voor mensen daar verblijven. De orthopedagoge die het meisje in behandeling heeft op Groot Emaus te Ermelo heeft uitleg gegeven over de verstandelijke handicap van het meisje en heeft gezegd dat verdachte haar een keer heeft teruggebracht naar Groot Emaus. 3.
- In aanmerking genomen - de zeer lange en intensieve relatie die verdachte heeft onderhouden met het gezin waartoe het meisje behoorde - de mededelingen die de moeder van het meisje aan verdachte heeft gedaan over het verblijf van het meisje in Groot Emaus - het feit dat verdachte zelf in die jeugdinrichting heeft gewerkt is de vaststelling van het hof dat verdachte heeft geweten van de verstandelijke handicap van het meisje niet onbegrijpelijk. Het middel faalt. 4.
- Het tweede middel klaagt dat het bewijs dat de feiten zouden hebben plaatsgevonden in augustus 2006 niet aan de gebezigde bewijsmiddelen is te ontlenen. 4.
- Bewijsmiddel 6 houdt als verklaring van het meisje in dat de dingen die verdachte via MSN met haar heeft besproken gebeurd waren. Het seksueel contact heeft in de woning van verdachte plaatsgevonden. De contacten via MSN dateren van daarna. In die berichten wordt gesproken over een spoedige herhaling van seksuele contacten. In bewijsmiddel 7 heeft het meisje verklaard dat het eerste seksueel contact een paar maanden voor zij (op 3 november 2006) aangifte deed is geschied. Bewijsmiddel 8 bevat de inhoud van MSN-berichten van 24 tot en met 28 augustus
- 4.
- Het hof heeft uit de inhoud van deze bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang beschouwd, kunnen aannemen dat de feiten zich in augustus 2006 hebben afgespeeld. Naar normaal spraakgebruik valt augustus 2006 ook nog in de periode die op 3 november 2006 is aangeduid als "ongeveer twee maanden geleden". Wat betreft de klacht over de vermelding in de bewezenverklaring van Dordrecht als pleegplaats stel ik vast dat het seksueel contact in de woning van verdachte te Dordrecht heeft plaatsgehad. Voor de relevantie van de overige in de bewezenverklaring genoemde handelingen verwijs ik naar mijn bespreking van het derde middel. Het middel faalt. 5.
- Het derde middel klaagt dat het hof ten onrechte alle in de bewezenverklaring genoemde handelingen met uitzondering van het seksueel binnendringen van het lichaam tot de "handelingen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam" heeft gerekend. Volgens de steller van het middel behoren tot die handelingen slechts ontuchtige handelingen die in direct verband staan met het seksueel binnendringen en daaraan voorafgaan, daarmee vergezeld gaan of daardoor gevolgd worden. 5.
- In HR 18 mei 1999, NJ 1999, 541 was betoogd dat het hof ten onrechte het doen vasthouden van een geslachtsdeel onder artikel 244 Sr heeft gebracht. De Hoge Raad overwoog: "4.
- Art. 244 Sr, zoals dit artikel geldt sedert 1 december 1991, stelt strafbaar degene die met iemand beneden de leeftijd van twaalf jaar handelingen pleegt die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam. 4.
- Voorzover het middel bedoelt te stellen dat handelingen als hiervoor onder 4.1 omschreven, welke niet als seksueel binnendringen betiteld kunnen worden, nimmer onder art. 244 Sr kunnen vallen, faalt het. Gelet op de formulering van dat artikel, waarin gesproken wordt over handelingen die "mede" bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam, is het de kennelijke bedoeling van de wetgever dat dergelijke handelingen indien zij aan "seksueel binnendringen" voorafgaan dan wel daarop volgen of daarmee gepaard gaan, onder dat artikel vallen." 5.
- De wetsgeschiedenis biedt geen opheldering over de kwestie wanneer handelingen geacht kunnen worden mede te bestaan uit het seksueel binnendringen. Maar er kan geen twijfel over bestaan dat de wetgever hiermee wel bedoeld zal hebben te voorkomen dat een gezamenlijkheid van op elkaar betrokken handelingen die, van elkaar losgemaakt, als even zovele maar verschillende misdrijven zouden kunnen worden beschouwd, in een tenlastelegging zou moeten worden ontbonden in onderdelen die ieder als afzonderlijk misdrijf zouden moeten worden omschreven. Het onder dwang betasten van intieme plaatsen van het lichaam, gevolgd of voorafgegaan door seksuele penetratie, zou dan immers afzonderlijk als het misdrijf van artikel 246 Sr moeten worden opgenomen. Door de formulering van de verboden gedragingen als "handelingen (...) die bestaan uit of mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam" worden begeleidende strafbare feiten als het ware geabsorbeerd. Zij kunnen evenwel hun zelfstandigheid herwinnen wanneer het seksueel binnendringen niet kan worden bewezen verklaard. Als de overige seksuele handelingen toereikend in de tenlastelegging zijn omschreven kan mijns inziens nog een veroordeling volgen voor bijvoorbeeld artikel 246 Sr omdat van absorptie door het seksueel binnendringen geen sprake meer kan zijn. 5.
- Wat hiervan ook zij, de bedoeling van de wetgever zal niet zijn geweest om afzonderlijke gedragingen die niet onder de strafwet vallen daar ook onder te begrijpen. Het middel komt mij gegrond voor voor het sturen van berichten, het meenemen naar de woning, het te kennen gegeven dat verdachte seks met het meisje wilde hebben en het op het bed neerleggen van het meisje. Het zichzelf bevredigen in de directe nabijheid van het meisje zal nog onder artikel 239 Sr zijn te vatten en kan geacht worden in direct verband te staan met de daarna gevolgde seksuele penetratie. 5.
- Misschien zouden deze overige gedragingen zijn te beschouwen als het door uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht opzettelijk bewegen tot ontuchtige handelingen van een persoon jonger dan 18 jaar (artikel 248a Sr), maar deze handelingen lijken mij te ver verwijderd van het seksueel binnendringen. Zij vormen daarmee niet een min of meer natuurlijke of vanzelfsprekende samenhang. 5.
- De vraag is wat voor gevolg moet worden verbonden aan deze constatering. De steller van het middel wijst op de mogelijkheid om de dagvaarding gedeeltelijk wegens innerlijke tegenstrijdigheid nietig te verklaren. Dat betekent wel dat voor deze gedragingen nog afzonderlijk strafvervolging zou kunnen worden ingesteld, bijvoorbeeld op de voet van artikel 248a Sr. Een andere mogelijkheid is om verdachte voor dit deel van de bewezenverklaring van rechtsvervolging te ontslaan, omdat deze onderdelen niet onder artikel 243 Sr zijn te brengen. Een derde mogelijkheid is om vast te stellen dat de aard en ernst van de bewezenverklaring niet worden bepaald door het sturen van berichten tot en met het op een bed neerleggen en dat daarom verdachte bij deze klacht geen belang heeft. Mijns inziens is de eerste oplossing de meest zuivere, de laatste de meest praktische. De laatste oplossing past ook beter in een tendens tot deformalisering en verhalisering die onder meer in de Promispraktijk is waar te nemen. Naar deze laatste oplossing gaat mijn voorkeur uit. Het middel is tevergeefs voorgesteld.
- Het eerste en tweede middel kunnen naar mijn mening met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Het derde middel is tevergeefs voorgesteld. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Kennelijk [betrokkene 1] over wie op p. 14 van de pleitnota is geschreven dat zij op Groot Emaus werkt.