Nr. 10/01088 Mr. Vellinga Zitting: 31 mei 2011 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)maar, nu verdachtes raadsman terechtzitting heeft gepersisteerd bij zijn verzoek als in bedoelde brief vervat, om een ter terechtzitting gedaan verzoek tot oproeping van de in bedoelde brief genoemde getuige. Op dat verzoek is het bepaalde in art. 415 jo. 315 en 328 Sv van toepassing.
- Gelet op het bepaalde in art. 415 jo 315 Sv heeft het Hof het juiste criterium toegepast.
- Voorts wordt in de toelichting op het middel geklaagd dat het Hof, door te overwegen dat er geen noodzaak is [getuige 3] als getuige te horen omdat uit diens verklaring blijkt dat er geen camerabeelden zijn, er aan is voorbijgegaan dat is verzocht de getuige te horen omdat deze in een eerdere strafzaak tegen de verdachte onzorgvuldig heeft gehandeld, die onzorgvuldigheid toen tot vrijspraak heeft geleid en de verdachte ervan overtuigd is dat de getuige ook in de onderhavige zaak onzorgvuldig heeft gehandeld. Volgens de pleitnota zou die onzorgvuldigheid hierin hebben bestaan dat de getuige niet tijdig de camerabeelden heeft opgevraagd en dat verdachtes verklaring door [getuige 3] niet goed is opgenomen.
- In aanmerking genomen dat - naar het Hof niet onbegrijpelijk heeft geoordeeld - uit de verklaring van [getuige 3] als getuige blijkt dat er geen camerabeelden zijn van het incident waarover de onderhavige strafzaak gaat en het Hof verdachtes tegenover [getuige 3] afgelegde verklaring niet voor het bewijs heeft gebezigd doch diens verklaring ter terechtzitting in hoger beroep, heeft het Hof de afwijzing van het verzoek voldoende met redenen omkleed.
- Voormelde gronden voor afwijzing van het verzoek [getuige 3] als getuige te horen brengen mee dat ook het verzoek tot toevoeging van een dossier uit een andere strafzaak voldoende met redenen is omkleed.
- Het middel faalt.
- Het tweede middel klaagt dat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het bij appelschriftuur gedane verzoek [getuige 1] als getuige te horen.
- Met betrekking tot de getuige [getuige 1] heeft het Hof in zijn arrest overwogen: "Het hof heeft gezien dat door de verdediging bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting in eerste aanleg is verzocht om aangever [getuige 1] als getuige ter terechtzitting te horen. Deze is toen niet gehoord nu tevergeefs is getracht de heer [getuige 1] te traceren. Gelet op voormelde op elkaar aansluitende verklaringen van [getuige 1], [getuige 2] en [betrokkene 1] ziet het hof zelf geen noodzaak voor het horen als getuige van [getuige 1] nu het deze verklaring duidelijk en betrouwbaar acht, mede gelet op het feit dat door de raadsman in hoger beroep geen verzoek is gedaan tot het horen van deze persoon als getuige."
- De verdachte is op 18 november 2008 in hoger beroep gegaan. Bij appelschriftuur heeft de verdachte verzocht onder meer [getuige 1] als getuige te horen. Deze appelschriftuur is ingekomen op 26 november 2008, dus binnen de in art. 410 lid 1 Sv genoemde termijn. Ter terechtzitting van 16 oktober 2009 heeft verdachtes raadsman gepersisteerd bij de bij brief van 6 oktober 2009 gedane verzoeken. In die brief wordt het bij appelschriftuur gedane verzoek [getuige 1] als getuige te horen niet herhaald. Evenmin heeft verdachte en/of zijn raadsman overeenkomstig het bepaalde in art. 415 jo. 287 lid 3 onder a Sv verzocht [getuige 1] als getuige op te roepen.
- Tegen deze achtergrond moet het oordeel van het Hof, dat verdachtes raadsman niet heeft verzocht [getuige 1] als getuige in hoger beroep te horen, aldus worden verstaan dat verdachtes raadsman heeft afgezien van het doen horen van de aanvankelijk bij schriftuur opgegeven [getuige 1]. Gelet op het bepaalde in art. 415 jo. 287 lid 3 onder a Sv behoefde het Hof dus niet meer te beslissen op het verzoek [getuige 1] als getuige te horen.
- Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld, behoefde het Hof in het bepaalde in art. 6 lid 3 onder d EVRM geen aanleiding te zien [getuige 1] ambtshalve als getuige op te roepen. De bewezenverklaring vindt immers voldoende steun in andere bewijsmiddelen, ook voor wat betreft het betwiste deel van de bewezenverklaring.