Nr. 10/02311 P Mr. Hofstee Zitting: 31 mei 2011 Conclusie inzake: [Verzoeker=verdachte]
(3)is het een feit van algemene bekendheid dat de door de voormalige Postbank (thans ING) op afrekeningen van de girorekening gehanteerde code "OV" staat voor een handmatig, door de rekeninghouder zelf uitgevoerde overschrijving met behulp van een overschrijvingskaart of via internetbankieren. Deze code wordt vermeld in de hierboven onder 12 weergegeven bewijsmiddelen 6, 28 en
- Gelet op de betekenis van de code "OV" is het zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk waarom het Hof de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel, dat immers verkregen zou zijn door middel van diefstal met valse sleutels in de vorm van een giromaatpas en een creditcard, ontleend heeft aan bewijsmiddelen waaruit blijkt dat handmatige overschrijvingen hebben plaatsgevonden, aldus de steller van het middel.
- De steller van het middel heeft hier een punt. Uit de bewijsmiddelen 6, 28 en 38 kan wel worden afgeleid dat een geldbedrag is overgeschreven, maar niet dat deze overschrijvingen hebben plaatsgevonden door middel van een giromaatpas of een creditcard, zoals in de hoofdzaak onder feit 3 primair is bewezen verklaard. Mogelijk zijn deze overschrijvingen uitgevoerd met behulp van een overschrijvingskaart of via internetbankieren.
- De voorgestelde klacht behoeft evenwel niet tot cassatie te leiden. Gezien de bestreden uitspraak, zoals hiervoor onder 11 weergegeven, heeft het Hof de schatting van (de omvang van) het wederrechtelijk verkregen voordeel voornamelijk gegrond op de als bewijsmiddel 5 gebezigde bekentenis van verzoeker ten overstaan van de politie dat hij een bedrag van in totaal € 15.200,- ten gunste van zichzelf had opgenomen van de rekeningen van [slachtoffer].
- Voor zover het middel de klacht bevat dat de door het Hof gebezigde bewijsmiddelen strijdig zijn met de in het arrest in de hoofdzaak opgenomen bewijsmiddelen 3 en 5, is deze klacht tevergeefs voorgesteld. Het Hof verwijst immers in bewijsmiddel 1 enkel naar de in voornoemd arrest opgenomen bewijsmiddelen "voor zover betrekking hebbend op onderhavige ontnemingszaak". Zoals hiervoor al onder 8 is opgemerkt, bevat de aan de bestreden uitspraak gehechte bijlage ook een aantal van de in het arrest in de hoofdzaak gebezigde bewijsmiddelen, welke het Hof voor de schatting van (de omvang van) het wederrechtelijk verkregen voordeel relevant heeft geacht. Nu die bijlage niet tevens de bedoelde bewijsmiddelen 3 en 5 bevat, hebben deze naar het kennelijke oordeel van het Hof geen betrekking op de onderhavige ontnemingszaak. Ik meen dan ook dat die bewijsmiddelen 3 en 5 hier niet ter zake doen.
- De bestreden uitspraak is derhalve naar de eis der wet voldoende met redenen omkleed.
- Derhalve is ook het derde middel tevergeefs voorgesteld.
- Het tweede middel en het derde middel falen en kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering.
- Ambtshalve gronden waarop Uw Raad de aangevallen beslissing zou moeten vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de hoogte van de opgelegde maatregel. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf. Voor het overige dient het cassatieberoep te worden verworpen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Deze ontnemingszaak hangt samen met de hoofdzaak met griffienummer 10/02312, waarin ik heden eveneens concludeer. 2 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. Mevis. 3 Zie ook het tweede middel in de samenhangende hoofdzaak met griffienummer 10/02312.