Nr. 11/00118 Mr. Vellinga Zitting: 7 juni 2011 Conclusie inzake: [Verdachte]
(2)met zoveel woorden aan de verdachte is voorgehouden, zou ik van een kennelijke misslag in de weergave van verdachtes verklaring in het proces-verbaal van de terechtzitting in die zin dat is verzuimd te vermelden dat de verdachte heeft verklaard dat hij terecht een transactie als vorenbedoeld heeft voldaan niet durven spreken.
- Het voorgaande brengt mij tot de conclusie dat het Hof voor wat betreft de motivering van de opgelegde straf in strijd met het bepaalde in art. 350 jo. 359 lid 2 Sv niet heeft beraadslaagd naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting.
- Anders dan in de toelichting op het middel wordt gesteld is gelet op de wijze waarop het bewezenverklaarde feit is gepleegd niet onbegrijpelijk het oordeel van het Hof dat valsheid in geschrift, ter zake waarvan de verdachte een transactie heeft voldaan, vergelijkbaar is met het bewezenverklaarde feit.
- Het middel slaagt.
- Het derde middel houdt in dat het Hof bij de strafoplegging in aanmerking heeft genomen dat verdachte op doortrapte wijze ernstig misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van zijn werkgever, terwijl het Hof de verdachte strafbaar heeft geacht ter zake van verduistering, niet ter zake van verduistering in dienstbetrekking.
- Het middel gaat eraan voorbij dat het Hof ten laste van de verdachte bewezen heeft verklaard dat hij een geldbedrag heeft verduisterd dat hij uit zijn persoonlijke dienstbetrekking onder zich had en daarin de grondslag ligt voor het oordeel van het Hof dat de verdachte ernstig misbruik heeft gemaakt van het vertrouwen van zijn werkgever. De omstandigheid dat het Hof het bewezenverklaarde heeft gekwalificeerd als (louter) verduistering en als wettelijk voorschrift waarop de straf is gegrond art. 321 Sr heeft genoemd en niet ook art. 322 Sr, betekent niet dat dient te worden genegeerd dat bewezen is verklaard dat verdachte het bewezenverklaarde in dienstbetrekking heeft gepleegd. Het heeft er alle schijn van dat het Hof bij de kwalificatie over het hoofd heeft gezien dat bewezen is verklaard dat het feit in dienstbetrekking is gepleegd.
- Het middel faalt en kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor wat betreft de strafoplegging en in zoverre tot terugwijzing van de zaak naar het Hof dan wel verwijzing van de zaak naar een aangrenzend Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, met verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008, 358, m.nt. P.A.M. Mevis, rov. 3.5.
- 2 Genoemd Uittreksel bevindt zich niet bij de op voet van art. 434, eerste lid, Sv aan de Hoge Raad toegezonden stukken.