Nr. 09/05058 Mr Jörg Zitting 14 juni 2011 Conclusie inzake: [Verzoeker = verdachte]
(1)jo het tweede lid van art. 322 Sv laat weliswaar met betrekking tot het geding na verwijzing ("het nieuwe rechtsgeding") in de aldaar bedoelde gevallen toe de verklaring van een getuige of van een deskundige "tijdens een vorig rechtsgeding in dezelfde zaak gehoord", mits op de terechtzitting voorgelezen, als aldaar afgelegd aan te merken, doch er bestaat geen reden uit deze als uitzondering bedoelde bepaling af te leiden dat ook de bepalingen van het eerste lid van art. 417, onderscheidenlijk het tweede lid van art. 422 Sv, welke alleen zijn gegeven met betrekking tot voorgelezen stukken, onderscheidenlijk afgelegde verklaringen, in eerste aanleg, analoog toe te passen op stukken voorgelezen of verklaringen afgelegd in de instantie voorafgaande aan de verwijzing door de HR."
- Toen deze uitspraak werd gewezen, gold nog de wettelijke fictie van art. 322 Sv waarnaar art. 441 (oud) Sv en daarna art. 440 Sv verwees. Die fictie hield in dat een eerder ter terechtzitting afgelegde getuigenverklaring onder bepaalde omstandigheden kon gelden als afgelegd op de nadere terechtzitting, nadat het onderzoek opnieuw was aangevangen. Ingaande 1 juli 2003 is deze fictie vervallen: het was ongerijmd dat verklaringen die tegenover de politie waren afgelegd in beginsel zonder enige belemmering via het proces-verbaal tot het bewijs mochten meewerken, zowel in eerste aanleg als in hoger beroep, terwijl de wet in art. 322 Sv bewerkstelligde dat (gelijkluidende) verklaringen tegenover de rechter-commissaris of een andere zittingsrechter afgelegd slechts onder specifieke omstandigheden mochten meewerken. Laatstgenoemde verklaringen hoeven dus sinds 1 juli 2003 niet meer via een wettelijke fictie als afgelegd ter terechtzitting te worden aangemerkt, maar zijn bruikbaar voor het bewijs wanneer het proces-verbaal behelzende deze verklaring op grond van art. 301 Sv - welk voorschrift ingevolge art. 415 Sv ook in hoger beroep van toepassing is - wordt voorgelezen (Kamerstukken II, 2001-2002, 28 477, nr. 3 (MvT), p. 13-16).
- Ook toen de cassatiebepalingen nog naar de wettelijke fictie van het oude art. 322 Sv verwees, kon het terug- of verwijzingshof evenwel de vóór cassatie in hoger beroep afgelegde getuigenverklaring niet aanmerken als ware deze ná terug- of verwijzing ter terechtzitting in hoger beroep afgelegd. Dat volgt uit het hiervoor geciteerde HR 28 juni 1983, LJN AC8057, NJ 1984,
- In het licht van de zojuist gememoreerde wetsgeschiedenis komt mijns inziens inmiddels, bij beantwoording van de vraag of een voor de cassatie in hoger beroep afgelegde getuigenverklaring ten laste van een verdachte mag worden gebezigd, mede betekenis toe aan de vraag of een eerder afgelegde getuigenverklaring ingevolge art. 301 Sv jo art. 415, eerste lid, Sv na cassatie door het hof (kort) is voorgelezen.
- Nog immer geldt de in HR 4 februari 1997, LJN ZD0632, NJ 1997, 308 uitgezette (vaste) lijn in rov. 5.3 dat: "in het geval dat in een cassatieprocedure de Hoge Raad een uitspraak vernietigt en de zaak, voor zover aan zijn oordeel onderworpen, op de voet van art. 441 Sv (thans art. 440 Sv, NJ) verwijst teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan, de rechter die na verwijzing moet oordelen, tot taak [heeft] het onderzoek geheel opnieuw aan te vangen en te voltooien, voor zover uit de wet niet het tegendeel voortvloeit." In rov. 5.4 volgde daarop echter al een nuance: "Het (Amsterdamse, NJ) Hof heeft deze taak niet miskend. Immers uit de bestreden uitspraak blijkt dat het Hof tot zijn oordeel is gekomen louter op de grondslag van zijn ter terechtzitting opnieuw verrichte en voltooide onderzoek. Hieraan kan niet afdoen dat dit onderzoek mede tot voorwerp had hetgeen ter terechtzitting van het Gerechtshof te 's-Graven-hage is voorgevallen en dat het Hof te dien einde van het daarvan opgemaakte proces-verbaal heeft kennis genomen."
- In HR 16 april 2002, LJN AE0038 ging het om een partiële vernietiging, waarna het verwijzingshof in zijn arrest vermeldde dat het arrest mede was gewezen naar aanleiding van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep door een ander hof, voordat de zaak werd gecasseerd. Het hof had inhoudelijk bezien niet de verwijzingsopdracht miskend: het had het onderzoek alleen voor wat betreft feit 4 en de strafoplegging opnieuw aangevangen en voltooid. Aangezien voorts niet bleek dat het hof bij zijn beraadslaging acht had geslagen op hetgeen eerder in hoger beroep was verhandeld, merkte de Hoge Raad de vermelding van die terechtzitting aan als een kennelijke misslag en las de bestreden uitspraak met herstel van die misslag.
- Noch uit het proces-verbaal van de eerste zitting na de terugwijzing op 14 april 2009, noch uit dat van de tweede zitting van 13 augustus 2009, noch uit dat van de derde zitting van 24 september 2009 blijkt dat aldaar melding is gemaakt van het proces-verbaal bevattende onder meer een weergave van het verhoor van [getuige 2] dat op 1 februari 2007 heeft plaatsgevonden, terwijl het hof op basis van de inhoud van dat verhoor (wederom) tot niet-ontvankelijkheid van verzoeker in zijn hoger beroep heeft beslist. De nuances van de zojuist genoemde arresten HR 4 februari 1997, LJN ZD0632, NJ 1997, 308 en HR 16 april 2002, LJN AE0038 vallen derhalve in de onderhavige zaak niet toe te passen.
- Het middel is gegrond.
- Het recht moet zijn loop hebben, maar dat het zo kreupel moet gaan is moeilijk uit te leggen aan de goegemeente.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te 's-Hertogenbosch teneinde de zaak op het bestaande beroep opnieuw te berechten en af te doen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Dit voorschrift is thans vervat in art. 440 Sv en verwijst sinds 1 juli 2003 niet meer naar art. 322 Sv, omdat met ingang van die datum de in art. 322 Sv vervatte fictie omtrent getuigenverhoren is komen te vervallen. Zie hierna.