← Nederland

ECLI:NL:PHR:2011:BS1707

Zaaknummer: 11/01661 mr. Wuisman Parketdatum: 8 juli 2011 CONCLUSIE inzake: [Verzoeker], verzoeker tot cassatie, advocaten: mrs. J.C. Meijroos en A. Ramsoedh. 1. Voorgeschiedenis 1.1 De schuldsaneringsregeling, waartoe verzoeker tot cassatie per 30 juli 2008 was toegelaten, is - na een respijt van een maand - door de rechtbank Rotterdam bij vonnis d.d. 4 januari 2011 op voordracht van de rechter-commissaris en de bewindvoerder beëindigd omdat verzoeker tot cassatie zijn uit de regeling voortvloeiende verplichtingen niet is nagekomen (artikel 351, lid 3, sub c en d Fw). Dit vonnis is door het hof 's-Gravenhage bij arrest d.d. 29 maart bekrachtigd. Volgens het hof is verzoeker tot cassatie in de nakoming van de volgende vier verplichtingen tekortgeschoten:

(1)verzoeker tot cassatie heeft niet naar behoren aan zijn plicht tot afdracht aan de boedel voldaan;
(2)verzoeker tot cassatie heeft nieuwe schulden doen ontstaan en in ieder geval ten aanzien van één daarvan niet aannemelijk gemaakt dat deze voor het einde van de schuldsaneringsregeling - 30 juli 2011 - zal zijn voldaan;
(3)verzoeker tot cassatie heeft gedurende de gehele looptijd van de regeling een onvoldoende actieve houding getoond ten aanzien van vele informatieverzoeken van de bewindvoerder;
(4)verzoeker tot cassatie is zonder toestemming van de rechter-commissaris naar zijn huidige adres verhuisd, terwijl ook achteraf de noodzaak van het verhuizen niet is gebleken. 1.2 Verzoeker tot cassatie heeft met een op 6 april 2011, dus tijdig, bij de griffie van de Hoge Raad per fax binnengekomen verzoekschrift tegen het arrest cassatieberoep ingesteld. Er worden twee cassatiemiddelen voorgedragen. Het verschuldigde griffierecht is voldaan.
  1. Bespreking van de cassatiemiddelen 2.1 Cassatiemiddel I heeft betrekking op het tekortschieten door verzoeker tot cassatie in het niet-nakomen van de afdrachtplicht. Voor zover verzoeker tot cassatie in verband daarmee zich erop heeft beroepen dat zijn werkgever niet steeds (voldoende) aan de boedel heeft afgedragen, wijst het hof erop dat de nakoming van de verplichtingen een eigen verantwoordelijkheid van de saniet is. Verzoeker tot cassatie had zelf in de gaten moeten houden dat voldoende afdrachten van de werkgever plaatsvonden, zeker nu de bewindvoerder hem op dit punt heeft aangesproken. Hiertegen wordt aangevoerd dat [verzoeker] dacht dat het de verantwoordelijkheid van de bewindvoerder was om na te gaan of de werkgever voldoende afdroeg. Bovendien heeft de bewindvoerder hem niet dan wel onvoldoende gewaarschuwd. 2.2 De laatste, van feitelijke aard zijnde bewering stuit hierop af dat niet wordt toegelicht waarom er sprake zou zijn van een onvoldoende waarschuwen. Daarvan blijkt ook niet uit de stukken. In het op zichzelf niet bestreden feit dat de bewindvoerder hem heeft gewaarschuwd, ligt verder besloten dat verzoeker tot cassatie niet op goede gronden heeft kunnen menen dat het plegen van voldoende afdrachten door de werkgever een verantwoordelijkheid van de bewindvoerder was. 2.3 Cassatiemiddel II bestrijdt de beslissing inzake het verhuisd zijn door verzoeker tot cassatie zonder toestemming. Het hof licht niet voldoende toe, zo wordt betoogd, waarom die omstandigheid een toerekenbare tekortkoming is die voortzetting van de schuldsanering in de weg staat. 2.4 Dit middel kan reeds bij gebrek aan belang niet slagen. De andere voor de beëindiging gebezigde gronden kunnen de beslissing al geheel dragen. Verder ligt in de niet (voldoende) bestreden deelbeslissing dat de noodzaak van het verhuizen ook achteraf niet is aangetoond, een voldoende grond voor toerekening besloten.
  2. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.