Nr. 10/01945 Mr. Aben Zitting 20 september 2011(bij vervroeging) Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)- een appelschriftuur met grieven ingediend waarin hij aangeeft voornemens te zijn een achttal getuigen te horen, te weten: - [verbalisant 1], verbalisant; - [verbalisant 2], verbalisant; - [betrokkene 1], districtsinspecteur Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming/boa; - J.B.A. Loomans, dierenarts faculteit diergeneeskunde Utrecht; - J.P. Koeman, dierenarts faculteit diergeneeskunde Utrecht; - J.M. Heijltjes, dierenarts; - M.H. van Barneveld, dierenarts; - [betrokkene 2], hoefsmid. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de raadsman het verzoek om het horen van deze getuigen gehandhaafd en dit verzoek als volgt nader toegelicht: "- [verbalisant 1] en [verbalisant 2], beiden politieagent te Utrecht, kunnen verklaren over de situatie ter plaatse, gelet op de verklaring van verdachte dat de pony's naar een andere (goede) wei zijn gebracht. - [betrokkene 1], districtsinspecteur Landelijke Inspectiedienst Dierenbescherming, kan verklaren over de conditie waarin de dieren verkeerde. - J.B.A. Loomans en drs. J.P. Koeman, beiden dierenarts van de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, kunnen verklaren over het onderzoek dat zij naar c.q. op de dieren hebben verricht. Dit is van belang nu hun verklaringen zijn gebruikt voor het bewijs. - drs. J.M. Heijltjes en drs. M.H. van Barneveld. beiden dierenarts van de faculteit diergeneeskunde van de Universiteit Utrecht, hebben de vier pony's en het paard onderzocht en kunnen verklaren over wat zij hebben waargenomen en de conclusies die zij daaraan hebben verbonden. - [betrokkene 2], de hoefsmid, kan verklaren over het geconstateerde achterstallig onderhoud aan de hoeven van de dieren. Vooral nu verdachte aangeeft dat wat de hoefsmid beschrijft zich niet verhoudt met de constatering dat de hoeven brokkelig waren." 3.
- Het hof heeft naar aanleiding van het verzoek van de verdediging, voor zover voor de bespreking van de middelen van belang, het volgende overwogen: "- voor wat betreft de getuigen-deskundigen, J.B.A. Loomans, J.P. Koeman, J.M. Heijltjes en M.H. van Barneveld is het noodzaakcriterium aan de orde. Het hof wijst het verzoek deze getuigen-deskundigen te horen af, nu de noodzaak daartoe niet gebleken is. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd. Het feit dat de bevindingen van de getuigen-deskundigen zijn gebruikt voor het bewijs maakt dit niet anders. - het hof wijst het verzoek de verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] te horen af, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het achterwege blijven van het verhoor verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad nu onduidelijk is welke vragen de verdediging wil stellen in relatie tot het onderhavige delict. Het verzoek is onvoldoende onderbouwd. (...) - het hof wijst ook het verzoek de getuige [betrokkene 2] te horen af, nu redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het achterwege blijven van het verhoor verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad. De getuige heeft verklaard dat de dieren hoefverzorging nodig hadden hetgeen door de verdediging niet wordt betwist." 3.
- Het verzoek van de raadsman betreft een bij appelschriftuur gedaan getuigenverzoek van getuigen die niet eerder ter terechtzitting in eerste aanleg of bij de rechter-commissaris zijn gehoord. Maatstaf voor de beoordeling van een dergelijk verzoek is ingevolge art. 288, eerste lid onder c, Sv in verbinding met art. 418, eerste lid, Sv - voor zover hier van belang - of redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het afzien van de oproeping van de getuige niet in zijn verdediging wordt geschaad, het zogeheten verdedigingsbelang. 3.
- Gelet op het voorgaande heeft het hof, nu het ten aanzien van de getuigen J.B.A. Loomans, J.P. Koeman, J.M. Heijltjes en M.H. van Barneveld heeft overwogen dat het noodzaakcriterium aan de orde is derhalve een onjuiste maatstaf aangelegd bij de afwijzing van het verzoek tot horen van deze getuigen. Aldus is het eerste middel terecht voorgesteld. 3.
- Ten aanzien van de getuigen [verbalisant 1] en [verbalisant 2] heeft het hof overwogen dat de verdachte door het niet horen van de verzochte getuigen redelijkerwijs niet in zijn verdediging is geschaad. Het hof heeft derhalve de juiste maatstaf (art. 288, lid 1 onder c, Sv) toegepast. In het licht van hetgeen de raadsman van de verdachte aan het verzoek tot het horen van deze getuigen ten grondslag heeft gelegd, is het oordeel van het hof dat het verzoek onvoldoende is onderbouwd en dat redelijkerwijs valt aan te nemen dat de verdachte door het niet horen van de getuige niet in zijn verdediging wordt geschaad, niet onbegrijpelijk. De raadsman van de verdachte heeft immers op geen enkele wijze nader geconcretiseerd waarom het horen van de getuige van belang was voor de verdediging. Aldus faalt het tweede middel. 3.
- Met betrekking tot de getuige [betrokkene 2] heeft het hof overwogen dat - omdat door de verdediging niet wordt betwist hetgeen door de getuige is verklaard, te weten dat de dieren hoefverzorging nodig hadden - redelijkerwijs valt aan te nemen dat door het achterwege van het verhoor van deze getuige de verdachte niet in zijn belangen wordt geschaad. Aldus heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd. Gelet op de omstandigheid dat de raadsman blijkens het proces-verbaal van de terechtzitting in eerste aanleg heeft aangevoerd dat 'de noodzakelijke hoefverzorging altijd werd gedaan', kan mijns inziens niet worden gesteld dat door de verdediging niet wordt betwist dat de dieren hoefverzorging nodig hadden. Nu het getuigenverzoek kennelijk uitsluitend op deze grond is afgewezen is de afwijzing van het verzoek om deze getuige te horen in het licht van het ruime criterium van het verdedigingsbelang niet toereikend gemotiveerd.
- Zowel het eerste als het derde middel is terecht voorgesteld. Het tweede middel faalt en kan naar mijn mening met de aan art. 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden vonnis aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, nevenzittingsplaats Arnhem, teneinde in zoverre op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Ik heb zelf deze faxbrief niet aangetroffen bij de stukken die door de griffie van het hof aan de Hoge Raad zijn toegezonden, doch alleen het origineel dat over de post is verzonden en dat op 26 september 2008 ter griffie van de rechtbank in Utrecht is binnengekomen. Op deze brief van 25 september 2008 staat vermeld dat het "tevens per telefax" is verzonden. Bovendien constateert de voorzitter van het hof, blijkens het proces-verbaal ter terechtzitting van 12 april 2010, dat een appelschriftuur met grieven per fax binnen de wettelijke termijn is ingediend. In cassatie moet m.i. dan ook worden aangenomen dat op 25 september 2008 een appelschriftuur als bedoeld in artikel 410 Sv binnen de wettelijke termijn is ingezonden ter griffie van het gerecht dat het bestreden vonnis heeft gewezen.