Nr. 10/01823 Mr Jörg Zitting 11 oktober 2011 Conclusie inzake: [Verzoeker = verdachte]
(3)Een reële verwachting van een confrontatie maakt een beroep op noodweer niet illusoir; daarvan kan onder andere sprake zijn als men op een gewelddadige confrontatie uit is en geweld van de tegenstander uitlokt, waartegen men meent zich dan te moeten verdedigen. Indien het hof heeft bedoeld het beroep op noodweer te verwerpen op de grond dat geen sprake was van een noodweersituatie omdat verzoeker zich had kunnen (en moeten) onttrekken aan de situatie/aanranding, kan deze redenering de verwerping van het verweer evenmin dragen. Immers, verzoeker heeft onder meer ter terechtzitting in hoger beroep verklaard dat de broers [betrokkene 6 en 7] werden aangevallen en dat hij hen wilde ontzetten. Daarna werden verzoeker en zijn broer aangevallen en hebben zij zich verdedigd. Toen zijn broer bij de bushalte weer werd geslagen heeft verzoeker "ze" weggeduwd en gezegd dat ze dat niet moesten doen, aldus verzoeker. Voor verzoeker bestond dus de noodzaak om zijn vrienden en broer te verdedigen; hij komt iemand te hulp die wordt aangevallen; dan bestaat eerder een morele plicht tot hulpverlening dan de strafrechtelijke plicht om zich, zo enigszins mogelijk, te distantiëren. Onder die omstandigheden kan een beroep op noodweer niet worden verworpen op de grond dat "niet is gebleken dat verdachte geen reële mogelijkheid heeft gehad zich op enig moment aan de situatie te onttrekken."
- Het middel slaagt.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 HR 28 maart 2006, LJN AU8087, NJ 2006/509 m.nt. Buruma. 2 Zie over de aanscherping van de motiveringseisen van de verwerping van een beroep op noodweer(exces) wegens "eigen schuld": T. Bertens, Eigen schuld en noodweer, in Welberaden. Beschouwingen over de rechtsontwikkeling in de rechtspraak van de Hoge Raad der Nederlanden, onder redactie van Duker, Pieterse en Schild, Nijmegen: Wolf Legal Publishers 2009, p. 1-
- 3 Waarbij ik erop wijs dat uit de door [betrokkene 7] ten overstaan van de politie afgelegde verklaring blijkt dat hij in bijzijn van verzoeker en diens broer met [betrokkene 6] in de auto heeft gesproken over het telefoongesprek dat [betrokkene 6] heeft gevoerd met een voor hem onbekende man en dat besloten was in Utrecht af te spreken om het uit te praten (curs.v.NJ). In mijn ogen kan onder deze omstandigheden niet worden gezegd dat sprake is van een gezochte confrontatie.