Nr. 09/04384 Mr. Aben Zitting 7 juni 2011 Conclusie inzake: [Verdachte]
- Het gerechtshof te 's-Hertogenbosch, nevenzittingsplaats Arnhem, heeft de verdachte bij arrest van 4 maart 2009 vrijgesproken van het onder 2 tenlastegelegde en ter zake van het onder 1 primair en 3 primair bewezenverklaarde "medeplegen van opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist of onvolledig doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes maanden voorwaardelijk en met een proeftijd van twee jaren, tot een werkstraf voor de duur van 160 uren (eventueel te vervangen door 80 dagen hechtenis), en met een beslissing over het beslag als in het arrest vermeld.
- Namens de verdachte heeft Mr. A.M.E. Nuyens, advocate te Breda, beroep in cassatie ingesteld. Mr. D.R. Doorenbos, advocaat te Amsterdam, heeft een schriftuur ingezonden, houdende tien middelen van cassatie, alsmede (een dag later) een aanvullende schriftuur, houdende een elfde middel van cassatie. 3.
- Het eerste middel komt met een rechtsklacht op tegen de verwerping van een "Salduz-verweer" dat het de (meerderjarige) verdachte in de fase van inverzekeringstelling heeft ontbroken aan rechtsbijstand tijdens de politieverhoren. 3.
- Over 's hofs weergave van het verweer is door de steller van het middel geen klacht ontwikkeld, zodat ik het verweer zelf niet zal aanhalen
(1)en zal volstaan met de weergave daarvan door het hof en de verwerping ervan in het bestreden arrest. Die luiden als volgt: "
- Salduzverweer Samenvatting van het verweer Door de verdediging is aangevoerd dat de verdachte tijdens de inverzekeringstelling geen 'acces to a lawyer' heeft gehad, omdat de raadsman niet in de gelegenheid is gesteld de verhoren bij te wonen, er tussen de verhoren door weinig gelegenheid was voor overleg tussen de raadsman en de verdachte en de raadsman voorafgaand aan die gesprekken (ondanks zijn verzoek) geen kennis heeft kunnen nemen van de op schrift gestelde verklaringen van de verdachte. Volgens de verdediging is gelet op het arrest Salduz in strijd gehandeld met artikel 6 EVRM en dient als gevolg hiervan het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk te worden verklaard dan wel de verklaringen van het bewijs te worden uitgesloten. Feiten Verdachte is op 25 oktober 2005 aangehouden en in verzekering gesteld. Op 28 oktober 2005 is hij in vrijheid gesteld. De raadsman heeft ter terechtzitting van het hof op 17 februari 2009 gesteld dat hij zijn cliënt tijdens de inverzekeringstelling gesproken heeft. De advocaat-generaal heeft naar voren gebracht dat [verbalisant 4], opsporingsambtenaar van de FIOD-ECD zich herinnert dat verdachte al op 25 oktober 2005 bezoek heeft gehad van zijn raadsman. Dit is niet weersproken door de raadsman, zodat het hof er van uit gaat dat er op 25 oktober 2005 contact is geweest tussen de verdachte en zijn raadsman. Uit de door de raadsman aan zijn pleitnotities "niet ontvankelijkheid OM" gehechte brieven blijkt dat de raadsman op 25 en 26 oktober 2005 verzocht heeft om kopieën van de processen-verbaal van verhoor van verdachte. Op 28 oktober 2005 zijn de op 25, 26 en 27 oktober 2005 door verdachte afgelegde verklaringen gefaxt naar de raadsman. Uit de processen-verbaal van verhoor blijkt dat de verdachte voorafgaand aan elk verhoor gewezen is op zijn zwijgrecht. Voorts is bekend dat de verdachte jurist is en hij - als belastingadviseur - kennis had van de onderwerpen die tijdens de ondervraging centraal stonden. Ook is echter bekend dat de verdachte voor het eerst in zijn leven in een politiecel heeft doorgebracht en dat de detentie en het gebeuren daar om heen diepe indruk op hem hebben gemaakt. Het arrest Salduz tegen Turkije, EHRM 27 november 2008 en artikel 31 van het Wetboek van Strafvordering. Uit het arrest Salduz leidt het hof af dat een (gedetineerde) verdachte voorafgaand aan zijn eerste verhoor de mogelijkheid moet hebben gehad om met een advocaat te overleggen. Het feit dat een verdachte gedetineerd is maakt hem kwetsbaarder en daardoor meer beïnvloedbaar. Het overleg met zijn advocaat - die hem kan wijzen op zijn rechten (waaronder het zwijgrecht) en de bewijsrechtelijke consequenties van zijn verklaringen - moet daaraan tegenwicht bieden. Het hof leest in het arrest niet dat de verdachte het recht heeft om zich tijdens de politieverhoren te laten bijstaan door een raadsman. In het arrest, noch in enig ander arrest van het EHRM, heeft het EHRM (voor zover het hof bekend) gesteld dat uit artikel 6 EVRM voortvloeit dat aan verdachte en zijn raadsman onverwijld een kopie van het proces-verbaal van verhoor moet worden uitgereikt. Weliswaar houdt artikel 31 van het Wetboek van Strafvordering in dat aan de verdachte niet de processen-verbaal van zijn verhoor onthouden mogen worden, maar het artikel houdt niet in dat die processen-verbaal onverwijld uitgereikt dienen te worden. Oordeel hof Omdat het hof niet kan vaststellen dat de verdachte vóór zijn eerste verhoor op 25 oktober 2005 contact heeft gehad met zijn raadsman, gaat het hof er van uit dat dit niet is gebeurd. Het hof zal de verklaring die de verdachte op 25 oktober 2005 heeft afgelegd niet voor het bewijs gebruiken. Ten aanzien van de overige door de verdachte afgelegde verklaringen geldt dat hij (vóór het afleggen) met zijn raadsman heeft kunnen overleggen. Het verlenen van rechtsbijstand werd echter beperkt door het feit dat de raadsman maar kort met zijn cliënt kon overleggen en het feit dat de raadsman niet de beschikking had over de processen-verbaal van verhoor. Het is de vraag of door deze beperkingen niet meer gesproken kan worden van 'acces to a lawyer' en/of door het gebruik van de verklaringen van de verdachte afgelegd tussen 26 en 28 oktober 2005 als bewijsmiddel artikel 6 EVRM wordt geschonden. Het hof beantwoordt die vraag ontkennend. De invulling van het recht op rechtsbijstand voorafgaand aan het politieverhoor hangt samen met de doeleinden van artikel 6 EVRM. In dat verband is van belang dat verdachte zijn verklaring in vrijheid aflegt waarbij onder meer betekenis toekomt aan de mogelijkheid voor verdachte om zijn procespositie te bepalen en vorm te geven zodat bijvoorbeeld geen sprake is van een volledig door de verhorende ambtenaren gestuurde verklaring of een verklaring waarbij verdachte zich niet heeft kunnen baseren op zijn eigen herinnering. Deze doeleinden zijn door de raadsman aangevoerde beperkingen van het recht op rechtsbijstand niet zodanig in gedrang gekomen dat (in geval de verklaringen van de verdachte voor het bewijs worden gebruikt) sprake is van schending van artikel 6 EVRM. De verdachte is immers voor elk verhoor gewezen op zijn zwijgrecht. De verdachte is hoog opgeleid en is deskundig op het terrein waarop hij ondervraagd werd, hetgeen de mogelijkheid van sturing door de rechercheurs (sterk) zal hebben verminderd. Dit blijkt ook in een na de verhoren opgenomen telefoongesprek (bijlage AH-51, pagina 100406, gespreknummer 283), waarin de verdachte zegt dat hij wel een redelijk gevoel heeft bij de verklaringen en dat hij ze goed genuanceerd heeft weergegeven. Ten slotte was het contact met de raadsman weliswaar kort (het hof begrijpt een kwartier per overleg), maar dat moet op zich voldoende zijn geweest om de (juridisch geschoolde) verdachte te wijzen op zijn rechten en de algemeen bewijsrechtelijke consequenties van het afleggen van verklaringen. Het hof komt tot de conclusie dat de op 25 oktober 2005 door de verdachte afgelegde verklaring niet voor het bewijs kan worden gebezigd en dat het gebruik van de overige door de verdachte afgelegde verklaringen geen schending van artikel 6 EVRM oplevert. Voorts heeft het hof zich de vraag gesteld - in het bijzonder door de verklaringen van verdachte hieromtrent ter terechtzitting in hoger beroep - of de verklaringen van verdachte wel betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt. Het hof beantwoordt deze vraag bevestigend. De inhoud van zijn verklaringen worden ondersteund door verschillende tapgesprekken en de bekennende verklaring van [betrokkene 3] (bijlage V4-S-02, pagina 000218 e.v.). Voorts heeft verdachte in telefoongesprekken kort na zijn verklaringen aangeven dat hij bij de FIOD "goed heeft verklaard" (bijlage D-58, pagina 200477), hij "een genuanceerd verhaal heeft neergelegd" (bijlage D-58, pagina 2004790) en hij "een redelijk gevoel heeft dat hij de verklaring goed genuanceerd heeft weergegeven" (bijlage AH-51, pagina 100406)." 3.
- De steller van het middel houdt staande dat de verdachte aan artikel 6 EVRM een aanspraak kan ontlenen op rechtsbijstand, niet alleen voorafgaand, maar ook tijdens de politieverhoren. Hij wijst daartoe op een uitspraak van het EHRM van 24 september 2009 (Pishchalnikov),
(2)die is verschenen na de wijzing van het bestreden arrest, en juridische literatuur, te weten een artikel van A.J.M. de Swart
(3)en een annotatie van T. Spronken onder EHRM 23 oktober 2009 (Dayanan).
(4)De steller van het middel zal het mij niet kwalijk nemen dat ik zijn betoog actualiseer met verwijzingen naar een uitspraak van het EHRM van 14 oktober 2010 (Brusco),
(5)alsmede naar een vervolgartikel van De Swart,
(6)beide daterend van na de indiening van zijn schriftuur. 3.4. Standaard omschrijft het EHRM de aanspraak op 'access to a lawyer' als volgt: "Article 6 § 1 of the Convention requires that, as a rule, access to a lawyer should be provided as from the first interrogation of a suspect by the police, unless it is demonstrated in the light of the particular circumstances of each case that there are compelling reasons to restrict this right (see Salduz v. Turkey [GC], no. 36391/02, § 55, 27 November 2008; see also Dayanan v. Turkey, no. 7377/03, §§ 29-34, 13 October 2009). Even where compelling reasons may exceptionally justify denial of access to a lawyer, such restriction - whatever its justification - must not unduly prejudice the rights of the accused under Article 6 (ibid). The rights of the defence will in principle be irretrievably prejudiced when incriminating statements made during police interrogation without access to a lawyer are used for a conviction."
(7)De Hoge Raad heeft omtrent deze problematiek overwogen: "2.5. De Hoge Raad leidt uit de rechtspraak van het EHRM af dat een verdachte die door de politie is aangehouden, aan art. 6 EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit een advocaat te raadplegen. Uit de rechtspraak van het EHRM kan echter niet worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor. Het vorenoverwogene brengt mee dat de aangehouden verdachte vóór de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat. Behoudens in het geval dat hij uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in elk geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen als door het EHRM bedoeld, zal hem binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid moeten worden geboden dat recht te verwezenlijken."
(8)3.5. Volgens de Hoge Raad kan uit de Salduz-rechtspraak van het EHRM niet worden afgeleid dat (ook) de meerderjarige verdachte recht heeft op rechtsbijstand tijdens het politieverhoor. De verdachte die door de politie is aangehouden moet worden geattendeerd op zijn aanspraak om voorafgaand aan het politieverhoor een advocaat te raadplegen. Hem dient bovendien binnen de grenzen van het redelijke de gelegenheid te worden geboden dit consultatierecht daadwerkelijk te effectueren. Deze jurisprudentie heeft de Hoge Raad sindsdien meermalen bevestigd. Sedert "Brusco" betreft dat de uitspraken van 9 november 2010,
(9)30 november 2010,
(10)21 december 2010,
(11)25 januari 2011
(12)en 8 februari 2011.
(13)Hieruit moet ik opmaken dat de Hoge Raad in de arresten van het EHRM in de zaken Pishchalnikov en Brusco geen aanleiding heeft gezien voor bijstelling van zijn jurisprudentie inzake de aanspraak van een aangehouden verdachte op rechtsbijstand tijdens het verhoor. Wellicht heeft de Hoge Raad hierin betrokken dat het bij uitstek een taak van de wetgever is om invulling te geven aan aanspraken op rechtsbijstand en te voorzien in toereikende regelgeving. Een en ander raakt immers aan de logistiek en financiering van rechtsbijstand. Misschien heeft de Hoge Raad eveneens meegewogen dat reeds nu artikel 28, tweede lid Sv voorschrijft dat de verdachte, telkens wanneer hij dit verzoekt, zoveel mogelijk de gelegenheid wordt verschaft om zich met zijn raadsman in verbinding te stellen. Deze bepaling maakt een genuanceerde benadering van deze kwestie mogelijk, waardoor het ontbreken van een absoluut recht op aanwezigheid van de raadsman bij het politieverhoor niet zonder meer de schending van artikel 6 EVRM hoeft mee te brengen. 3.
- Deze bestendige jurisprudentie brengt mee dat het middel zal moeten falen. Het hof heeft ook overigens de toets aan artikel 6 EVRM serieus uitgevoerd. Het hof heeft de aard van het overleg met de raadsman dat daadwerkelijk heeft plaatsgehad, de kennis en vaardigheden van de verdachte en het (volgens de verdachte bevredigende) resultaat van de verhoren in zijn beschouwingen betrokken. 3.
- Niettemin bewandel ik een zijspoor en sta ik kort stil bij de door het middel opgeworpen vraag of "Pishchalnikov" en "Brusco" nopen tot herziening van Uw jurisprudentie. Het kan immers geen kwaad de eigen rechtspraak met enige regelmaat tegen het licht van externe ontwikkelingen te houden. De relevante passages uit de genoemde uitspraken van het EHRM luiden als volgt. Pishchalnikov en Brusco zijn meerderjarig. Nadat het EHRM in de zaak Pishchalnikov onder verwijzing naar de bekende standaardarresten heeft geoordeeld dat 'the access to a lawyer in police custody was restricted', bespreekt het EHRM de vraag of Pishchalnikov ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht. Het EHRM overweegt: "
- Turning to the facts of the present case, the Court is not convinced that by giving replies to the investigator's questions the applicant, in a knowing, explicit and unequivocal manner, waived his right to receive legal representation during the interrogations on 15 and 16 December
- The Court firstly reiterates its finding in the case of Salduz v. Turkey (cited above, § 59) that no inferences could be drawn from the mere fact that the applicant had been reminded of his right to remain silent and signed the form stating his rights. A caution given by the investigating authorities informing an accused of the right to silence is a minimum recognition of the right, and as administered it barely meets the minimum aim of acquainting the accused with the rights which the law confirms on him (see, for similar finding, Panovits, cited above, § 74). In the Court's view, when an accused has invoked his right to be assisted by counsel during interrogation, a valid waiver of that right cannot be established by showing only that he responded to further police-initiated interrogation even if he has been advised of his rights. Moreover, the Court is of the opinion that an accused such as the applicant in the present case, who had expressed his desire to participate in investigative steps only through counsel, should not be subject to further interrogation by the authorities until counsel has been made available to him, unless the accused himself initiates further communication, exchanges, or conversations with the police or prosecution."
(14)In "Brusco" heeft het EHRM als volgt overwogen: "
- La Cour rappelle également que la personne placée en garde à vue a le droit d'être assistée d'un avocat dès le début de cette mesure ainsi que pendant les interrogatoires, et ce a fortiori lorsqu'elle n'a pas été informée par les autorités de son droit de se taire (voir les principes dégagés notamment dans les affaires Salduz c. Turquie [GC], no 36391/02, §§ 50-62, 27 novembre 2008, Dayanan c. Turquie, no 7377/03, §§ 30-34, 13 octobre 2009, Boz c. Turquie, no 2039/04, §§ 33-36, 9 février 2010, et Adamkiewicz c. Pologne, no 54729/00 §§ 82-92, 2 mars 2010). (...)
- La Cour constate également qu'il ne ressort ni du dossier ni des procès-verbaux des dépositions que le requérant ait été informé au début de son interrogatoire du droit de se taire, de ne pas répondre aux questions posées, ou encore de ne répondre qu'aux questions qu'il souhaitait. Elle relève en outre que le requérant n'a pu être assisté d'un avocat que vingt heures après le début de la garde à vue, délai prévu à l'article 63-4 du code de procédure pénale (paragraphe 28 ci-dessus). L'avocat n'a donc été en mesure ni de l'informer sur son droit à garder le silence et de ne pas s'auto-incriminer avant son premier interrogatoire ni de l'assister lors de cette déposition et lors de celles qui suivirent, comme l'exige l'article 6 de la Convention.
- Il s'ensuit que l'exception soulevée par le Gouvernement doit être rejetée et qu'il y a eu, en l'espèce, atteinte au droit du requérant de ne pas contribuer à sa propre incrimination et de garder le silence, tel que garanti par l'article 6 §§ 1 et 3 de la Convention."
(15)3.
- Het EHRM omschrijft 'access to a lawyer' in de hier aangehaalde en door mij onderstreepte passages onder meer als de rechtsbijstand tijdens politieverhoren, contrasterend met de rechtsbijstand die daaraan voorafgaat. Welke betekenis hebben deze passages? De Swart grondt hierop zijn standpunt dat in verdachtes aanspraak op effectieve rechtsbijstand het recht op de aanwezigheid van een raadsman bij het politieverhoor besloten ligt. En dan niet louter om morele steun te verlenen, maar ook om zo nodig te interveniëren, vragen te stellen, opmerkingen te maken en om met de verdachte vertrouwelijk overleg te voeren. 3.
- Tegen de aan deze passages ontleende argumenten is in de literatuur het nodige aangevoerd. De volgende geluiden zijn te beluisteren. Pishchalnikov en Brusco hadden geheel geen gelegenheid voor overleg gehad met hun raadsman en toen zij voor de eerste maal inhoudelijk werden verhoord dus ook géén voorafgaand consult gehad. Deze uitspraken van het EHRM spitsen zich met andere woorden niet toe op het thans voorliggende geval, waarin de raadsman wel voorafgaand is geconsulteerd, doch niet aanwezig was bij de verhoren, aldus Borgers.
(16)Het zijn in het licht van de Salduz-doctrine geen bijzondere zaken. Volgens Borgers bevatten "Pishchalnikov" en "Brusco" ook overigens weinig nieuws onder de zon. Het betreft bovendien uitspraken die zijn gewezen door Kamers van zeven rechters, en dus niet van de Grote Kamer (zoals bij Salduz wel het geval was). Als het EHRM zou willen afwijken van de uitspraak in de zaak Salduz, is wederom een uitspraak van de Grote Kamer vereist. Om die reden mag worden aangenomen dat "Pishchalnikov" en "Brusco" geen afwijking inhouden van de met "Salduz" ingezette lijn, aldus begrijp ik Hermans.
(17)3.10. Zouden we dan (lang) moeten wachten op een uitspraak van de Grote Kamer van het EHRM in een (Nederlandse) zaak waarin voorafgaande aan het eerste verhoor overleg is geweest met de raadsman, doch deze raadsman vervolgens niet in de gelegenheid is gesteld de verhoren zelf bij te wonen? Een bevestigend antwoord op deze vraag is niet geheel vanzelfsprekend. Op de hiervoor weergegeven argumenten valt namelijk ook weer het nodige af te dingen. Zij veronderstellen dat een eventuele aanspraak op effectieve rechtsbijstand tijdens het politieverhoor een afwijking is van de eerder geformuleerde Salduz-doctrine van het EHRM. Of deze veronderstelling juist is, is nog maar de vraag. Inderdaad kan uit de rechtspraak van de Grote Kamer van het EHRM niet, althans niet ondubbelzinnig worden afgeleid dat de verdachte recht heeft op de aanwezigheid van een advocaat bij het politieverhoor. Uit die jurisprudentie kan echter evenmin ondubbelzinnig worden afgeleid dat voor de verwezenlijking van de 'acces to a lawyer' kan worden volstaan met een consult voorafgaande aan het eerste verhoor. Met andere woorden, zeer wel mogelijk heeft het EHRM reeds van begin af aan de aanspraak op effectieve rechtsbijstand tijdens het politieverhoor begrepen onder 'access to a lawyer', en brengen "Pishchalnikov" en "Brusco" dit tot uitdrukking.
(18)In dat geval is wachten op een uitspraak van de Grote Kamer niet alleen een overbodige, maar ook een kostbare exercitie. Wellicht heeft het EHRM zijn oordeel hierover opzettelijk in het midden gelaten, en gaan uitspraken van Kamers van zeven ons beetje bij beetje de gewenste duidelijkheid verschaffen. Waarschijnlijker nog hangt het antwoord op de vraag of artikel 6 EVRM is geschonden volgens het EHRM af van de vraag hoe effectief de rechtsbijstand van de aangehouden verdachte voorafgaand aan het eerste verhoor feitelijk is geweest. Onder bepaalde omstandigheden kan een gebrekkig consult alleen worden geheeld door een actieve bijdrage van de raadsman tijdens het verhoor. Zulks klemt te meer als de verdachte uitdrukkelijk om een dergelijke vorm van rechtsbijstand heeft gevraagd, bijvoorbeeld omdat zijn raadsman niet heeft kunnen beschikken over voldoende voorbereidingstijd en informatie. Het voorafgaande consult stelt bij die stand van zaken weinig tot niets voor. 3.11. Wat van dit alles ook zij, ik durf op dit moment beslist niet uit te sluiten dat het EHRM in de nabije toekomst de Nederlandse rechtspleging de duimschroeven nog eens extra zal aandraaien. Misschien is het verstandig om aan die gedachte te wennen, want de praktijk van vandaag zal worden getoetst aan de jurisprudentie van morgen. De daarin geformuleerde normen worden op hun beurt mede gedreven door het voortschrijdende inzicht omtrent de invloed die de manier van verhoren heeft op de betrouwbaarheid van het verhoorresultaat.
(19)Het moge zo zijn dat een advocaat op zichzelf niet de taak heeft de waarheidsvinding te dienen, doch zijn aanwezigheid bij het verhoor zou de betrouwbaarheid van de afgelegde verklaring wel eens ten goede kunnen komen.
(20)Uiteraard geldt dat alleen als de verdachte metterdaad bereid blijkt te verklaren. In dat verband moet niet uit het oog worden verloren dat een raadsman die vrijwel zonder voorbereiding louter voorafgaande aan het eerste verhoor kortstondig met zijn cliënt mag overleggen, niets beters te doen staat dan hem te adviseren van zijn zwijgrecht gebruik te maken. Pas bij gelegenheid van het verhoor door de rechter-commissaris is de raadsman toegerust om meer actief op te treden, en dus ligt het m.i. in de lijn der verwachting dat de rechter-commissaris het nog erg druk gaat krijgen, tenzij de raadsman vanaf het eerste inhoudelijke politieverhoor een meer actieve rol wordt toebedeeld. 3.12. Ten overvloede wijs ik op de brief van 29 november 2010 met antwoorden op Kamervragen aan de Minister van Veiligheid en Justitie. Hieraan kan steun worden ontleend voor de huidige jurisprudentie van de Hoge Raad, maar erg overtuigend vind ik de argumentatie niet: "In Brusco vs. Frankrijk legt het Hof artikel 6 van het EVRM zo uit dat een verdachte de gelegenheid moet hebben zich met een raadsman te verstaan vóór en tijdens het eerste verhoor en volgende verhoren. Door iemand als getuige (en niet als verdachte) te horen en hem evenmin op zijn zwijgrecht te wijzen wordt een schending van artikel 6 door Frankrijk aangenomen. Deze uitspraak leidt niet tot de conclusie dat los van de context van de Franse wetgeving de raadsman in het algemeen ook tijdens het verhoor aanwezig moet kunnen zijn. Er is naar aanleiding van de uitspraak in de zaak Brusco naar mijn oordeel geen aanleiding tot het nemen van aanvullende maatregelen voor de Nederlandse situatie. Voor een nadere toelichting verwijs ik u naar mijn brief met bijlage aan uw Kamer van 16 november j.l. over de aanwezigheid van de raadsman bij het politieverhoor (TK, 2010-2011, 32500 VI, nr 15)."
(21)3.
- Ik kom na dit zijspoor weer terug bij mijn al eerder verwoorde conclusie. De bestendige rechtspraak van de Hoge Raad geeft de steller van het middel ongelijk. Het middel faalt dus. 4.
- Het tweede middel komt met motiveringsklachten op tegen 's hofs verwerping van een tot niet-ontvankelijkheid resp. bewijsuitsluiting strekkend verweer dat tapgegevens ten onrechte zijn gebruikt voor toekomstig strafrechtelijk onderzoek. 4.
- Het hof heeft in zijn bestreden arrest het volgende overwogen: "
- Hades-tapes Samenvatting verweer en verzoek Door de verdediging is aangevoerd dat taps zijn bewaard en gebruikt voor een mogelijk toekomstig strafrechtelijk onderzoek en dat een dergelijke handelwijze in strijd is met het bepaalde in artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering. Het gevolg hiervan zou moeten zijn dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, dan wel de afgeluisterde gesprekken niet voor het bewijs gebruikt mogen worden. In verband met het gevoerde verweer heeft de raadsman verzocht [betrokkene 2] als getuige te horen. Feiten In het aanvangsproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD-ECD/Zuid-Oost wordt over de aanleiding van het onderzoek het volgende opgemerkt: "De aanleiding van het onderzoek is het door de politie aan de Belastingdienst/FIOD-ECD verstrekken van opgenomen telefoongesprekken gevoerd op het telefoonnummer (...), in 2003 in gebruik bij verdachte [betrokkene 3]. Het gaat om opgenomen telefoongesprekken in de periode gelegen van 18 februari 2003 tot en met 13 mei
- Deze informatie is afkomstig uit een strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte [betrokkene 3] (...) in verband met mogelijk gepleegde seksuele misdrijven. In dat kader zijn met toestemming van de officier van justitie, na overleg met de rechter-commissaris, de opgenomen telefoongesprekken over fiscale en financiële zaken uit het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking gesteld aan de Belastingdienst/FIOD-ECD ten behoeve van fiscaal-strafrechtelijk onderzoek. " In de zedenzaak tegen [betrokkene 3] heeft de Hoge Raad op 13 maart 2007 arrest gewezen. Op 11 januari 2007 is ten overstaan van de rechter-commissaris [verbalisant 1] (financieel expert bij de politie) gehoord. Zij heeft verklaard voor zover relevant: 'De raadsman vraagt mij wat mijn betrokkenheid is geweest bij het Hades-onderzoek. Niet meer dan het adviseren over bepaalde tapgesprekken die men niet begreep, met name financiële gesprekken. (...) De raadsman zegt mij dat in het p.v. staat dat er informatie naar voren was gekomen die de politie herkende als mogelijk fiscale fraude. De raadsman vraagt of ik degene ben geweest. Ik ben inderdaad één van de ambtenaren geweest die zich daarmee bezig hield. De raadsman vraagt of ik kennis heb genomen van de taps. Ja, maar niet integraal. (....) Wat ik me nog kan herinneren is de (lees: dat) er gesproken werd over de versluiering van de woonplaats van [betrokkene 1] en dat er op een gekunstelde manier werd geadviseerd. (....) Ik heb fragmenten gehoord en ik heb gezegd: dat is interessant. Dan laat je dat uitwerken en analyseer je dat. Toen heb ik gezegd dat past niet binnen ons onderzoek (...) De raadsman vraagt hoe dat zit t.a.v. [verdachte]. Ik kan mij herinneren dat hij adviezen heeft gegeven aan [betrokkene 3] of [betrokkene 1] of alle twee. Over een fiscale constructie hoe hij zo gunstig mogelijk met in [land A] verdiende gelden kon omgaan. Uit de taps zat daar voor mij de moedwillige opzet in. (...) Er komt nu een verhaal terug van de aandelenportefeuille (...). Dat ging er om dat [betrokkene 3] het verliesgevende gedeelte buiten de boekhouding en alleen het winstgevende gedeelte opgaf. Ik weet het niet precies meer. " Bijlage D-400 (pagina 201738) betreft het formulier 'beoordeling informatie-verstrekking aan Fiod'. Daarin staat onder meer dat uit restinformatie uit het onderzoek bij verdachte [betrokkene 3] (onderzoek Hades) is gebleken dat er vermoedelijk sprake is van fiscale delicten. Door zowel de verbalisant [verbalisant 1] als de officier van justitie Van Lenthe wordt toestemming gegeven om de onderzoeksgegevens, waaronder de tapverslagen en opgenomen gesprekken, te gebruiken voor fiscale doeleinden. Het formulier is niet voorzien van een datum. Wel is op het formulier een stempel geplaatst met de tekst: 'ingekomen 2 juni 2003'. Op 27 april 2004 heeft [betrokkene 4] namens de officier van justitie Van Lenthe een brief geschreven over de omvang en grondslag van de verleende toestemming. Zij schrijft onder meer: 'De toestemming voor fiscale doeleinden is zowel gebaseerd op artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering als op paragraaf 6.2 onder b sub III van de Aanwijzing verstrekking van strafrechtelijke gegevens aan derden voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden. Dit betekent dat de gegevens kunnen worden aangewend ten behoeve van een ander (fiscaal) strafrechtelijk onderzoek als ook ten behoeve van (fiscaal) administratiefrechtelijke doeleinden (bijlage D-401, pagina 201739). Uit bijlage D-l (pagina 200008 e.v.) blijkt dat in de periode van 18 februari 2003 tot en met 13 mei 2003 onder andere de volgende gesprekken zijn afgeluisterd: Gesprek van 20 februari 2003 tussen verdachte en [betrokkene 3] (gespreknummer 00038) (...) Verdachte: (...) In dat ene overzicht staat aan aandelen 652.000 euro (...) en daar staan al die Put en Call-opties, staan allemaal negatieve bedragen achter. (...) Als je even gaat tellen, (...) dan kom ik op negatief aan Put- en Call-opties 1,2 miljoen euro. (....) Nou heb ik die jongen van Fortis gevraagd: maak er twee overzichten van (...) dat heeft ie ook keurig gedaan. Dus ik heb nu twee overzichten. Het ene overzicht staat plus 652.000 euro aan aandelen (...) en dat andere overzicht staat min 1,2 miljoen euro aan Put en Call-opties. (...) Je kunt natuurlijk aan [F] alleen het overzicht geven waarin je de aandelen hebt en je houdt gewoon je mond over Put- en Call-opties. (...) Watje ook kan doen, kijk we zitten gewoon de zaak te flessen, hè, da 's duidelijk hè? (...) Als we dan toch aan het flessen zijn... kun je ook in je Put- en Call overzicht, met tippex een aantal minnen weg weer lakken en dat zijn dan zogenaamde plussen op dat moment (...) [betrokkene 3]: Ja, dat zou ik doen. (...) Verdachte: Dus je moet een aantal minnen, moet je wegstrepen (...) waardoor je suggereert alsof het plussen zijn. Ik vermoed namelijk dat [F] daar helemaal niet naar kijkt. (...) Kijkt je benadert natuurlijk niemand van de buitenwacht, want als je dit naar de buitenwacht zou doen, dat is natuurlijk levensgevaarlijk. (...) maar het is natuurlijk een intern feestje of dat verlies in de BV zit of dat het verlies in privé zit. Gesprek van 21 februari 2003 tussen [betrokkene 3] en [betrokkene 5] (gespreknummer 00171) [Betrokkene 5]: (...) [verdachte] had ik net relatief lang aan de lijn. Ik moet wat knippen en plakwerk doen... om jouw vermogenspositie van 31/12/2001 wat te veranderen, maar ja dat kost je wel een hele grote fles wijn, want daarmee maak ik me natuurlijk ehhh... dan zet ik me wel op het randje natuurlijk. Ik moet gaan knippen en plakken. Gesprek van 27 februari 2003 tussen verdachte en [betrokkene 3] (gespreknummer 00467) (...) Verdachte (...) Ik heb een fax aan [betrokkene 5] geschreven waarbij ik hem verzoek om de vermogenspositie per 31 december over te geven. (...) Dat gaat., zo 'n beetje een brief alsof ik [betrokkene 5] niet ken... (...) en [betrokkene 5] begrijpt die fax van mij dan net verkeerd... dus die meldt alles, behalve de optieposities en die vraag ik om die rechtstreeks aan [betrokkene 6] door te geven. (...) En dan kan [betrokkene 6] (...) de jaarrekening 2001 afwerken. (...) Dus we doen nou net of jij die portefeuille hebt terugverkocht aan [A] BV. Kijk dan komt in de loop van 2002, komt dus die optiepositie eigenlijk goed op tafel. (...) maar het verlies wat jij nou creëert maak je dan uiteindelijk aftrekbaar in de BV. Gesprek van 11 maart 2003 tussen verdachte en [betrokkene 3] (gespreknummer 00806) (...) Verdachte: (...) En dat is nou precies het zwakke punt in het hele verhaal, want [betrokkene 1] die woont in de praktijk niet België. [Betrokkene 3]: Ja, niet alleen dat...wil ook niet in België wonen. Verdachte: (...) maar ik hou mijn hart vast dat, zoals ik [betrokkene 1] nu heb meegemaakt de afgelopen maanden dat hij helemaal niet zo sterk in zijn dossiervorming heeft gedaan. (...) [Betrokkene 3]: Het enigste wat er gebeurd is, heb jij gedaan... een abonnement op [...] (...). Gesprek van 22 maart 2003 tussen verdachte en [betrokkene 3] (gespreknummer 01501) (...) Verdachte: (...) [betrokkene 1] woont al ook... naar fiscale maatstaven woont [betrokkene 1] al in Nederland. (...) Nou en die discussie verlies je als de fiscus eenmaal op het spoor is (...) maar als de fiscus je niet op het spoor is, dan kun je een beetje gebruik maken van. zeg maar (...) die vage situatie. (...) Nou en als je in Utrecht gaat praten, dan heb je meteen de honden op je dak, want iedereen ziet ook alles wat fiscaal als een constructie... Nou en dan kun je het beter in Eindhoven regelen. Gesprek van 28 maart 2003, tussen verdachte en [betrokkene 3] (gespreknummer 01957) (...) Verdachte: (...) Die huurovereenkomst van [betrokkene 1]. (...) [Betrokkene 3]: Nee, die ligt er al..al een paar maanden, die is goedgekeurd, alleen de datum is aangepast. Verdachte: Ja, maar 1 november had voor mij... ook nog een maandje eerder mogen zijn. (...) [Betrokkene 3]: Maar hoe moet ik dat nou doen met die betalingen? (...) Verdachte (...)Dan moet hij maar ehh... dat moet hij dan maar cash betaald hebben. Ehh...of of nu nog de huur boeken, maar het is een beetje raar als nu de huur gaat boeken van ehh.... 1 november vorig jaar hè? (...) Verdachte: maar ik zou hem zelf laten boeken, van een Belgische bankrekening (...). Gesprek van 11 april 2003 tussen [betrokkene 3] en een medewerker van [G] (gespreknummer 02647) (....) [Betrokkene 3]: (...) ik heb een contract liggen op naam van [betrokkene 1], voor een huis in [plaats]... van november, ik stel voor dat het één keer in het halfjaar betaald wordt.. (...) [Betrokkene 3]: (...) Dus nu ligt het contract er, alleen ja... er moet iemand, denk ik een keer betalen, want anders hebben we helemaal geen dossier België. Gesprek van 22 april 2004
(22)tussen verdachte en [betrokkene 3] (gespreknummer 03275) (Verbalisant: [verdachte] zegt dat hij een brief gaat schrijven naar de inspecteur waarin zal staan waar hij over wil praten en dat alle leidinggevende bij [H] al onder de inspectie Eindhoven vallen (...) over de inhoud van het gesprek met de inspecteur wordt het volgende gezegd) Verdachte: Jongens het is gewoon een Eindhoven kwestie. En ik wil eigenlijk over iets heel simpels komen praten, namelijk de inkomsten na immigratiedatum. En zo bluf ik een beetje die België woonplaats weg. Gesprek van 29 april 2004
(23)tussen verdachte en [betrokkene 3] (gespreknummer 03606) Verdachte: (...) Ik kreeg gisteren een telefoontje van [betrokkene 7] dat hij naar een TV programma zat te kijken (...) en toen ging het er onder andere over dat [betrokkene 8] had gezegd dat hij het onbegrijpelijk vond dat [H] het goed vond dat [betrokkene 1] in Amsterdam woonde. (...) Maar dat gekut moeten we natuurlijk niet hebben hè? (...) dat als wij dadelijk te vuur en te zwaard bestrijden dat hij in België woont...dat moet natuurlijk geen aanleiding voor de fiscus zijn om dieper te gaan zoeken. (...) en ik hoop dat die inspecteurs dat niet gezien hebben... dat we toch snel zaken kunnen doen (...). Ik heb er echt slecht van geslapen. Uit zijn brief van 12 augustus 2008 blijkt dat [betrokkene 2] in september 2003 te horen kreeg dat hij aan de FIOD-ECD beschikbaar gestelde stukken vanuit een fiscaal technisch perspectief moest analyseren. Hij begreep dat het ging om telefoontaps die door de officier van justitie voor verder onderzoek aan de FIOD-ECD ter beschikking waren gesteld. Hij schrijft: 'Op basis van deze nadere analyse zou vervolgens beoordeeld moeten worden of er een redelijk vermoeden van een strafbaar feit was, dan wel dat er vermoedelijke sprake was van een nog niet voltooid delict (er was nog geen informatie uit aangiften bekend). ' Na zijn onderzoek komt [betrokkene 2] in december 2004 tot de conclusie dat er redelijke vermoedens bestaan van de volgende feiten: - onjuiste aangifte Vpb ([betrokkene 3], beleggingen); - onjuiste aangifte IB ([betrokkene 1], woonplaats); - valsheid in geschrifte (brieven [verdachte] over woonplaats); - oplichting van de Belastingdienst. Uit het bevel inverzekeringstelling van 25 oktober 2005 blijkt dat de verdachte toen verdacht werd van opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften op onder andere 9 april 2003 (namelijk de aangifte op naam van [A] B.V.) en van het valselijk opmaken van één of meer brieven, gepleegd op 25 april 2003 en/of 8 mei 2003. Relevante wettelijke bepalingen Artikel 126cc van het Wetboek van Strafvordering bepaalt (voor zover relevant):
(1)Zolang de zaak niet is geëindigd, bewaart de officier van justitie de processenverbaal en andere voorwerpen, waaraan gegevens kunnen worden ontleend die zijn verkregen door (...) het opnemen van telecommunicatie (...), voor zover die niet bij de processtukken zijn gevoegd, en houdt deze ter beschikking van het onderzoek.
(2)Zodra twee maanden verstreken zijn nadat een zaak geëindigd is en de laatste mededeling, bedoeld in artikel 126bb, is gedaan doet de officier van justitie de processen-verbaal en andere voorwerpen, bedoeld in het eerste lid vernietigen. (...) Artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering bepaalt (voor zover relevant):
(1)De officier van justitie kan bepalen dat gegevens die zijn verkregen door (...) het opnemen van telecommunicatie (....) kunnen worden gebruikt voor: (a) een ander strafrechtelijk onderzoek dan waartoe de bevoegdheid is uitgeoefend. (...)
(2)Indien toepassing is gegeven aan het eerste lid, onderdeel a, behoeven de gegevens, in afwijking van artikel 126cc, tweede lid niet te worden vernietigd, totdat het andere onderzoek is geëindigd. (...) Oordeel hof A. Ten aanzien van de vraag of de officier van justitie ten onrechte heeft bepaald dat de tapgegevens voor een ander strafrechtelijk onderzoek gebruikt konden worden Volgens de verdediging dient artikel 126dd lid 1 onder a van het Wetboek van Strafvordering zo te worden uitgelegd dat de officier van justitie slechts toestemming mag geven voor het gebruik van gegevens voor een ander onderzoek voor zover dat andere onderzoek betrekking heeft op de opheldering van een (vermoedelijk) reeds gepleegd strafbaar feit. Uit de verklaring van [verbalisant 1] blijkt dat zij na kennisname van de afgeluisterde gesprekken het vermoeden had dat (onder meer) de verdachte zich bezig hield met verboden fiscale constructies. Gelet op de inhoud van de opgenomen gesprekken kon [verbalisant 1] dat vermoeden hebben. Verboden fiscale constructies kunnen bestaan uit of leiden tot verschillende strafbare feiten, zoals het doen van onjuiste aangifte en het plegen van valsheid in geschrift. Onder andere de gesprekken waarin gesproken werd over 'knippen en plakken' en het weglakken van minnen rechtvaardigen het vermoeden van het plegen van valsheid in geschrift op korte termijn. Op het moment dat de officier van justitie moest beslissen (een aantal maanden na de betreffende gesprekken) over het gebruik van de gegevens door de FIOD kon zij rekening houden met de mogelijkheid dat de valsheid in geschrift reeds was gepleegd en/of reeds sprake was van onjuiste aangifte. Bij een onderzoek naar een vermoedelijk gepleegd strafbaar feit, hoeft niet vast te staan dat het feit is gepleegd. Een vermoeden dat het is gepleegd, is voldoende. Na de overdracht van de afgeluisterde gesprekken heeft het FIOD-onderzoek zich gericht op verschillende feiten waaronder twee die zich hadden voorgedaan vóór het moment waarop de officier van justitie toestemming had gegeven. Het betreft de aangifte voor de vennootschapsbelasting die op 9 april 2003 was ingediend en door de verdachte geschreven brieven in april en begin mei
- Naar het oordeel van het hof dient het verweer - ook als de uitleg van de verdediging van artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering wordt gevolgd - te worden verworpen, omdat op het moment dat de officier van justitie toestemming gaf voor de overdracht van de gegevens sprake was van een redelijk vermoeden dat een of meer strafbare feiten waren gepleegd. De omstandigheid dat vervolgens door een fiscaal deskundige nader en grondiger wordt onderzocht of inderdaad sprake is van een redelijk vermoeden dat fiscale delicten of daaraan verwante delicten zijn begaan, doet niet af aan het feit dat de officier van justitie in juni 2003 in overeenstemming met het bepaalde in artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering heeft gehandeld. Op basis van de toen beschikbare informatie kon zij bepalen dat de tapgegevens voor fiscaal strafrechtelijk onderzoek konden worden gebruikt. B. Ten aanzien van de vraag of [betrokkene 2] als getuige gehoord moet worden Aangezien [betrokkene 2] pas in een later stadium in het onderzoek werd betrokken is zijn visie niet van belang voor de beoordeling van de beslissing van de officier van justitie van juni 2003 en is het hof (zoals reeds verwoord in het tussenarrest van 3 november 2008) van oordeel dat de verdediging geen belang heeft bij het horen van [betrokkene 2]. C. Ten aanzien van de vraag of het bewaren van de tapgegevens onrechtmatig was Gelet op 1) het bepaalde in de artikelen 126cc en 126dd lid 2 van het Wetboek van Strafvordering, 2) het feit dat ver voordat er een einde kwam aan de zedenzaak tegen [betrokkene 3] de officier van justitie op basis van artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering toestemming had gegeven voor het gebruik van de tapgegevens in het fiscaal strafrechtelijk onderzoek, en 3) deze toestemming niet in strijd was met het bepaalde in artikel 126dd lid 1 van het Wetboek van Strafvordering, is het hof van oordeel dat het bewaren van de tapgegevens niet onrechtmatig was en is." 4.
- De verdediging heeft ter terechtzitting het standpunt ingenomen dat het voortgezette gebruik van de in artikel 126dd Sv bedoelde gegevens uitsluitend een ander strafrechtelijk onderzoek naar reeds gepleegde strafbare feiten mag dienen, en dat deze gegevens dus niet mogen worden benut voor een ander strafrechtelijk onderzoek naar delicten die ten tijde van de door de officier van justitie gegeven toestemming nog niet waren gepleegd. Omwille van het betoog heeft het hof in zijn bestreden arrest de juistheid van dit standpunt aangenomen. Het hof is vervolgens zelfstandig nagegaan of de gegevens die bekend mochten worden verondersteld bij de officier van justitie een vermoeden van reeds gepleegde strafbare feiten konden rechtvaardigen. Het hof is, zo begrijp ik, tot de slotsom gekomen dat de indertijd bekende gegevens de officier van justitie kunnen hebben gebracht tot het vermoeden dat opzettelijk onjuiste belastingaangifte en valsheid in geschrift reeds waren gepleegd. De officier van justitie heeft dus door toestemming te verlenen voor voortgezet gebruik van de onderschepte telecommunicatie gehandeld in overeenstemming met het bepaalde in artikel 126dd, eerste lid onder a Sv, aldus het hof. 4.
- In de toelichting op het middel wordt hiertegen in gebracht dat het hof heeft verzuimd te onderzoeken of de officier van justitie daadwerkelijk langs deze lijn heeft geredeneerd toen zij haar toestemming gaf, en dat het hof ten onrechte zijn eigen oordeel in de plaats heeft gesteld van dat van de officier van justitie. "De beslissing van de officier van justitie moet worden getoetst naar de omstandigheden van het moment van toestemming geven en de overwegingen die de officier daar zelf aan ten grondslag heeft gelegd", aldus de toelichting. De steller van het middel somt vervolgens aanwijzingen op waaruit zou moeten volgen dat de officier van justitie bij de in juni 2003 gegeven "toestemming de onderzoeksgegevens te gebruiken voor fiscale doeleinden" geen, althans een onjuiste toepassing heeft gegeven aan artikel 126dd, eerste lid onder a Sv en toen niet is uitgegaan van het bestaan van een redelijk vermoeden van reeds gepleegde strafbare feiten. 4.
- Hierover allereerst het volgende. Tegen de verdachte [betrokkene 3] was in de eerste helft van het jaar 2003 een strafrechtelijk onderzoek gaande naar aanleiding van een verdenking van seksuele delicten.
(24)De behandelend officier van justitie heeft begin juni 2003 bepaald dat resultaten van dat onderzoek, te weten tapverslagen en opgenomen telefoongesprekken over de periode van 18 februari tot en met 13 mei 2003, ter beschikking konden worden gesteld van de Belastingdienst/FIOD-ECD. 4.
- De eerste kwestie die bespreking behoeft betreft de vraag welke feiten en omstandigheden het hof tot uitgangspunt heeft genomen bij de toetsing van de rechtmatigheid van die beslissing van de officier van justitie. De steller van het middel tekent aan dat die beslissing moet worden getoetst naar de omstandigheden die de officier van justitie bekend waren op het moment van de door haar genomen beslissing. 4.
- Ik deel die opvatting. Ik wil daarbij nog wel een voorbehoud maken. Bij de vaststelling van de omstandigheden die de officier van justitie bekend waren ten tijde van het nemen van de gewraakte beslissing, mag de feitenrechter de wetenschap van bepaalde omstandigheden veronderstellen zonder de officier van justitie daarnaar uitdrukkelijk te hebben gevraagd. Zo mocht het hof aannemen dat de officier van justitie bekend was met de inhoud van de transcripties van de telefoongesprekken die met haar toestemming in juni 2003 ter beschikking van de FIOD waren gesteld. Die bekendheid ligt nogal voor de hand, lijkt mij, en bij gebrek aan aanwijzingen van het tegendeel mocht het hof daarvan uitgaan. 4.
- Anders dan de steller van het middel naar voren brengt, heeft het hof dit uitgangspunt zonder meer in acht genomen. Het hof heeft een negental passages aangehaald uit de transcripties van de betreffende telefoongesprekken die in de periode van februari - april 2003 over de lijn van [betrokkene 3] zijn gevoerd en vervolgens (in cassatie onbestreden) geoordeeld dat de inhoud daarvan in juni 2003 kon leiden tot een redelijk vermoeden van schuld. Ik haal bij herhaling een tweetal onderdelen aan uit de overwegingen van het hof (onderstreping mijnerzijds): "Op het moment dat de officier van justitie moest beslissen (een aantal maanden na de betreffende gesprekken) over het gebruik van de gegevens door de FIOD kon zij rekening houden met de mogelijkheid dat de valsheid in geschrift reeds was gepleegd en/of reeds sprake was van onjuiste aangifte." "Naar het oordeel van het hof dient het verweer (...) te worden verworpen, omdat op het moment dat de officier van justitie toestemming gaf voor de overdracht van de gegevens sprake was van een redelijk vermoeden dat een of meer strafbare feiten waren gepleegd. De omstandigheid dat vervolgens door een fiscaal deskundige nader en grondiger wordt onderzocht of inderdaad sprake is van een redelijk vermoeden dat fiscale delicten of daaraan verwante delicten zijn begaan, doet niet af aan het feit dat de officier van justitie in juni 2003 in overeenstemming met het bepaalde in artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering heeft gehandeld. Op basis van de toen beschikbare informatie kon zij bepalen dat de tapgegevens voor fiscaal strafrechtelijk onderzoek konden worden gebruikt." Voor zover de steller van het middel uitgaat van een lezing van het bestreden arrest waarin het hof het voorgaande heeft miskend door op basis van kennis achteraf ("ex nunc") te oordelen over de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging, faalt het middel op feitelijke gronden. 4.
- Een tweede door het middel aangesneden kwestie is de vraag of het hof heeft verzuimd om vast te stellen dat de officier van justitie daadwerkelijk op grond van deze uitgangsgegevens heeft geoordeeld:
(1)dat er een redelijk vermoeden bestond van reeds gepleegde strafbare feiten (t.w. opzettelijk onjuiste belastingaangifte en valsheid in geschrift), en
(2)dat dit vermoeden de overdracht van deze gegevens legitimeerde op de voet van artikel 126dd, eerste lid onder a Sv. 4.9. Ik meen dat in 's hofs vaststellingen wel degelijk besloten ligt dat de officier van justitie destijds ook daadwerkelijk heeft gehandeld in overeenstemming met de voorwaarden die het toepasselijke voorschrift stelt. Dit oordeel wordt onderbouwd door de volgende documenten die het hof met zoveel woorden heeft besproken:
(1)het formulier 'beoordeling informatie-verstrekking aan Fiod' (D-400), waarin is vermeld "dat er vermoedelijk sprake is van fiscale delicten". Daaronder heeft het hof m.i. bij gebrek aan aanwijzingen van het tegendeel mogen verstaan: reeds gepleegde fiscale delicten, met inbegrip van pogingen daartoe;
(2)de brief van 27 april 2004 (D-401) en de daarin opgenomen verwijzing naar onder meer artikel 126dd Sv. Niets verplichtte de officier van justitie om deze bepaling expliciet te vermelden in het formulier 'beoordeling informatie-verstrekking aan Fiod' (D-400). Uit het ontbreken van een uitdrukkelijke vermelding van de rechtsgrondslag kan m.i. niet worden afgeleid dat de officier van justitie zich hiervan indertijd geen rekenschap heeft gegeven. Uit deze brief van 27 april 2004 (D-401) kan daarentegen wel worden afgeleid dat de officier van justitie - eventueel zelfs achteraf - geacht mag worden toestemming te hebben gegeven voor het voortgezette gebruik van opgevangen telecommunicatie. Niet doorslaggevend is namelijk op welk moment die toestemming is gegeven. Ook bij een toestemming die pas achteraf door de officier van justitie is verleend, is voldaan aan artikel 126dd Sv.
(25)Vervolgens heeft het hof geoordeeld, ik citeer wederom (waarbij de onderstreping van mij afkomstig is): "De omstandigheid dat vervolgens door een fiscaal deskundige nader en grondiger wordt onderzocht of inderdaad sprake is van een redelijk vermoeden dat fiscale delicten of daaraan verwante delicten zijn begaan, doet niet af aan het feit dat de officier van justitie in juni 2003 in overeenstemming met het bepaalde in artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering heeft gehandeld." Dat het hof niet heeft verzuimd te oordelen over de werkelijke beweegredenen van de officier van justitie volgt m.i. ook uit het tussenarrest van 3 november 2008, waarin het hof heeft overwogen: "Reeds voordat [betrokkene 2] zich ging verdiepen in de zaak, had de officier van justitie toestemming gegeven voor het gebruik van de door de tap verkregen gegevens, omdat vermoedelijk sprake was fiscale delicten." Geen bevreemding mag wekken dat het hof zich in het arrest van 4 maart 2009 in het bijzonder heeft gebogen over de vraag of het de officier van justitie was toegestaan aldus te beslissen. Het verweer was immers ingekleed op het tegendeel. Bij de beantwoording daarvan heeft het hof zich een zelfstandig oordeel aangemeten over de inhoud van het redelijk vermoeden van schuld en de toepassing van artikel 126dd Sv, met als conclusie dat de officier van justitie rechtmatig heeft gehandeld. Deze motivering brengt niet mee dat het hof alleen het eigen oordeel voor dat van de officier van justitie in de plaats zou hebben gesteld. Het middel moet dus falen vanwege een verkeerde lezing van 's hofs arrest. 4.10. Voor de gedachtevorming wil ik trouwens nog wel even meegaan op de door de steller van het middel ingeslagen weg. Het nut daarvan wordt duidelijk bij de bespreking van het derde middel. Aangenomen dat de steller van het middel met juistheid heeft opmerkt dat het hof niet heeft vastgesteld dat de officier van justitie daadwerkelijk op basis van deze uitgangsgegevens heeft geoordeeld:
(1)dat er een redelijk vermoeden bestond van reeds gepleegde strafbare feiten (t.w. opzettelijk onjuiste belastingaangifte en valsheid in geschrift), en
(2)dat dit vermoeden de overdracht van deze gegevens legitimeerde op de voet van artikel 126dd, eerste lid onder a Sv. In plaats daarvan heeft het hof, zo neem ik dan 'for the sake of the argument' aan, uitsluitend zelfstandig een kwalificatie verbonden aan de uitgangsgegevens, te weten dat zij ex tunc een redelijk vermoeden van schuld aan een - reeds begaan - strafbaar feit rechtvaardigen. Bovendien heeft het hof zelfstandig geoordeeld dat dit vermoeden mocht leiden tot toepassing van de bevoegdheid om op de voet van artikel 126dd, eerste lid onder a Sv te bepalen dat gegevens die zijn verkregen door het opnemen van telecommunicatie kunnen worden gebruikt voor een ander strafrechtelijk onderzoek dan het onderzoek waartoe de bevoegdheid tot het opnemen van telecommunicatie is uitgeoefend. 4.11. Waar de steller van het middel betoogt dat het hof een dergelijke lijn van argumentatie niet is toegestaan en naar voren brengt dat het hof sowieso moet onderzoeken welke redenen de officier van justitie werkelijk hebben bewogen tot haar beslissing, lopen onze wegen uiteen. Naar mijn inzicht heeft het hof ook in dit veronderstelde geval toereikend beargumenteerd waarom het optreden van de officier van justitie niet onrechtmatig is geweest. Ik wil dit standpunt met een gedachte-experiment toelichten. Stel dat een officier van justitie door de politie wordt benaderd met het verzoek om uit het oogpunt van opsporing te bepalen dat een aangehouden verdachte in het ziekenhuis wordt onderworpen aan een röntgenonderzoek. De (fictieve) officier van justitie verkeert in de - juridisch onjuiste - veronderstelling dat een dergelijk onderzoek in wezen niets meer inhoudt dan een uitwendig "schouwen" van het lichaam van de verdachte, dat de graad van verdenking daartoe (meer dan) volstaat en ernstige bezwaren dus niet zijn vereist. Het door hem bevolen röntgenonderzoek levert bewijs op tegen de verdachte. Ter zitting vecht de verdediging de rechtmatigheid van de beslissing van de officier van justitie aan. Stel bovendien dat de feitenrechter op goede gronden oordeelt dat ten tijde van de gewraakte beslissing van de officier van justitie tegen de aangehouden verdachte wel degelijk ernstige bezwaren waren gerezen en dat het onderzoeksbelang evident was. Moet dan worden aangenomen dat de toepassing van artikel 56, tweede lid Sv (onderzoek in het lichaam) desalniettemin onrechtmatig is geweest? Ik meen dat een ontkennende beantwoording van die vraag meer voor de hand ligt. Achteraf kan worden geoordeeld dat de voorwaarden van artikel 56, tweede lid Sv waren vervuld en dat de officier van justitie onder de hem indertijd bekende feiten en omstandigheden bevoegd was om de aangevochten beslissing te nemen. Bij die stand van zaken is er m.i. geen reden om de bewijsverkrijging als onrechtmatig te bestempelen, althans tot bewijsuitsluiting over te gaan, ondanks de error juris van de bevoegde functionaris.
(26)4.
- In de voorliggende zaak zijn de precieze beweegredenen van de officier van justitie onderwerp van veel discussie geweest. Ook indien het hof die beweegredenen in het midden zou hebben gelaten, slechts een normatieve toets zou hebben aangelegd gelijkend op die in mijn gedachte-experiment en heeft geoordeeld dat het optreden van de officier van justitie die toets kan doorstaan, kan deze motivering de verwerping van het verweer dragen. 4.
- Het middel faalt. 5.1.
- Het derde middel komt met motiveringsklachten en één rechtsklacht op tegen de afwijzingen van de verzoeken tot het horen als getuige van [betrokkene 2]. 5.1.
- Onder A klaagt het middel allereerst over de afwijzing van dit ter zitting van 20 oktober 2008 gedane verzoek bij tussenarrest van 3 november
- 5.
- Blijkens het tussenarrest van 3 november 2008 heeft de raadsman bij brief van 8 oktober 2008 onder meer verzocht om [betrokkene 2] als getuige op te roepen. Ter zitting van 20 oktober 2008 heeft de verdediging zonder nadere toelichting gepersisteerd bij het horen van de getuige [betrokkene 2].
(27)Ofschoon daarover geen klacht is geformuleerd moet ik constateren dat ik de brief van 8 oktober 2008 niet heb aangetroffen in het aan de Hoge Raad toegezonden (zeer omvangrijke) dossier. Aangezien in cassatie evenmin wordt geklaagd over de wijze waarop het hof het betreffende verzoek heeft weergegeven, neem ik tot uitgangspunt hetgeen het hof hieromtrent heeft overwogen. 5.
- Het (eveneens bestreden) tussenarrest van het hof van 3 november 2008 geeft het verzoek en 's hofs motivering van het afwijzende oordeel als volgt weer (blz. 3 en 4): "(Notitie van) getuige [betrokkene 2] Standpunt verdediging Door de raadsman is in eerste aanleg en aan het begin van de regiezitting bij het hof betoogd dat het openbaar ministerie niet ontvankelijk verklaard dient te worden, omdat in strijd met het bepaalde in artikel 126dd Sv gebruik is gemaakt van in een ander onderzoek verkregen tapinformatie. Van deze informatie is namelijk gebruik gemaakt nog voordat het strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte was begonnen. Voor de invulling van het begrip strafrechtelijk onderzoek zoekt de raadsman aansluiting bij de tekst van artikel 132a Sv, zoals deze tot 1 februari 2007 gold. Het verweer is door de rechtbank verworpen. Het hof heeft het preliminaire verweer verworpen in verband met de ontijdigheid er van. In verband met genoemd verweer heeft de raadsman tijdens de regiezitting van het hof een aantal verzoeken gedaan, namelijk: het horen van [betrokkene 2] als getuige en het toevoegen van de rapportage van [betrokkene 2] aan het dossier. Relevante feiten en omstandigheden In het aanvangsproces-verbaal van de Belastingdienst/FIOD-ECD/Zuid-Oost wordt over de aanleiding van het onderzoek het volgende opgemerkt: De aanleiding van het onderzoek is het door de politie aan de Belastingdienst/FIOD-ECD verstrekken van opgenomen telefoongesprekken gevoerd op het telefoonnummer (...), in 2003 in gebruik bij verdachte [betrokkene 3]. Het gaat om opgenomen telefoongesprekken in de periode gelegen van 18 februari 2003 tot en met 13 mei
- Deze informatie is afkomstig uit een strafrechtelijk onderzoek tegen verdachte [betrokkene 3] (...) in verband met mogelijk gepleegde seksuele misdrijven. In dat kader zijn met toestemming van de officier van justitie, na overleg met de rechter-commissaris, de opgenomen telefoongesprekken over fiscale en financiële zaken uit het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking gesteld aan de Belastingdienst/FIODECD ten behoeve van fiscaal-strafrechtelijk onderzoek. Door medewerkers van de afdeling Account van de FIOD-ECD/Zuid-Oost/kantoor Eindhoven is met ondersteuning van medewerkers van de belastingdienst opsporingsonderzoek gedaan naar de ter beschikking gestelde informatie. (....) In het selectieoverleg van 2 september 2005 is de zaak besproken. In het tripartiete overleg van 5 september 2005 is de zaak geaccepteerd en in onderzoek genomen. Bijlage D-400 betreft het formulier 'beoordeling informatie-verstrekking aan Fiod'. Daarin staat onder meer dat uit onderzoek bij verdachte [betrokkene 3] uit restinformatie uit het onderzoek Hades is gebleken dat er vermoedelijk sprake is van fiscale delicten. Door zowel de verbalisant [verbalisant 1] als de officier van justitie Van Lenthe wordt toestemming gegeven om de onderzoeksgegevens, waaronder de tapverslagen en opgenomen gesprekken, te gebruiken voor fiscale doeleinden. Het formulier is niet voorzien van een datum. Wel is op het formulier een stempel geplaatst met de tekst: 'ingekomen 2 juni 2003'. Op 27 april 2004 heeft [betrokkene 4] namens de officier van justitie Van Lenthe een brief geschreven over de omvang en grondslag van de verleende toestemming. Zij schrijft onder meer: 'De toestemming voor fiscale doeleinden is zowel gebaseerd op artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering als op paragraaf 6.2 onder b sub III van de Aanwijzing verstrekking van strafrechtelijke gegevens aan derden voor buiten de strafrechtspleging gelegen doeleinden. Dit betekent dat de gegevens kunnen worden aangewend ten behoeve van een ander (fiscaal) strafrechtelijk onderzoek als ook ten behoeve van (fiscaal) administratiefrechtelijke doeleinden (bijlage D-401). [betrokkene 2] heeft in zijn brief aan de advocaat-generaal, gedateerd 12 augustus 2008, een overzicht gemaakt van zijn betrokkenheid bij het (voor)traject in de zaak tegen verdachte, waaruit blijkt dat hij begin september 2003 bij de zaak betrokken raakte. Oordeel van het hof Het standpunt van de raadsman komt er op neer dat - vanwege het bepaalde in artikel 126dd Sv - pas in de zaak tegen verdachte gebruik mocht worden gemaakt van in de zaak [betrokkene 3] verkregen tapinformatie, op het moment dat: - sprake was van een redelijk vermoeden van schuld; en - door de officier van justitie toestemming was gegeven voor het gebruik. Het hof is van oordeel dat - ook als wordt uitgegaan van de juistheid van het standpunt van de raadsman - het horen van [betrokkene 2] en kennisname van zijn rapportage geen toegevoegde waarde hebben. Reeds voordat [betrokkene 2] zich ging verdiepen in de zaak, had de officier van justitie toestemming gegeven voor het gebruik van de door de tap verkregen gegevens, omdat vermoedelijk sprake was fiscale delicten. Als wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van de raadsman dient te worden vastgesteld of de (gespreks)gegevens die afkomstig waren uit het Hadesonderzoek en die vóór juni 2003 bij de politie/justitie bekend waren, zodanig waren dat op basis daarvan kon worden aangenomen dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een fiscaal delict. Voor beantwoording van deze vraag zijn de gegevens afkomstig uit de getapte telefoongesprekken relevant en niet hetgeen [betrokkene 2] na de door de officier van justitie gegeven toestemming heeft waargenomen. Het hof zal derhalve de verzoeken om [betrokkene 2] als getuige te horen en zijn rapportage aan het dossier toe te voegen, afwijzen. Door het afwijzen van deze verzoeken wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad. Voor zover het toevoegen van de rapportage van [betrokkene 2] aan het dossier en het horen van [betrokkene 2] wordt verzocht omdat naar het oordeel van de verdediging daarmee kan worden aangetoond dat er bij het onderzoek sprake was van een tunnelvisie wordt het verzoek eveneens afgewezen. De enkele omstandigheid dat [betrokkene 2] bepaalde vragen in zijn rapportage niet heeft gesteld of behandeld of wel heeft gesteld en verkeerd behandeld is nu de verdediging ten volle in de gelegenheid is om bij de behandeling ter terechtzitting het hof daarop te wijzen niet een reden om de rapportage aan de stukken toe te voegen en/of [betrokkene 2] te horen. In het bijzonder geldt hierbij nog dat [betrokkene 2] niet kan worden aangemerkt als een deskundige. Het hof zal op alle in het kader van deze strafzaak te beantwoorden vragen immers een eigen zelfstandig oordeel kunnen en moeten geven." 5.
- Onder de aan de Hoge Raad toegezonden stukken heb ik geen appelschriftuur als bedoeld in artikel 410 Sv aangetroffen. Ik heb overigens de indruk dat de verdediging wel degelijk een als zodanig aangemerkte schriftuur heeft ingediend, aangezien in één van de aantekeningen waarvan de advocaat-generaal bij het gerechtshof zich ten behoeve van de zitting van 20 oktober 2008 heeft bediend
(28)melding wordt gemaakt van een schriftuur van 27 maart 2007, waarin opgave zou zijn gedaan van o.a. de getuige [betrokkene 2]. Deze getuige is noch in eerste aanleg, noch door de rechter-commissaris gehoord. Zoals gezegd heeft de verdediging het verzoek tot het horen van [betrokkene 2] in verband met een door de verdediging te voeren verweer over de rechtmatigheid van de bewijsverkrijging ter zitting van 20 oktober 2008 herhaald, doch daaraan geen nadere toelichting gewijd. Ambtshalve rijst dus de vraag welke maatstaf van toepassing is op het verzoek dat thans onderwerp van bespreking is. Indien ondanks het ontbreken van de bedoelde bescheiden wordt uitgegaan van een verzoek dat reeds is gedaan in een tijdig
(29)ingediende appelschriftuur, heeft het hof de juiste maatstaf aangelegd, te weten of door het afwijzen van dit verzoek de verdediging (redelijkerwijze) niet in haar belangen wordt geschaad. In het hierna volgende neem ik deze maatstaf tot uitgangspunt en rijst de vraag of 's hofs motivering begrijpelijk is. Daarop richten zich de pijlen van de steller van het middel. 5.5. In de eerste plaats voert het middel aan dat het hof door afwijzend te beslissen op het verzoek bij voorbaat heeft uitgesloten dat [betrokkene 2] zou kunnen verklaren over feiten en omstandigheden die een wezenlijk ander licht zouden kunnen werpen op de vraag of de officier van justitie ten tijde van haar beslissing werkelijk een redelijk vermoeden van schuld ter zake van reeds gepleegde strafbare feiten had of meende te hebben. 5.6. Bij de bespreking van het tweede middel heb ik al betoogd dat het het hof vrijstond om het rechtmatigheidsverweer te verwerpen met de "normatieve" toets of de destijds aan de officier van justitie bekende gegevens een redelijk vermoeden van schuld aan een reeds gepleegd strafbaar feit opleverden en de toepassing van artikel 126dd Sv legitimeerden. Dit zo zijnde is 's hofs motivering van zijn beslissing alleszins begrijpelijk. Ongeacht hetgeen de getuige over deze vraagpunten heeft waargenomen of ondervonden, en desgevraagd heeft kunnen verklaren, beschikte het hof over hetzelfde bronmateriaal als waarover de officier van justitie heeft beschikt op het moment dat zij de aangevochten beslissing nam en kon het hof in volle omvang oordelen over de rechtmatigheid van haar beslissing. Het verhoor van de getuige [betrokkene 2] is daardoor overbodig. Slechts ter adstructie van deze laatste stelling wederom een gedachte-experiment. Indien de inhoud van een bepaald telefoongesprek ter terechtzitting van belang blijkt en de verdediging verzoekt om die reden het verhoor van één van de gesprekspartners, kan het hof zonder vooruit te lopen op hetgeen die getuige zou kunnen verklaren over de inhoud van dat gesprek het verhoor van deze getuige overbodig achten indien het hof de beschikking heeft over de gegevensdrager waarop dit telefoongesprek is vastgelegd. De geluidsopname is als primaire bron zonder meer 'best evidence'. Dat wordt overigens weer anders indien het gaat om de vraag hoe de (fictieve) getuige dit telefoongesprek heeft begrepen en welke conclusies hij daaruit heeft getrokken. Een soortgelijke kwestie speelt in de voorliggende zaak niet, want [betrokkene 2]s (juridische) visie op de feiten van weleer is i.c. niet relevant. 5.7. In de tweede plaats voert het middel aan dat het hof ten onrechte de verdediging de mogelijkheid heeft ontnomen om een tot niet-ontvankelijkheid strekkend verweer aangaande tunnelvisie van verdere ondergrond te voorzien. 's Hofs overweging dat de verdediging ter terechtzitting ten volle in de gelegenheid is om het hof te wijzen op de eenzijdige onderzoeksactiviteiten die het gevolg zijn van tunnelvisie, is volgens de steller van het middel een ontoereikend argument omdat de verdediging niet verzocht om de gelegenheid te krijgen haar standpunt uit te dragen, maar om dat standpunt nader te onderbouwen, alvorens het uit te dragen. 5.8. Uit de motivering van de afwijzende beslissing maak ik op dat de raadsman het verzoek tot het horen van [betrokkene 2] heeft toegelicht met de mededeling dat "[betrokkene 2] bepaalde vragen in zijn rapportage niet heeft gesteld of behandeld of wel heeft gesteld en verkeerd behandeld." Aangezien in cassatie mag worden aangenomen dat de toelichting van het verzoek uit niets meer heeft bestaan dan een redengeving van deze strekking, acht ik 's hofs afwijzende beslissing ook op dit punt toereikend gemotiveerd. In de kern genomen behelst deze toelichting namelijk niets meer dan de aantekening dat de verdediging kritiek heeft op het werk van [betrokkene 2]. Het staat de verdediging vrij deze kritiek bij pleidooi nader te onderbouwen, precies zoals het hof in zijn overwegingen tot uitdrukking heeft gebracht. Tot het horen van [betrokkene 2] geeft enkel deze kritiek, zonder nadere toelichting, geen aanleiding. 5.9. Het derde middel onder A kan niet tot cassatie leiden. 5.10. Onder B klaagt het derde middel over de afwijzing van het verzoek tot het horen van de getuige [betrokkene 2] dat ter zitting van 17 februari 2009 opnieuw is gedaan. 5.11. De raadsman heeft blijkens de pleitnotities "niet ontvankelijkheid OM", die als bijlage 3 zijn gevoegd bij het proces-verbaal van de terechtzittingen van 12, 17 en 18 februari 2009, het volgende aangevoerd: "1.3. Alle andere verweren zijn door uw Hof ontijdig verklaard. Deze verweren, waarop uw Hof dus niet inhoudelijk heeft beslist, dienen in dit kader als niet-ontvankelijkheidsverweren te worden opgevat. Ter zake van het verweer betreffende de niet-ontvankelijkheid in verband met onrechtmatig gebruik van de Hades-tapes maakt de verdediging hierbij nog graag een aanvullende opmerking. 1.4. In het kader van dit verweer is namens de verdediging verzocht om
- i)[betrokkene 2] als getuige te horen en
- ii)de stukken waaraan hij in zijn brief refereert aan het procesdossier te doen toevoegen. Ter zake van het eerstgenoemde verzoek heeft de Advocaat-Generaal opgemerkt dat "het horen redelijkerwijs noodzakelijk is" (Aantekeningen A-G voor zitting 20 oktober 2008). Desalniettemin zijn beide verzoeken door uw Hof afgewezen. 1.5. Dit is blijkens het tussenarrest van 3 november 2008 met name gebaseerd op de overweging van uw Hof dat het horen van [betrokkene 2] en kennisname van zijn rapportage geen toegevoegde waarde zou hebben omdat "reeds voordat [betrokkene 2] zich ging verdiepen in de zaak, de officier van justitie al toestemming (had) gegeven voor het gebruik van de door de tap verkregen gegevens, omdat vermoedelijk sprake was van fiscale delicten." Uit de processtukken kan naar het oordeel van cliënt echter géén bewijs worden gevonden voor het oordeel dat op het moment van de ter beschikking stelling van de gegevens reeds sprake was een redelijk vermoeden van schuld aan een fiscaal delict. Dat kan ook niet nu de tapgesprekken uit het Hades-onderzoek zijn vrijgegeven en gebruikt op een moment dat zowel in de [betrokkene 3]-zaak als in de [betrokkene 1]-zaak nog geen strafbare feiten waren gepleegd, daaromtrent geen verdenkingen waren ontstaan en konden zijn ontstaan terwijl bovendien in die periode ook geen enkel initiatief is genomen om een strafrechtelijk onderzoek te starten. 1.6. Het vermoeden van fiscale delicten bleek eerst uit de 'restinformatie'. Blijkens onder andere de Beleidsregels van het Openbaar Ministerie kunnen gegevens "niet worden bewaard voor een - nog niet te concretiseren - toekomstig strafrechtelijk onderzoek." 1.7. Door het afwijzen van de verzoeken is het voor de verdediging niet mogelijk dit verweer nader te onderbouwen. De verdediging persisteert nog immer bij dit verzoek. 1.8. Het voorgaande kan naar het oordeel van de verdediging dan ook (tot niets anders? D.A.) leiden dan tot toewijzing van het verweer dat door onrechtmatig gebruik van de Hadestapes het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vervolging van cliënt. 1.9. Indien en voorzover dit verweer niet mocht slagen, concludeert de verdediging subsidiair tot bewijsuitsluiting van alle Hades-gesprekken. Alsmede tot bewijsuitsluiting van alle bewijsmiddelen, die kunnen worden aangemerkt als 'fruits of the poisonous tree', te weten alle onderzoekshandeling, die zijn verricht met gebruikmaking van deze tapgesprekken. De verdediging is van mening dat aldus het volledige onderzoeksdossier doordoor is beïnvloed en derhalve het volledige FIOD-ECD proces-verbaal als onrechtmatig verkregen bewijs buiten aanmerking gelaten moet worden." 5.12. In het bestreden arrest van 4 maart 2009 heeft het hof voor zover relevant overwogen: "Samenvatting verweer en verzoek Door de verdediging is aangevoerd dat taps zijn bewaard en gebruikt voor een mogelijk toekomstig strafrechtelijk onderzoek en dat een dergelijke handelwijze in strijd is met het bepaalde in artikel 126dd van het Wetboek van Strafvordering. Het gevolg hiervan zou moeten zijn dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk wordt verklaard, dan wel de afgeluisterde gesprekken niet voor het bewijs gebmikt mogen worden. In verband met het gevoerde verweer heeft de raadsman verzocht [betrokkene 2] als getuige te horen. (...) B. Ten aanzien van de vraag of [betrokkene 2] als getuige gehoord moet worden Aangezien [betrokkene 2] pas in een later stadium in het onderzoek werd betrokken is zijn visie niet van belang voor de beoordeling van de beslissing van de officier van justitie van juni 2003 en is het hof (zoals reeds verwoord in het tussenarrest van 3 november 2008) van oordeel dat de verdediging geen belang heeft bij het horen van [betrokkene 2]." 5.13. Hierover het volgende. Het ter zitting van 17 februari 2009 gedane verzoek stoelt op artikel 315 jo 328 Sv. De door het hof aan te leggen maatstaf is de vraag of de noodzakelijkheid blijkt van het verhoor van de getuige [betrokkene 2]. Uit de hiervoor aangehaalde overweging van het hof dat de verdediging "geen belang" heeft bij het horen van [betrokkene 2] vloeit rechtstreeks voort dat het hof de noodzakelijkheid van het verzochte niet is gebleken. De afwijzing van het verzoek geeft dus geen blijk van een miskenning van deze maatstaf. Voor zover het middel klaagt over een onjuiste rechtstoepassing faalt het. 5.14. Ik acht de motivering bovendien begrijpelijk in het licht van hetgeen aan het verzoek ten grondslag is gelegd. Daartoe heb ik het verzoek en de toelichting hiervoor onder 5.11 weergegeven. Die toelichting houdt niets meer in dan dat er volgens de raadsman géén bewijs is voor een juiste toepassing van artikel 126dd Sv door de officier van justitie. Aangezien, zoals gezegd, het hof kon beschikken over hetzelfde bronmateriaal als waarover de officier van justitie indertijd beschikte, kan de overweging dat [betrokkene 2] pas later in het onderzoek werd betrokken de afwijzing van het verzoek dragen. 5.15. De middel faalt. 6.1. Het vierde middel klaagt over de afwijzing van verzoeken tot het toevoegen aan het procesdossier van de rapportage van [betrokkene 2]. Onder A wordt meer specifiek opgekomen tegen de afwijzing van het ter terechtzitting van 20 oktober 2008 gedane verzoek bij tussenarrest van 3 november 2008. 6.2. Ter terechtzitting van 20 oktober 2008 is blijkens het proces-verbaal van die zitting en de daaraan gehechte bijlagen door de raadsman het volgende aangevoerd: "5.0. Rapportage [betrokkene 2] 5.1. Na het verzoek van de verdediging tot toevoeging van de rapportage van [betrokkene 2], is nog een stuk aan het dossier toegevoegd, te weten de brief van [betrokkene 2] d.d. 12 augustus 2008. 5.2. Die brief is het resultaat van het terechte verzoek van de Advocaat-generaal om meer informatie te krijgen over de aanvang van het onderzoek. In die brief schrijft [betrokkene 2] dat hij die brief heeft geschreven op basis van zijn herinneringen en zijn agenda. Vermoedelijk wil [betrokkene 2] zich op voorhand indekken tegen onjuistheden in zijn brief. 5.3. In de brief refereert [betrokkene 2] aan een tussenrapportage van eind oktober 2004. 5.4. Die stukken kunnen van belang zijn om te controleren of hetgeen [betrokkene 2] als herinneringen presenteert waar is. 5.5. De brief van [betrokkene 2] is in ieder geval aan het dossier toegevoegd en geldt derhalve als een processtuk. Niet valt in te zien op grond waarvan stukken waaraan in dat processtuk wordt gerefereerd ineens niet als processtuk aangemerkt zouden moeten worden. Een dergelijke redenering is onbegrijpelijk. 5.6. Dat sprake zou zijn van een intern stuk valt ook niet in te zien, nu [betrokkene 2] op verzoek van de Advocaat-generaal een uitgebreid relaas schrijft over zijn bemoeienis met deze zaak. Dit relaas geeft in ieder geval veel meer informatie dan het dossier tot nu toe bevatte. Bovendien was dit relaas voor de verdediging aanleiding om met nog meer kracht de niet ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie te bepleiten. Waarom zou dit relaas nu niet intern zijn en een rapport waarin verslag wordt gedaan van de bevindingen wel? Deze redenering van de Advocaat-generaal is onbegrijpelijk. 5.7. Daar komt bij dat de verdediging gemotiveerd preliminair verweer heeft gevoerd op het punt van de onrechtmatige start van het onderzoek. Het Hof heeft die verweren ontijdig verklaard en beslist dat voor een beslissing daarop nader onderzoek nodig is. Het toevoegen van die stukken, voorafgaand aan een getuigenverhoor van [betrokkene 2], is van groot belang om de feiten op een rij te krijgen. In ieder geval dient langs die weg de verdediging in staat te worden gesteld, om dat onderzoek te verrichten. 5.8. De Advocaat-generaal geeft nog aan dat de rapportage vàn [betrokkene 2] veel privacygevoelige informatie betreffende andere personen zou bevatten. De verdediging vindt die stelling ongemotiveerd en bovendien niet overtuigend. Deze strafzaak Iaat juist zien dat in strafzaken vaak een inbreuk op de privacy van mensen wordt gemaakt. Waarom die privacy nu een argument zou zijn om een stuk niet aan het dossier toe te voegen, begrijpt de verdediging niet. Het Openbaar Ministerie heeft zelf besloten deze belastingzaken in het strafrecht te betrekken en daarmee de openbaarheid te zoeken. De privacy van de verdachten is daarbij bewust ondergeschikt gemaakt aan het belang van openbaarheid van de strafzaak. Ook in dat licht komt het argumenten van de Advocaat-generaal gezocht over. Daar waar het hem uitkomt ziet hij geen enkel probleem om privacybelangen te negeren (bijvoorbeeld bij het uitluisteren van telefoontaps ter zitting) terwijl bij het beoordelen van belangen van de verdediging ineens - zonder enige concretisering - privacybelangen worden gebruikt om meer duidelijkheid over een schimmig, immers niet in een proces-verbaal gerelateerd, voortraject te voorkomen." Ter terechtzitting heeft de verdediging daaraan toegevoegd: "Het openbaar ministerie heeft de inzage gehad in de tussenrapportage van [betrokkene 2]. Gezien het beginsel van "equality of arms" dient ook de verdediging inzage te krijgen in deze rapportage." 6.3. 's Hofs overwegingen in het tussenarrest van 3 november 2008 zijn hierboven onder 5.3 reeds volledig weergegeven, en ik volsta thans met een herhaling van het meest relevante onderdeel daaruit: "Het hof is van oordeel dat - ook als wordt uitgegaan van de juistheid van het standpunt van de raadsman - het horen van [betrokkene 2] en kennisname van zijn rapportage geen toegevoegde waarde hebben. Reeds voordat [betrokkene 2] zich ging verdiepen in de zaak, had de officier van justitie toestemming gegeven voor het gebruik van de door de tap verkregen gegevens, omdat vermoedelijk sprake was fiscale delicten. Als wordt uitgegaan van de juistheid van de stelling van de raadsman dient te worden vastgesteld of de (gespreks)gegevens die afkomstig waren uit het Hadesonderzoek en die vóór juni 2003 bij de politie/justitie bekend waren, zodanig waren dat op basis daarvan kon worden aangenomen dat sprake was van een redelijk vermoeden van schuld aan een fiscaal delict. Voor beantwoording van deze vraag zijn de gegevens afkomstig uit de getapte telefoongesprekken relevant en niet hetgeen [betrokkene 2] na de door de officier van justitie gegeven toestemming heeft waargenomen. Het hof zal derhalve de verzoeken om [betrokkene 2] als getuige te horen en zijn rapportage aan het dossier toe te voegen, afwijzen. Door het afwijzen van deze verzoeken wordt de verdediging niet in haar belangen geschaad." 6.4. Een verzoek tot het doen toevoegen van bepaalde geschriften aan het procesdossier betreft een verzoek dat door de rechter op de voet van artikel 315 jo 328 Sv moet worden beoordeeld op zijn noodzakelijkheid. Het middel klaagt begrijpelijkerwijze niet over de door het hof de facto toegepaste maatstaf, namelijk of door het afwijzen van dit verzoek de verdediging niet in haar belangen wordt geschaad. In een afwijzing op deze grond ligt de afwijzing wegens een gebrek aan noodzaak immers besloten. 6.5. Gelijk de steller van het middel ter toelichting verwijst naar zijn onderbouwing van het derde middel sub A, meen ik dat het middel faalt op de gronden die ik hierboven bij de bespreking van dat onderdeel van het derde middel heb aangedragen. Het stond het hof dus vrij om het rechtmatigheidsverweer te verwerpen met de "normatieve" toets of de destijds aan de officier van justitie bekende gegevens een redelijk vermoeden van schuld aan een reeds gepleegd strafbaar feit opleverden en de toepassing van artikel 126dd Sv legitimeerden. Dit zo zijnde is 's hofs motivering van zijn afwijzende beslissing op het verzoek tot toevoeging van de tussenrapportage van [betrokkene 2] alleszins begrijpelijk. Ongeacht hetgeen de getuige over deze vraagpunten heeft waargenomen of ondervonden, en desgevraagd al dan niet naar aanleiding van zijn tussenrapportage heeft kunnen verklaren, beschikte het hof over hetzelfde bronmateriaal als waarover de officier van justitie heeft beschikt op het moment dat zij de aangevochten beslissing nam en kon het hof in volle omvang oordelen over de rechtmatigheid van de beslissing van de officier van justitie. De rapportage heeft dus geen meerwaarde. 6.6. Het verzoek om de getuige van der Hooft te verhoren heeft het hof, zoals bleek bij de bespreking van het derde middel, op goede gronden kunnen afwijzen. De toevoeging van de tussenrapportage van [betrokkene 2] mist dus ook nog eens belang omdat de verdediging met die tussenrapportage het geheugen en de integriteit van de (ongehoorde) getuige had willen controleren. 6.7. Voor zover het middel in navolging van de raadsman bij het hof nog een zelfstandig (niet nader toegelicht) beroep doet op het beginsel van 'equality of arms', faalt het, omdat uit dit beginsel niet een onbeperkt recht op inzage in niet tot de processtukken behorende geschriften voortvloeit. 6.8. Het vierde middel onder A faalt dus. 6.9. Onder B wordt in het vierde middel opgekomen tegen 's hofs verzuim om te beslissen op het verzoek om toevoeging van de bedoelde tussenrapportage van [betrokkene 2]. Dit verzoek zou namelijk op de terechtzitting van 17 februari 2009 zijn herhaald en verstoken zijn gebleven van een antwoord. 6.10. Onder 5.11 heb ik de passages uit de pleitnotities "niet ontvankelijkheid OM", die als bijlage 3 zijn gevoegd bij het proces-verbaal van de terechtzittingen van 12, 17 en 18 februari 2009, reeds geciteerd. De steller van het middel verwijst naar deze passages ter toelichting op dit onderdeel van het middel. 6.11. Het hof is noch ter zitting van 17 of 18 februari 2009, noch in het bestreden arrest van 4 maart 2009 uitdrukkelijk ingegaan op enig verzoek tot het voegen van de tussenrapportage van [betrokkene 2] in het procesdossier. Hieruit moet worden afgeleid dat het hof in de door mij onder 5.11 aangehaalde passages geen verzoek van die strekking heeft gelezen. Thans staat ten toets of dit oordeel niet onbegrijpelijk mag heten. 6.12. Zelf acht ik de onder 5.11 aangehaalde passages uit de pleitaantekeningen in dit verband niet uitblinken in helderheid. Is "De verdediging persisteert nog immer bij dit verzoek" (enkelvoud) in 1.7 een verwijzing naar alleen "het eerstgenoemde verzoek" in 1.4 van de pleitaantekeningen? 's Hofs onuitgesproken oordeel dat hierin geen responsieplichtig verzoek tot voeging van de tussenrapportage kan worden gelezen, is vanwege de door de raadsman opgeroepen verwarring niet onbegrijpelijk. 6.13. Bovendien vind ik dat dit onderdeel van het middel sowieso niet kan slagen. Als al zou moeten worden aangenomen dat een herhaald verzoek tot voeging van de tussenrapportage ter zitting is gedaan, behoeft het veronderstelde verzuim van artikel 330 Sv niet tot cassatie te leiden. De toelichting op het/de ter zitting van 17 februari 2009 gedane verzoek of verzoeken pretendeert namelijk überhaupt geen nieuwe argumenten aan te dragen voor de toewijzing ervan. Er wordt ten opzichte van de eerdere verzoeken (die zijn gedaan ter zitting van 20 oktober 2008) naar de kern genomen enkel "gepersisteerd". De raadsman heeft wel enige kritiek geuit op de eerdere afwijzende beslissingen van het hof, maar die kritiek blijft steken op het niveau van een 'welles-nietes'-discussie. Daardoor ligt de motivering van het hier besproken verzoek besloten in de - toereikende - motivering van de afwijzing van het verzoek om [betrokkene 2] als getuige te horen, zulks bij eindarrest van 4 maart 2009 (zie hiervoor onder 5.12), alsmede in 's hofs - toereikende - motivering van de afwijzing van het eerste verzoek tot voeging van de tussenrapportage bij tussenarrest van 3 november 2008 (zie onder 6.3). Het is op basis daarvan evident tot welke beslissing het hof zou zijn gekomen en om welke dragende redenen. De verdachte is door het veronderstelde verzuim dan ook niet geschaad in enig rechtens te respecteren belang. Als al van een verzuim zou mogen worden gesproken hoeft het dus niet tot cassatie te leiden.
(30)7.
- Het vijfde middel klaagt over de bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde medeplegen van het opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige aangifte voor de Vpb-belasting. Verdachtes adviezen en werkzaamheden zouden een dergelijke kwalificatie niet rechtvaardigen. 7.
- Onder 1 heeft het hof bewezenverklaard dat: hij in de periode van januari 2003 tot en met april 2003 en de periode van januari 2004 tot en met juli 2004 in Nederland, telkens tezamen en in vereniging met anderen of een ander telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten aangiften voor de vennootschapsbelasting over de jaren 2001 en 2002, telkens ten name gesteld van [A] B.V., onjuist en/of onvolledig heeft gedaan, immers hebben verdachte en zijn mededaders alstoen aldaar telkens opzettelijk -zakelijk weergegeven- op een bij de Belastingdienst te Eindhoven op of omstreek 9 april 2003 ingediend aangiftebiljet vennootschapsbelasting over het jaar 2001 op pagina 2 onder 1f, als vermogensverschil, -40.191 euro opgegeven en op pagina 2 onder lg, als niet aftrekbare bedragen algemeen, nihil opgegeven, en op pagina 2 onder 1h als saldo fiscale winst, -40.191 euro opgegeven, en op pagina 4 onder 1 la, aan belastbare winst -36.642 euro opgegeven, terwijl die bedragen telkens onjuist waren en op het tot dat aangiftebiljet behorende opgaveformulier op pagina 2 onder 5f, als overige financiële vaste activa, een bedrag groot 753.189 euro opgegeven, terwijl dat bedrag in werkelijkheid onjuist was en op pagina 5 onder 15o, als waarderingsvermeerderingen van effecten, een bedrag groot -4.477 euro opgegeven, terwijl dat bedrag in werkelijkheid onjuist was, en op een bij de Belastingdienst te Eindhoven op of omstreeks 1 juli 2004 ingediend aangiftebiljet vennootschapsbelasting over het jaar 2002 op pagina 2 onder 1f, als vermogensverschil, -429.885 euro opgegeven, en op pagina 2 onder lg, als niet aftrekbare bedragen algemeen, nihil opgegeven en op pagina 2 onder 1h, als saldo fiscale winst, -429.885 euro opgegeven, en op pagina 4 onder 12a aan belastbare winst -48.993 euro opgegeven, terwijl die bedragen telkens onjuist waren en op pagina 6 onder 19k, als waarderingsvermindering van effecten, een bedrag groot 103.569 euro opgegeven, terwijl dat bedrag in werkelijkheid onjuist was, en op die bij de Belastingdienst te Eindhoven ingediende aangiftebiljetten vennootschapsbelasting over de jaren 2001 en 2002 telkens een te laag belastbaar bedrag opgegeven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven. 7.
- Kort samengevat heeft het hof omtrent het onder 1 bewezenverklaarde de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld. [Betrokkene 3] beschikte sedert de tweede helft van het jaar 2000 over een in privé verworven aandelenportefeuille, waarop hij in de jaren 2001 en 2002 een aanzienlijk verlies had geleden. Deze portefeuille had hij gefinancierd door in juni 2000 een rentedragende schuld in rekening-courant (van ƒ 1 miljoen) aan te gaan bij de BV waarvan hij 50%-aandeelhouder was, [A] BV. Op de fondsen in die aandelenportefeuille was ten behoeve van de BV een bezitloos pandrecht gevestigd, als zekerheid voor de vordering van de BV op [betrokkene 3]. De verdachte kreeg in september 2002 van [betrokkene 3] de opdracht zijn, [betrokkene 3]s, financiële zaken te behartigen. In 2003 heeft [betrokkene 3] (op instigatie van de verdachte) de onfortuinlijke effectenportefeuille (althans op papier) verkocht aan de BV, althans is het economisch eigendom ervan overgedragen aan die BV, althans is gepretendeerd dat die verkoop en/of overdracht van economische eigendom heeft plaatsgehad. Deze overdracht had plaats met terugwerkende kracht, namelijk met ingang van 1 januari 2001, waarbij de effectenportefeuille ook werd gewaardeerd tegen die datum. De beleggingsverliezen op de portefeuille werden zodoende alsnog afgewenteld op de BV. De waardedaling van de aandelen werd (ofschoon in privé geleden) "zakelijk" verwerkt en als verlies ten laste van de in Nederland belastbare winst van de BV gebracht. In de jaarrekeningen 2001 en 2002 van de BV werden de aandelen op de balans als vermogensbestanddeel geactiveerd. Ook in de Vpb-aangiften over 2001 en 2002 werd deze transactie verwerkt. De betaling van de effectenportefeuille door de BV aan [betrokkene 3] vond plaats door verrekening van de waarde van de effectenportefeuille per 1 januari 2001 met de hoofdsom van de lening in rekening-courant van de BV aan [betrokkene 3]. De door [betrokkene 3] te betalen rente werd berekend over de hoofdsom na aflossing. Over 2002 werd bovendien nog een voorziening ten laste van de winst van de BV gebracht wegens gebrek aan zekerheden voor de vordering van de BV op [betrokkene 3]. Met het door [betrokkene 3] geleden verlies op de effectenportefeuille kon in de sfeer van de inkomstenbelasting niets gedaan worden. Door het verlies ten laste van de in Nederland belastbare winst van de BV te brengen werd door de BV over 2001 en 2002 minder vennootschapsbelasting betaald. 7.
- Uit 's hofs opsoming van bewijsmiddelen in het bestreden arrest kan kort gezegd worden afgeleid dat de hiervoor geschetste gang van zaken met betrekking tot de aandelenportefeuille van [betrokkene 3] de uitvoering betrof van een door de verdachte opgesteld plan c.q. advies om de door [betrokkene 3] in privé geleden beleggingsverliezen over de jaren 2001 en 2002 met terugwerkende kracht af te wentelen op de BV. De verdachte heeft aan de uitvoering ervan ook een significante bijdrage geleverd door met diverse personen en instellingen (telefonisch en via de fax) contact te onderhouden teneinde een en ander in goede banen te leiden, zo begrijp ik althans 's hofs motivering. Ik verwijs naar de bladzijden 26 tot en met 38 van het bestreden arrest. Meer in het bijzonder over het medeplegen heeft het hof (op bladzijde 42 e.v.) vervolgens overwogen: "Het door verdachte voorgestane plan is met de grootaandeelhouder en diens toenmalige adviseur, [F], besproken. Het hof stelt vast dat verdachtes betrokkenheid bij de indiening van de aangifte vennootschapsbelasting voor het jaar 2001 ten name van de bv niet is gebleven tot het enkel aandragen van suggesties. Uit de voornoemde "feiten en omstandigheden in het bijzonder betreffende 2001" volgt dat verdachte actief uitwerking heeft gegeven aan het door hem bedachte plan door de benodigde gegevens aan [F] te verschaffen dan wel te doen verschaffen en dat als gevolg van die actieve bijdrage de aangifte vennootschapsbelasting 2001 ten name van de bv door [F] overeenkomstig het door verdachte opgezette plan is opgemaakt, door de grootaandeelhouder namens de bv is ondertekend en als zodanig is ingediend bij de Belastingdienst. Uit de hiervoor genoemde "feiten en omstandigheden in het bijzonder betreffende het jaar 2002" stelt het hof vast dat verdachte ook betrokken is geweest bij de aangifte vennootschapsbelasting 2002 ten name van de bv, alleen dan meer op afstand. Het hof stelt vast dat verdachte meerdere malen, al dan niet met een medewerker in dienstbetrekking werkzaam bij de accountancytak van het kantoor, zij het telefonisch zij het ten kantore van verdachte overleg heeft gevoerd met de grootaandeelhouder dan wel diens echtgenote over het jaarwerk 2002 en de daaruit voortvloeiende aangifte. De aangifte voor het jaar 2002 is overeenkomstig het plan van verdachte opgemaakt onder vermelding van het beconnummer van diens kantoor. Met dien verstande dat aan het oorspronkelijke voorstel om tevens de zwaar negatieve optieposities in het jaar 2002 in de bv in te brengen geen uitvoering is gegeven. De aangifte is vervolgens door de belastingadviestak van het kantoor aan de grootaandeelhouder ter ondertekening aangeboden, door de grootaandeelhouder ondertekend en als zodanig ingediend bij de Belastingdienst. Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden kan niet anders geconcludeerd worden dan dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met de grootaandeelhouder onjuiste aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2001 en 2002 ten name van de bv heeft gedaan, terwijl dit feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven." 7.
- Volgens de steller van het middel kan uit de bewijsmiddelen niet volgen dat de verdachte bij het doen van de bedoelde Vpb-aangiften over 2001 en 2002 voldoende nauw en bewust heeft samengewerkt met [betrokkene 3] en/of de BV waarvan [betrokkene 3] grootaandeelhouder was. Het middel neemt de aard en het gewicht van de bijdrage van de verdachte tot onderwerp. 7.
- Het middel nodigt uit allereerst kort stil te staan bij de vraag wat het doen van een onjuiste of onvolledige belastingaangifte inhoudt. Artikel 8 AWR bepaalt onder meer dat ieder die is uitgenodigd tot het doen van aangifte, gehouden is aangifte te doen door de in de uitnodiging gevraagde gegevens duidelijk, stellig en zonder voorbehoud op bij ministeriële regeling te bepalen wijze in te vullen, te ondertekenen en in te leveren of toe te zenden. Aangifte doen is dus niet alleen het afwikkelen van formaliteiten zoals het plaatsen van een handtekening en het verzenden van de aangifte naar de Belastingdienst. Aangifte doen is vooral intellectuele arbeid: de gevraagde gegevens moeten duidelijk, stellig en zonder voorbehoud worden ingevuld. Het vermelden van gegevens die niet stroken met de maatschappelijke werkelijkheid maakt de aangifte onjuist. Het onvermeld laten van opgevraagde, relevante gegevens maakt de aangifte onvolledig. De vergelijking met valsheid in geschrift dringt zich in dit verband op. Intellectuele valsheid doet zich voor wanneer de inhoud van het geschrift niet correspondeert met de werkelijkheid, derhalve onjuist is en/of zodanig onvolledig is dat een onjuiste voorstelling van zaken wordt gegeven. 7.
- Degene die in fysieke zin de belastingaangifte invult, met pen of elektronisch, kan hierin worden bijgestaan door een ander, zoals bijvoorbeeld een fiscaal adviseur. Deze adviseur kan betrokken zijn bij het doen van de aangifte door adviezen te geven over de inhoud van de aangifte. Die adviseur zou die gegevens ook zelf kunnen invullen, maar dat hoeft lang niet altijd het geval te zijn. Het medeplegen van een strafbaar feit veronderstelt voldoende nauwe en bewuste samenwerking en/of gezamenlijke uitvoering, gericht op de voltooiing van het delict. Indien de fiscale adviseur voldoende nauw en bewust samenwerkt met de belastingplichtige, en wel
(1)door hem te voorzien van fiscale adviezen waarvan hij weet dat zij leiden tot onjuistheid of onvolledigheid van de aangifte en/of
(2)door zorg te dragen voor de praktische uitwerking van zijn zodanige adviezen, kan zijn bijdrage mogelijk kwalificeren als medeplegen van het opzettelijk doen van onjuiste of onvolledige aangifte ingeval de belastingplichtige vervolgens aangifte doet overeenkomstig zijn adviezen, en (dus) welbewust onjuist of onvolledig. Daarvoor hoeft de adviseur zelf niets te hebben ingevuld, ondertekend of ingezonden. Hij hoeft de aangifte (met bijlagen) evenmin te hebben ingezien, gelijk de medepleger die niet bij de uitvoering van het delict aanwezig is geweest.
(31)7.
- In de toelichting op het middel wordt m.i. vruchteloos naar voren gebracht dat de hiervoor bedoelde voldoende nauwe samenwerking uitsluitend kan plaatsvinden gedurende de voor het doen van de aangifte relevante periode, die loopt vanaf het invullen tot aan de toezending ervan aan de Belastingdienst. Daaraan voorafgaand zou hooguit van consecutieve medeplichtigheid sprake kunnen zijn. 7.
- Dit standpunt verdient geen gehoor. Wellicht kan een dergelijke temporele eis worden gesteld aan de eventuele gezamenlijke uitvoering (waarvan in casu in strikte zin geen sprake is), maar het stellen van die temporele eis aan de nauwe en bewuste samenwerking vindt geen steun in het recht. Twee personen kunnen bijvoorbeeld gezamenlijk het plan opvatten een ander over drie jaren van het leven te beroven vanwege het "onrecht" dat het beoogde slachtoffer hen beiden zou hebben aangedaan. De ene levert direct het wapen, munitie en enige essentiële informatie. De ander voert drie jaar later het gezamenlijke plan uit. Ik zou niet weten waarom niet beiden kunnen worden bestempeld als medeplegers van moord, zulks uiteraard afhankelijk van het gewicht van de bijdrage van degene die niet bij de uitvoering betrokken is geweest, doch m.i. onafhankelijk van het tijdstip ervan. Het plan is weliswaar niet gezamenlijk uitgevoerd, maar de op de voltooiing van het delict gerichte samenwerking kan voldoende nauw zijn geweest om die kwalificatie te rechtvaardigen. Dat de samenwerking niet simultaan liep met de uitvoering laat zulks onverlet. 7.
- Kort en goed komt het erop neer dat ik geen moeite heb met de door het hof opgetuigde bewijsconstructie. De in het middel verwoorde klachten tasten het bewijs niet aan. De hiervoor door mij geschetste vorm van medeplegen kan wat betreft de Vpb-aangifte over 2001 probleemloos worden afgeleid uit de bewijsmiddelen en de promis-achtige overwegingen die het hof in zijn bewijsmotivering heeft vastgelegd. 7.
- De steller van het middel klaagt ook meer in het bijzonder over de bewezenverklaring met betrekking tot de aangifte vennootschapsbelasting over het jaar
- Uit de bewijsmiddelen zou niet kunnen volgen welke inhoudelijke bijdrage de verdachte daaraan heeft geleverd. Voor zover deze aangifte is opgesteld conform het advies van de verdachte heeft volgens de steller van het middel te gelden dat het tijdsverloop tussen advisering en indiening van de aangifte het aannemen van medeplegen verhindert. 7.
- Aan het laatste onderdeel van deze klacht heb ik reeds in meer algemene zin enige woorden gewijd. Ik acht wat betreft het medeplegen van het opzettelijk doen van de onjuiste en/of onvolledige aangifte over het jaar 2002 cruciaal dat daarin onverkort is voortgegaan op de door de verdachte bewegwijzerde route. De verdachte heeft zich daarvan vervolgens geenszins gedistantieerd. Sterker, de door het hof opgesomde bewijsmiddelen geven blijk van verdachtes bemoeienissen met de inhoud van die aangifte (over 2002). Dat daarbij niet exact kan worden vastgesteld wat de inhoud was van het besprokene, acht ik niet van doorslaggevend belang. De verdachte heeft persoonlijk toegezien op een Vpb-aangifte die strookt met zijn meerbesproken adviezen en die door het hof is aangemerkt als onjuist en/of onvolledig. Die vaststelling is voldoende. 7.
- Het middel faalt. 8.
- Het zesde middel en het achtste middel bestrijden 's hofs oordeel dat het niet behoeft vast te stellen of [A] BV (feit 1), respectievelijk [betrokkene 1] (feit 3) opzet had op het doen van onjuiste of onvolledige belastingaangiften. Deze middelen lenen zich voor gezamenlijke bespreking. 8.
- Omtrent het onder 1 bewezenverklaarde heeft het hof overwogen (p. 43 van het bestreden arrest): "Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden kan niet anders geconcludeerd worden dan dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met de grootaandeelhouder onjuiste aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2001 en 2002 ten name van de bv heeft gedaan, terwijl dit feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Opzet belastingplichtige Namens de verdachte is aangevoerd dat [A] B.V. geen opzet had op het doen van valse aangiften en dat als gevolg daarvan niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Nog afgezien van het feit dat [betrokkene 3] (directeur-grootaandeelhouder van de B.V) heeft verklaard dat hij bewust privé-verliezen op zijn effectenportefeuille in 2001 en 2002 op de B.V. heeft afgewenteld (bijlage V4-S-02, pagina 000218 e.V.), geldt dat voor een bewezenverklaring van het onder 1 primair tenlastegelegde vastgesteld moet worden dat de verdachte opzet had op het gronddelict en op het medeplegen. Niet hoeft vastgesteld te worden dat de (rechts)personen die met de verdachte hebben deelgenomen eveneens dat opzet hadden." Over het onder 3 bewezenverklaarde heeft het hof overwogen (p. 54 van het bestreden arrest): "Medeplegen en opzet belastingplichtige De bemoeienis van de verdachte met het doen van de aangiften IB 2002 en 2003, zoals met name beschreven onder het kopje "Opzettelijk" leidt tot de conclusie dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen onjuiste aangiften heeft gedaan. Van één deelnemer ([betrokkene 1]) staat vast dat hij belastingplichtige was, dat hij de aangiften heeft ondertekend en dat hij (het kantoor van) verdachte opdracht heeft gegeven zijn fiscale zaken te behandelen. De vraag of [betrokkene 1] opzet had op de onjuistheid van de aangiften, is een vraag die beantwoord moet worden (en inmiddels bevestigend beantwoord is door de rechtbank te 's-Hertogenbosch) in een strafvervolging tegen [betrokkene 1], maar niet in de strafvervolging tegen verdachte. Een bewezenverklaring van het medeplegen door verdachte (in de strafvervolging tegen verdachte), vereist niet het bewijs dat de personen met wie de verdachte heeft medegepleegd eveneens opzet op de onjuistheid van de aangifte hadden." In de aanvulling op het "verkorte" arrest heeft het hof hierover meer in het algemeen nog overwogen: "Namens de verdachte is in dit verband aangevoerd dat verdachte voor de feiten 1 en 3 niet veroordeeld kan worden voor medeplegen, omdat de belastingplichtige geen opzet had. Mede in verband met deze kwestie zijn door de verdediging tijdens de procedure in hoger beroep vragen gesteld aan een opgeroepen getuige. Waarschijnlijk anticiperend op het verweer, heeft de advocaat-generaal een wijziging van de tenlastelegging gevorderd met als doel dat de deelnemingsvorm doen plegen zou worden toegevoegd aan het derde feit. Tegen de vordering is door verdediging bezwaar gemaakt. Het hof heeft evenwel de vordering van de advocaat-generaal toegewezen. Zowel het verweer als de vordering wijziging tenlastelegging zijn gebaseerd op de veronderstelling (of de mogelijkheid dat die veronderstelling bij het hof bestaat) dat bij een veroordeling van medeplegen uit de bewijsmiddelen niet alleen moet volgen dat de verdachte opzet had op het gronddelict en de samenwerking, maar dat ook degene(n) met wie hij samenwerkte opzet had(den) op de bestanddelen van het delict en de samenwerking.
(32)In het verkorte arrest heeft het hof reeds aangegeven dat het van oordeel is dat voor een bewezenverklaring van medeplegen uit de bewijsmiddelen moet voortvloeien dat de verdachte opzet had op zowel het gronddelict als op de samenwerking, maar dat uit de bewijsmiddelen niet hoeft te blijken dat ook degene(n) met wie hij samenwerkte eveneens dat opzet had(den).
(33)Het hof werkt dit standpunt hieronder nader uit. 1 ) Het wetboek van strafrecht kent verschillende deelnemingsvormen die (als het gaat om de op te leggen straffen) gelijk worden gesteld met het plegen. Die deelnemingsvormen betreffen: medeplegen, doen plegen en uitlokking (artikel 47 Sr). Gemeenschappelijk kenmerk en reden van invoering van die deelnemingsvormen betreft de gedachte dat ook iemand die niet eigenhandig alle delictsbestanddelen vervult, een zo grote rol bij de totstandkoming van het delict speelt, dat het gerechtvaardigd is hem dezelfde strafrechtelijke bejegening te doen toekomen als de pleger. Ten aanzien van de medepleger geldt dat strafrechtelijke aansprakelijkheid gerechtvaardigd is als hij een wezenlijke rol heeft gespeeld bij de totstandkoming van het delict, waarbij vereist is dat hij opzet heeft gehad op het delict en bewust heeft samengewerkt met degene die ook of de overige bestanddelen van het delict heeft vervuld. Bij de vraag of een veroordeling voor medeplegen kan volgen, moet gekeken worden naar het gedrag en het opzet van degene die zich in de procedure moet verantwoorden (de verdachte dus). Het antwoord op de vraag of degene met wie de verdachte samenwerkte opzet had op de delictsomschrijving, maakt de strafwaardigheid van het gedrag van de verdachte niet kleiner of groter. Het hof is in het bijzonder daarom van oordeel dat niet bij de bewijsvraag in de zaak tegen de verdachte, nadat is gebleken dat hij bewust met anderen of een ander heeft samengewerkt, aan de orde hoeft te komen in hoeverre degene(n) met wie de verdachte samen hebben gewerkt opzet op het delict hadden.
(34)2) Weliswaar is 'de doen pleger' ooit door de wetgever omschreven als 'hij die het feit pleegt, niet persoonlijk maar door tussenkomst van een ander, als werktuig in zijn hand, wanneer die ander wegens de onwetendheid waarin hij verkeert, de dwaling waarin hij is gebracht of het geweld waarvoor hij zwicht, handelt zonder opzet, schuld of toerekenbaarheid'
(35), maar daaruit volgt nog niet dat een verdachte pas voor medeplegen kan worden gestraft als blijkt dat degene met wie hij heeft samengewerkt (anders dan bij doen plegen) wel opzet op het delict had. Anders gezegd: voor een bewezenverklaring van medeplegen is niet vereist dat uit de bewijsmiddelen volgt dat van 'doen plegen' geen sprake is. Uit de wetsgeschiedenis blijkt niet dat de wetgever de deelnemingsvormen medeplegen en doen plegen beschouwde als elkaar uitsluitende alternatieven. Het doen plegen is ingevoerd om de strafrechtelijke aansprakelijkheid uit te breiden; niet om de reikwijdte van het medeplegen in te perken. Bovendien geldt dat in de loop der jaren zodanige ontwikkelingen hebben plaatsgevonden dat er steeds meer overlap is ontstaan tussen de verschillende deelnemingsvormen. Het blijkt lastig te zijn om eenduidige grenzen tussen de verschillende deelnemingsvormen worden getrokken, terwijl daar ook geen noodzaak voor bestaat.
(36)3) In de rechtspraktijk worden reeds lange tijd veroordelingen uitgesproken ter zake van medeplegen zonder dat uit de bewijsmiddelen blijkt wie de personen zijn met wie de verdachte heeft medegepleegd en zonder dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat die personen opzet hebben gehad op het delict. In geval als eis wordt gesteld dat pas tot een veroordeling van medeplegen kan worden gekomen als uit de bewijsmiddelen blijkt dat degenen met wie de verdachte heeft samengewerkt eveneens opzet hebben gehad op het grondfeit, kan dit leiden tot een verzwaring van de opsporingstaak en meer gecompliceerde procedures (met bijvoorbeeld extra getuigenverhoren en wijzigingen tenlasteleggingen) terwijl die eis niet uit enig rechtsbelang voortvloeit (zie de argumentatie onder 1 en 2)." 8.3. In de toelichting op het zesde middel (waarnaar in de toelichting op het achtste middel wordt verwezen) betoogt de steller ervan allereerst
(1)dat de betreffende strafbepaling (artikel 69 AWR) een kwaliteitsdelict omschrijft, en
(2)dat aan kwaliteitsdelicten uitsluitend kan worden deelgenomen door een ander dan de kwaliteitsdrager in het geval de kwaliteitsdrager het delict zelf (mede)pleegt. 8.4. De steller van het middel heeft het gelijk aan zijn zijde wat betreft zijn onder 2 genoemde stelling dat het plegen van het kwaliteitsdelict door de normadressaat een noodzakelijke voorwaarde is voor het deelnemen aan dit delict door derden die niet beschikken over deze hoedanigheid.
(37)Zijn eerste stelling dat artikel 69 AWR een kwaliteitsdelict betreft heeft in elk geval sterke papieren.
(38)8.
- Niettemin behoeft Uw Raad hierbij niet lang stil te staan, aangezien 's hofs overwegingen geen aanleiding geven voor de conclusie dat het hof een en ander heeft miskend. Zowel wat betreft het onder 1 als het onder 3 bewezenverklaarde heeft het hof immers de aangifteplichtige (rechts)persoon aangemerkt als medepleger van het opzettelijk doen van een onjuiste of onvolledige belastingaangifte. Ik wil dat aantonen. 8.
- Ten aanzien van feit 3 heeft het hof overwogen (ik herhaal van p. 54, onderstreping mijnerzijds): "Van één deelnemer ([betrokkene 1]) staat vast dat hij belastingplichtig was, dat hij de aangiften heeft ondertekend en dat hij (het kantoor van) verdachte opdracht heeft gegeven zijn fiscale zaken te behandelen." Het hof heeft [betrokkene 1], de normadressaat, dus bestempeld als deelnemer aan het kwaliteitsdelict. De deelnemingsvorm die het hof hierbij voor ogen stond kan bezwaarlijk een andere zijn geweest dan die van het medeplegen. In de daaraan voorafgaande volzin overweegt het hof namelijk met zoveel woorden dat de verdachte tezamen en in vereniging met een ander of anderen opzettelijk onjuiste aangiften heeft gedaan. Reeds thans wens ik te benadrukken dat het opzet van [betrokkene 1] op zichzelf voortvloeit uit 's hofs vaststellingen, in elk geval in voorwaardelijke vorm. [Betrokkene 1] wist dat hij in feite louter in Nederland woonde
(39)en dat de woning in België alleen werd aangehouden om fiscale redenen.
(40)Hij heeft in die laatstbedoelde woning nooit meer dan incidenteel enkele uren vertoefd.
(41)De "vestiging" in België was dan ook niets anders dan nodig voor het ophouden van schijn. [betrokkene 1] werkte daaraan niet in die mate mee als van hem werd verlangd en hij was daarvoor ook gewaarschuwd.
(42)In hoeverre het leerstuk van het pleitbare standpunt deze conclusie doorkruist, komt pas bij het elfde middel aan de orde. 8.7. Ten aanzien van feit 1 herhaal ik 's hofs hierboven reeds geciteerde overweging grotendeels (met onderstrepingen mijnerzijds): "Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden kan niet anders geconcludeerd worden dan dat verdachte in nauwe en bewuste samenwerking met de grootaandeelhouder onjuiste aangiften vennootschapsbelasting voor de jaren 2001 en 2002 ten name van de bv heeft gedaan, terwijl dit feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven. Opzet belastingplichtige Namens de verdachte is aangevoerd dat [A] B.V. geen opzet had op het doen van valse aangiften en dat als gevolg daarvan niet tot een bewezenverklaring kan worden gekomen. Nog afgezien van het feit dat [betrokkene 3] (directeur-grootaandeelhouder van de B.V) heeft verklaard dat hij bewust privé-verliezen op zijn effectenportefeuille in 2001 en 2002 op de B.V. heeft afgewenteld (...)" De steller van het middel zij toegegeven dat het hof hierin niet expliciet heeft overwogen dat de BV bewust onjuiste of onvolledige aangiften heeft gedaan. Desalniettemin ligt dat oordeel zonder meer besloten in 's hofs overwegingen. Ik merk daartoe in de eerste plaats op dat het betreffende middel niet klaagt over de begrijpelijkheid van 's hofs vaststelling dat [betrokkene 3] directeur-grootaandeelhouder is van de mede naar hem genoemde BV. Evenmin klaagt het middel over het ontbreken van een specifieke verwijzing naar de bewijsmiddelen waaraan het hof deze vaststelling heeft ontleend. In cassatie mag er dus van worden uitgegaan dat [betrokkene 3] zeggenschap had over de BV. Het door het hof tot het bewijs gebezigde materiaal laat zich overigens geheel verenigen met deze gevolgtrekking. Er is geen enkele aanwijzing dat een ander dan [betrokkene 3] binnen de BV de touwtjes in handen had. In de tweede plaats heeft het hof vastgesteld dat [betrokkene 3], als grootaandeelhouder, ten name van de BV een tweetal Vpb-aangiften heeft gedaan.
(43)Aangezien een rechtspersoon handelt door tussenkomst van natuurlijke personen die bevoegdelijk te haren name optreden, vloeit hieruit onomstotelijk voort dat de bedoelde aangiften, die onjuist of onvolledig bleken, zijn gedaan door de BV zelf.
(44)In de derde plaats heeft het hof vastgesteld, c.q. vloeit uit zijn bewijsoverwegingen voort dat [betrokkene 3] zich bewust was van de onjuistheid van de belastingaangiften. [Betrokkene 3] heeft immers volgens het hof verklaard dat hij bewust privé-verliezen op zijn effectenportefeuille heeft afgewenteld op de BV, en (zo voeg ik daaraan toe) in de wetenschap (naar eigen zeggen) dat het privé-verlies "niet aftrekbaar" was en dat zulks "fiscaal niet kon, maar dat we er mee weg zouden komen als we ([betrokkene 3] en hijzelf, D.A.) het op een bepaalde manier zouden doen."
(45)Het opzet van [betrokkene 3] heeft het hof m.i. probleemloos kunnen toerekenen aan de BV. Ook haar opzet was dus gericht op de onjuistheid en onvolledigheid van de door haar gedane aangiften.
(46)Dat het hof deze gevolgtrekking ook daadwerkelijk heeft gemaakt volgt uit 's hofs respons op het verweer dat de BV géén opzet had, namelijk door die respons aan te vangen met de woorden: "Nog daargelaten dat ...." (kort gezegd: [betrokkene 3] wel degelijk het vereiste opzet had). Die overweging laat zich alleen goed verstaan als het hof daarin is uitgegaan van de onuitgesproken premisse dat het opzet van [betrokkene 3] bij het doen van de betreffende aangiften moet worden toegerekend aan "zijn" BV. 8.
- Uit het voorgaande volgt dat de middelen niet slagen. Het hof heeft de onderscheidene aangifteplichtigen immers aangemerkt als medepleger. Bovendien vloeit het bewijs van deze deelnemingsvorm op niet onbegrijpelijke wijze voort uit 's hofs overwegingen en het daartoe gebezigde bewijsmateriaal. 8.
- Het hof heeft op dit punt overigens wel een prikkelend arrest gewezen. Het hof heeft, als ik het goed zie, niet overwogen dat de aangifteplichtige (mede)pleger geen opzet hoeft te hebben op de onjuistheid of onvolledigheid van de belastingaangifte. Het hof heeft daarentegen in elk geval wel overwogen dat voor een bewezenverklaring uit de bewijsmiddelen niet hoeft te volgen dat degene met wie de verdachte samenwerkte eveneens opzet had op zowel het gronddelict als de samenwerking. Zoals gezegd kunnen de middelen m.i. niet slagen omdat 's hofs bewijsoverwegingen en bewijsmiddelen intussen wel degelijk blijk geven van dat (dubbele) opzet. 8.
- Ten overvloede wil ik nog wel iets opmerken over 's hofs juridische standpunt. Naar mijn mening verhoudt dit standpunt zich slecht met de huidige jurisprudentie van de Hoge Raad.
(47)Ingeval is tenlastegelegd dat de verdachte zich tezamen en in vereniging met een ander heeft schuldig gemaakt aan het doen van onjuiste belastingaangifte, staat de omstandigheid dat die ander niet strafbaar is omdat bij hem het vereiste opzet heeft ontbroken, in de weg aan het medeplegen van dat misdrijf.
(48)Voor medeplegen in de zin van art. 47, eerste lid onder 1°, Sr van een strafbaar feit is vereist (voor zover van belang) dat twee personen bewust samenwerken met het oog op het verrichten van een strafbare gedraging. Met andere woorden, medeplegen vergt in dit geval de bewuste samenwerking van beiden gericht op het opzettelijk doen van de tenlastegelegde onjuiste aangifte. Nu dit slechts strafbaar is indien het vereiste opzet aanwezig is, leidt het ontbreken van dat opzet bij een van beiden ertoe dat niet gesproken kan worden van bewuste samenwerking op het opzettelijk doen van onjuiste aangifte. Hieruit vloeit m.i. voort dat bij een bewezenverklaring van medeplegen het bewijsmateriaal blijk moeten geven van het (dubbele) opzet van de deelnemers, al dan niet in voorwaardelijke vorm, zulks gericht
(1)op het gronddelict en
(2)op de samenwerking. Daaraan doet niet af dat dit opzet van de twee medeplegers niet volledig identiek hoeft te zijn en dat dit opzet in veel gevallen betrekkelijk eenvoudig kan worden afgeleid uit de aard en de uiterlijke verschijningsvorm van de gedragingen die het delict hebben uitgemaakt. Bij het beoordelen van de begrijpelijkheid van de bewijsconstructie komt bovendien gewicht toe aan de vraag of de verdediging over het ontbreken van dergelijk opzet bij de medepleger ten overstaan van de feitenrechter een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt heeft ingenomen. 8.
- Daarmee is niet gezegd dat de door het hof uitgedragen zienswijze rechtspolitiek gezien onverdedigbaar is. Indien het onderscheid tussen medeplegen en doen plegen niet van betekenis is voor de strafbaarheid en de strafwaardigheid van de verweten gedraging, doch alleen voor de kwalificatie ervan, relativeert dat in hoge mate het belang van een scherpe afbakening van die twee deelnemingsvormen. Indien in een geval soortgelijk aan het onderhavige de strafvervolging is ingesteld tegen de fiscale adviseur en zijn doorslaggevende rol in het fiscale delict probleemloos zou kunnen worden vastgesteld, doch in aanvang weinig tot niets bekend is over de wetenschap en het handelen van de aangifteplichtige, zou de feitenrechter veel energie moeten steken in onderzoek daarnaar, terwijl het naar de kern genomen enkel gaat om een rechterlijk oordeel over de bijdrage van de fiscale adviseur. 8.
- Weer terug naar mijn reeds eerder getrokken conclusie: het middel hoeft niet tot cassatie te leiden. 9.
- Het zevende middel komt op tegen 's hofs bewezenverklaring van het onder 1 tenlastegelegde en tegen een bewijsoverweging. 9.
- Het onder 1 tenlastegelegde houdt onder meer in dat telkens een te laag belastbaar bedrag is opgegeven, terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven. De verdediging had echter betoogd dat het fiscaal toelaatbaar was om de rekening-courantvordering van de BV op de verdachte over de jaren 2001 en 2002 af te waarderen, en wel in die mate dat de BV over die jaren per saldo nog minder vennootschapsbelasting zou zijn verschuldigd dan feitelijk aangegeven. 9.
- Het hof heeft dit verweer als volg samengevat (op p. 37): "de aangiften vennootschapsbelasting 2001 en 2002 (hebben) niet (...) geleid tot een onjuiste aangifte die er toe zou hebben gestrekt dat een te lage belastbare winst is aangegeven. In de fiscale winstberekening is terecht rekening gehouden met de waardemutaties van de aandelen, nu deze als onderpand fungeerden voor de vordering van de bv en de door verdachte voorgestane handelwijze niet in strijd met het goedkoopmansgebruik. Ter onderbouwing van zijn stelling verwijst verdachte naar de door hem overgelegde rapporten van [betrokkene 20] (het door de verdediging onder productie C.10 overgelegde stuk), [betrokkene 21] (het door de verdediging onder productie I overgelegde stuk), [betrokkene 18] (het door de verdediging onder productie H overgelegde stuk) en een brief van [betrokkene 22] (het door de verdediging onder productie F overgelegde stuk). Uit de door verdachte overgelegde rapporten volgt, aldus de verdachte, dat te dezen in elk geval sprake is van een pleitbaar standpunt;" 9.
- Ik geef de relevante overwegingen van het hof meer uitgebreid weer dan de steller van het middel in zijn toelichting heeft gedaan (p. 39 - 41): "Het hof stelt vast dat noch uit het dossier noch uit het verhandelde ter zitting in hoger beroep is gebleken dat de in de aangifte vennootschapsbelasting 2001 gepresenteerde aandelentransactie in werkelijkheid heeft plaatsgevonden. De boeking van de aandelen als activum door de bv in het jaar 2001 is derhalve ten onr