Nr. 10/01187 Mr. Hofstee Zitting: 6 september 2011 Conclusie inzake: [Verdachte = verzoeker]
(1)10. Voor de volledigheid merk ik tevens op dat het Hof het bedoelde verweer van de verdediging abusievelijk heeft getoetst aan het zogenaamde Zwolsman-criterium. Dit criterium is enkel van toepassing bij de vraag of het Openbaar Ministerie in de vervolging niet-ontvankelijk dient te worden verklaard als gevolg van vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek. 11. Het middel slaagt. 12. Het tweede middel, in samenhang met de toelichting daarop gelezen, behelst de klacht dat het Hof bij de beantwoording van de vraag of verzoeker (in het kader van zijn strafbaarheid) bescherming toekomt krachtens art. 31, eerste lid, Vluchtelingenverdrag onvoldoende inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang daarover. Het Hof heeft, aldus de steller van het middel, de reden waarom verzoeker een (onverwijlde) meldingsplicht zou hebben bij de Nederlandse autoriteiten tijdens zijn verblijf in Nederland in het midden gelaten. De steller van het middel licht de klacht als volgt toe. Had verzoeker (
- i)zich te melden ongeacht zijn intentie tot doorreis naar Engeland? In dat geval geeft het oordeel van het Hof blijk van een onjuiste rechtsopvatting, aangezien ook een vluchteling aanspraak kan maken op voornoemde bescherming. Of (
- ii)acht het Hof verzoekers verklaring over zijn doorreis niet aannemelijk? Zo ja, dan is het oordeel van het Hof zonder nadere motivering (die ontbreekt) onbegrijpelijk. 13. Naar het mij voorkomt heeft de steller van het middel het gelijk aan zijn zijde. Als ik het goed zie kan met betrekking tot (
- i)uit HR 24 mei 2011, LJN BO1587, rov. 2.4.3. en 2.5 worden afgeleid dat een doorreizende vluchteling niet gehouden is zich in het land van doorreis bij de nationale autoriteiten te melden en/of in dat land asiel aan te vragen. Heeft - hetgeen ik mij niet goed kan voorstellen - het Hof aan zijn onderhavige oordeel reden (
- ii)ten grondslag gelegd, dan is dit oordeel inderdaad ontoereikend gemotiveerd, nu het Hof is uitgegaan van verzoekers verklaring dat hij naar zijn moeder in Engeland wilde reizen en verzoeker, zoals ook is ten laste gelegd, bij de uitreisbalie van de grensdoorlaatpost Hoek Van Holland is aangehouden, op het moment dat hij wilde uitreizen naar Engeland. 14. Ook het tweede middel slaagt. 15. In het derde middel wordt ten aanzien van hetgeen door de verdediging omtrent de onvrijheid van beweging van verzoeker in Nederland en diens reisdoel is aangevoerd, geklaagd over de begrijpelijkheid van het oordeel van het Hof dat art. 31 Vluchtelingenverdrag niet aan de oplegging van een strafrechtelijke sanctie aan verzoeker in de weg staat. In de toelichting op het middel wordt nog naar voren gebracht dat verzoeker nooit naar zijn bewegingsvrijheid in Nederland is gevraagd en het Hof in dat opzicht heeft miskend dat niet elke vluchteling geacht kan worden op de hoogte te zijn van het juridische belang om uit zichzelf (spontaan) een verklaring over zijn bewegingsvrijheid in het derde veilige land af te leggen, zodat het andersluidende oordeel van het Hof onvoldoende met redenen is omkleed. 16. Blijkens de aan het proces-verbaal terechtzitting van het Hof gehechte pleitaantekeningen is toen en aldaar namens verzoeker het volgende betoogd: "Echter, uit de uitspraak van september 2008 blijkt dat deze termijn van 2 weken uitsluitend geldt voor zover iemand in vrijheid heeft kunnen bewegen en zelfstandig heeft kunnen beslissen hoe te handelen. Dit was bij cliënt echter niet aan de orde. Cliënt is door zijn reisagent in een huis geplaatst en mocht dit huis niet uit. Er werd tegen hem gezegd dat hij zijn moeder nooit zou zien als hij zich niet aan de regels zou houden. Er kan dus niet gezegd worden dat cliënt vrijelijk kon bewegen en zelf beslissingen kon nemen over hoe te handelen. Hij werd onder controle gehouden door een smokkelorganisatie dan wel zijn reisagent. Onder die omstandigheden, zo stelt de rechtbank Haarlem, kan iemand niet worden tegengeworpen dat hij geen asiel heeft aangevraagd in het veilige land. Ongeacht de lengte van het verblijf." 17. Ik meen dat voornoemd betoog niet concreet onderbouwd is. Het oordeel van het Hof dat het niet aannemelijk is dat verzoeker zich niet vrijelijk in Nederland heeft kunnen bewegen, acht ik dan ook niet onbegrijpelijk. 18. Het derde middel faalt. 19. Het vierde middel bestaat uit de klacht dat het Hof toetsend aan art. 31, eerste lid, Vluchtelingenverdrag ten onrechte is getreden in de inhoudelijke beoordeling van een asielgerelateerde grond voor toelating, althans dat het Hof bij deze toets niet de vereiste terughoudendheid in acht heeft genomen, dan wel zijn oordeel over de toepasselijkheid ervan onvoldoende met redenen heeft omkleed, nu het Hof heeft geoordeeld dat verzoeker zich niet onverwijld bij de Nederlandse autoriteiten had gemeld, terwijl Nederland een veilig land is. 20. Naar ik meen is het Hof met zijn overweging dat verzoeker gedurende ongeveer 25 dagen in Nederland heeft verbleven en dat het aan verzoeker als vluchteling is op de hem toekomende rechten tijdig aanspraak te maken door asiel aan te vragen, niet getreden in een inhoudelijke beoordeling van een asielgerelateerde grond voor toelating. Hierover heeft het Hof zich niet uitgelaten. 21. Het vierde middel mist feitelijke grondslag en faalt dus. 22. Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen. 23. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Zie HR 8 maart 2011, LJN BO2915, NJ 2011, 242, r.o. 2.4.2, HR 24 mei 2011, LJN BO1587, r.o. 2.4.2., HR 5 juli 2011, LJN BP7855, r.o. 2.5.1 en 2.5.2 en HR 13 oktober 2009, LJN BI1325, NJ 2009, 531, r.o. 2.5.