Nr. 10/03812 B Mr. Knigge Zitting: 13 september 2011 Conclusie inzake: [Klager]
(1)Het oordeel van de Hoge Raad moet mijns inziens als volgt worden begrepen. Het antwoord op de vraag of het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, klager wegens witwassen zal veroordelen, is afhankelijk van het voorhanden zijnde bewijsmateriaal. Over dit bewijsmateriaal dient de Rechtbank zich een oordeel te vormen. De enkele omstandigheid dat verklaringen niet met elkaar overeenstemmen, vormt op zichzelf geen bewijs. Dat geldt tevens voor de omstandigheid dat de klager de legale herkomst van het geld niet heeft aangetoond. 4.
- Gelet op het voorgaande is het oordeel van de Rechtbank dat zich vooralsnog niet het geval voordoet dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat de strafrechter, later oordelend, het onder klager in beslag genomen geldbedrag verbeurd zal verklaren, ontoereikend gemotiveerd, in aanmerking genomen dat de Rechtbank haar oordeel enkel heeft gegrond op de omstandigheid dat de klager wisselend heeft verklaard over de herkomst van het inbeslaggenomen geldbedrag en onvoldoende heeft aangetoond dat het geld afkomstig is uit onverdachte bron. Of 's Hofs vaststelling dat klager wisselend heeft verklaard, begrijpelijk is, is een vraag die, gelet op het hiervoor overwogene, geen bespreking behoeft.
- De middelen slagen derhalve.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden beschikking ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot zodanige op analoge toepassing van art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG 1 Vgl. HR 14 december 2010, LJN BO7233, NJ 2011/10.