Nr. 10/03804 Mr. Aben Zitting: 25 oktober 2011 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)De motivering van een afwijzing van een getuigenverzoek zal derhalve blijk moeten geven van de toepassing van de juiste wettelijke maatstaf, en overigens zal die toepassing niet onbegrijpelijk mogen zijn. Ik sluit niet uit dat de ontijd van een getuigenverzoek een rol speelt bij de weging van het verdedigingsbelang of de noodzaak om de desbetreffende getuige te horen, maar zelfstandig kan 'misbruik van procesrecht' de afwijzing niet dragen. Voor zover het middel hierover klaagt, slaagt het. 3.
- Tot cassatie hoeft dit niet te leiden indien de door het hof ten overvloede gegeven motivering uitdrukking geeft aan een toereikende grondslag voor de gewraakte beslissing. Het hof heeft namelijk in casu geoordeeld dat het evenmin de noodzaak zag voor het horen van de getuige. Naar mijn inzicht komt het middel echter op goede gronden op tegen de begrijpelijkheid van dit oordeel en de overweging ten overvloede waarop het is gestoeld. Dat het verzoek "volstrekt onvoldoende concreet" zou zijn onderbouwd, vermag ik namelijk niet in te zien. De stelling is simpelweg dat de verdachte een alibi heeft. Dit kan volgens de verdediging worden bevestigd door verdachtes vriendin ([betrokkene 1]), die naast hem in bed zou hebben gelegen op het moment dat de bestuurder van het voertuig de aan de verdachte verweten kunstfouten zou hebben begaan. Of geloof moet worden gehecht aan deze getuigenverklaring is nog wel iets anders. De eisen van een eerlijk proces brengen echter mee dat de verdachte in elk geval in de gelegenheid moet worden gesteld om te voorzien in een onderbouwing van zijn alternatieve lezing van de gang van zaken. 3.
- Het middel is gegrond. 4.
- Gelet op de uitkomst van het eerste middel zal ik het kort houden bij de gezamenlijke bespreking van het tweede, derde en vierde middel. Zij stellen het gebrek aan bewijs aan de orde voor de bewezenverklaringen onder 2, 3, respectievelijk
- Uit de bewijsmiddelen zou namelijk niet kunnen volgen dat de verdachte als bestuurder van de Jaguar is opgetreden, te weten een bestuurder van wie het rijbewijs was ingevorderd en die de plaats van het ongeval heeft verlaten, een en ander zonder dat voor dat door hem bestuurde voertuig een WAM-verzekering was afgesloten. 4.
- De steller van het middel heeft zeker een punt waar het 's hofs onderscheidene bewijsconstructies van de bewezenverklaringen onder 2, 3 en 4 betreft, namelijk indien zij slechts geïsoleerd aan een beschouwing worden onderworpen, zoals de steller van het middel heeft gedaan. Dat is, gelet op 's hofs bewoordingen, strikt genomen terecht. Indien alle door het hof gebezigde bewijsmiddelen voor alle bewezenverklaringen echter in onderling verband en samenhang worden beschouwd, blijkt de gehele bewijsconstructie er aanzienlijk meer solide uit te zien. Ook dan nog zou een nadere bewijsmotivering naar mijn inzicht niet hebben misstaan, bijvoorbeeld gevestigd op dezelfde pijlers als die zijn opgezet in het schriftelijk requisitoir van de advocaat-generaal bij het gerechtshof. Aangezien een defect in de rubricering van bewijsmiddelen m.i. niet zonder meer tot cassatie hoeft te leiden, meen ik dat de middelen niet hoeven te slagen. Ik wil het hierbij laten aangezien het hof de zaak opnieuw zal beoordelen na de door mij voorgestane verwijzing wegens het succes van het eerste middel. 5.
- Het eerste middel slaagt. De overige middelen hoeven niet tot cassatie te leiden. Ik heb ambtshalve geen grond aangetroffen voor vernietiging van het bestreden arrest. 5.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak, teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 HR 12 januari 1999, LJN AC2332, NJ 1999/450 met de in dit verband nog immer lezenswaardige noot van 't Hart; HR 20 maart 2007, LJN AZ4756, NJ 2007/183; HR 3 april 2007, LJN AZ8395; HR 22 december 2009, LJN BJ3295, NJ 2010/192 m.nt. Reijntjes.