Nr. 10/02195 Mr. Aben Zitting 25 oktober 2011 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)jo artikel 366a, derde lid Sv (oud), die krachtens art. 415 Sv ook op het rechtsgeding voor het hof van overeenkomstige toepassing zijn, dient de mededeling van het arrest, dat buiten aanwezigheid van de verdachte is uitgesproken en waarbij artikel 14a Sr is toegepast, zo spoedig mogelijk aan hem in persoon te worden betekend. Voor de bepaling of bij deze betekening voldoende voortvarendheid is betracht, zijn de navolgende overwegingen uit het meest recente overzichtsarrest van de Hoge Raad inzake de redelijke termijn, HR 17 juni 2008, LJN BD2578, NJ 2008/358, van belang. Ik citeer: "3.
- Van overschrijding van de redelijke termijn kan eveneens sprake zijn indien op grond van art. 366 Sv een verstekmededeling dient te worden betekend en het openbaar ministerie bij die betekening niet de nodige voortvarendheid heeft betracht. Van de hier bedoelde vertraging is in elk geval geen sprake: a. Indien de verstekmededeling binnen èèn jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend
- hetzij aan de verdachte in persoon,
- hetzij op de voet van het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv. In de onder 2 bedoelde gevallen komt een na de betekening opgetreden vertraging immers voor rekening van de verdachte omdat er redelijkerwijs van kan worden uitgegaan dat hij door die betekening op de hoogte is geraakt van de uitspraak. b. Indien de verstekmededeling binnen een jaar na de uitspraak rechtsgeldig is betekend door de in art. 588, eerste lid onder b sub 3°, Sv voorziene uitreiking aan de griffier om reden dat de verdachte niet als ingezetene is ingeschreven in de basisadministratie persoonsgegevens noch een feitelijke woon- of verblijfplaats van hem bekend is, èn indien tevens blijkt dat het openbaar ministerie vervolgens - naast de plaatsing van de verdachte in het opsporingsregister - tenminste eenmaal per jaar heeft getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen hetzij aan de verdachte in persoon hetzij overeenkomstig het bepaalde in art. 588, tweede of derde lid, Sv." 4.
- Als ik het goed zie brengt deze jurisprudentie mee dat van een overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase geen sprake is. De verstekmededeling is in deze zaak immers binnen een jaar betekend aan de griffier (zie hierboven, 4.2 onder l). Bovendien leid ik uit de stukken af dat een signalering met het oog op de betekening van de verstekmededeling (in persoon) is opgenomen in het opsporingsregister (zie hierboven, 4.2 onder m). Uit de vele pogingen om alsnog een adres van de verdachte te achterhalen, leid ik af dat veelvuldig (bijna ieder jaar meermalen) is getracht de verstekmededeling alsnog te betekenen. Daartoe is m.i. niet vereist dat de verstekmededeling wederom is betekend aan de griffier. De herhaling van de griffiersbetekening lijkt mij een zinloze exercitie, waartoe ons procesrecht, meen ik, niet noopt. Het handelen van de bevoegde autoriteiten dient in dit geval te zijn gericht op een betekening in persoon, dan toch wel in elk geval aan een GBA- of een feitelijk woonadres. Zulke pogingen vangen aan met het opvragen van GBA-gegevens, en van dergelijke pogingen blijkt omstandig. 4.
- Eén uitzondering betreft het jaar
- Ik kan niet achterhalen dat tussen 22 november 2000 en 13 november 2002 navraag is gedaan naar een adres van de verdachte in Nederland. Niettemin meen ik dat ook in zoverre de klacht moet falen. Achteraf kan immers worden vastgesteld dat ook een adresonderzoek in die laatstbedoelde periode tevergeefs zou zijn geweest. De verdachte heeft sinds 3 januari 2000 niet meer in Nederland ingeschreven gestaan. 4.
- Daarmee kom ik als vanzelf te spreken over het volgende verwijt dat de verdachte m.i. kan worden gemaakt. Een verdachte die, kennis dragende van een tegen hem ingestelde vervolging, nalaat op de voorgeschreven wijze opgave te doen van zijn verhuizingen en/of geen in het maatschappelijk verkeer gebruikelijke voorzieningen treft om te bereiken dat hij kennis krijgt van voor hem bestemde stukken die zijn achtergelaten dan wel verzonden aan het adres alwaar hij vroeger woonachtig was of stond ingeschreven, en/of nalaat zich op de hoogte te stellen van de inhoud van zodanige door hem ontvangen berichten dan wel daarop niet reageert, tengevolge waarvan de inspanningen van het openbaar ministerie om de uitspraak te zijner kennis te brengen, zonder resultaat blijven, kan zich m.i. niet met vrucht beroepen op schending van de voormelde verdragsbepaling.