11/02137 mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 25 november 2011 Conclusie inzake
(2010), p. 18-19. R.H. de Bock (Tussen waarheid en onzekerheid: over het vaststellen van feiten in de civiele procedure, diss. Tilburg 2011, § 1.5.2-1.5.4 en 1.6) kwalificeert het oordeel van de rechter omtrent het al dan niet als vaststaand aannemen van hetgeen in het kader van de op een partij rustende stelplicht door deze partij wordt gesteld, als het nemen van een 'oneigenlijke bewijsbeslissing' door de rechter: aan de hand van de stellingen van partijen en de onderbouwing daarvan, beslist de rechter of hij een feit wel of niet als vaststaand aanneemt. De bewijsbeslissing is oneigenlijk, omdat er geen bewijsincident waarin partijen bewijs kunnen bijbrengen, heeft plaatsgevonden; het is bewijslevering zonder bewijsopdracht. De rechter stelt feiten vast door een analyse te maken van de over en weer aangevoerde feitelijke stellingen en daarvoor gebezigde motivering; kort gezegd door een analyse van de argumenten van partijen. Indien de rechter van oordeel is dat op grond van de stellingen en bewijsmiddelen van partijen die tot dan toe in het geding zijn gebracht, niet beslist kan worden en dat nadere informatie moet worden verkregen, komt de rechter toe aan de fase van de eigenlijke bewijsbeslissing. De Bock betoogt dat de rechter zich bij de beslissing om níet over te gaan naar de fase van de eigenlijke bewijsbeslissing gedeeltelijk zal laten leiden door de wens tot efficiënt en voortvarend procederen. Daarnaast zal echter ook een rol spelen de inhoudelijke waardering door de rechter van de door partijen over en weer ingenomen stellingen en verweren. Het is aannemelijk dat de rechter niet wil overgaan tot bewijslevering van met name feiten die verband houden met stellingen of verweren die de rechter onaannemelijk, 'onsympathiek' of 'verwerpelijk' voorkomen. Aldus De Bock. Van den Brink (a.w., p. 92) concludeert dat 'geloofwaardigheid' of 'aannemelijkheid' op zichzelf geen vereiste is dat aan feitelijke stellingen gesteld moet worden. Ongeloofwaardigheid of onaannemelijkheid geeft de rechter wel de ruimte de lat hoger te leggen voordat hij concludeert dat een stelling voldoende onderbouwd is. A-G Huydecoper merkt in zijn conclusie voor HR 8 juli 2011, LJN BQ1823, NJ 2011/309 (onder 38) op: "Wanneer een feitencomplex zich in een zodanige mate opdringt als hier het geval is, kan de rechter oordelen dat ook een betrekkelijk cursorische presentatie daarvan (of van daaraan te verbinden gevolgtrekkingen) aan de stelplicht beantwoordt; en geldt, omgekeerd, dat de partij die in weerwil van de ogenschijnlijke vanzelfsprekendheid van het bedoelde feitencomplex een andere feitelijke situatie wil verdedigen, steekhoudende en overtuigende stellingen aan dat betoog ten grondslag zal moeten leggen, en bij gebreke daarvan de desbetreffende feiten onvoldoende heeft weersproken." 15. De Bock (a.w., p. 20-21 en p. 100) pleit ervoor dat de rechter niet te snel oordeelt dat een partij de stellingen van de wederpartij niet of onvoldoende heeft betwist. Of van een voldoende betwisting sprake is, kan niet los worden gezien van de wederzijdse stellingen van partijen en vergt een redelijke uitleg van de stellingen van partijen. Aan de hand daarvan zal de rechter nauwkeurig moeten nagaan of inderdaad sprake is van een niet bestreden stelling. Of een feit in voldoende mate is gesteld of betwist, is niet in abstracto vast te stellen. Het hangt in sterke mate af van de door beide partijen gevoerde argumentaties. Zie tevens Ahsmann, a.w., p. 19. Zie voorts A-G Huydecoper in zijn conclusie voor het arrest HR 24 februari 2006, LJN AU9729, RvdW 2006/238, JBPr 2006, 77. Hij noemt in deze conclusie de volgende gezichtspunten waaraan betekenis kan toekomen bij de beoordeling van de stel- en motiveringsplicht. In hoeverre gaat het om een gegeven dat zich voor concrete feitelijke onderbouwing leent, dan wel een gegeven waarvan in de rede ligt dat het nadere feitelijke onderbouwing vergt? Bevindt de procespartij in kwestie zich in een positie die aannemelijk maakt dat die partij aanzienlijk meer over het te beoordelen gegeven zou moeten weten dan in de procedure naar voren wordt gebracht? Gaat het om een stelling die zich als vanzelfsprekend aandient of, integendeel, weinig plausibel voorkomt? Gaat het om een stelling die in het partijdebat centraal staat, of wordt die in meerdere of mindere mate als bijkomend argument te berde gebracht? In welk stadium van het geding c.q. naar aanleiding van welke processuele ontwikkeling wordt de stelling ingenomen? 16. In mijn conclusie voor het eerder genoemde arrest van uw Raad van 28 januari 2011 - waarin het, zoals gezegd, ging om de vraag of Dexia voldoende had gesteld om tot bewijs te worden toegelaten - betoogde ik dat in een geval waarin het gaat om de stelplicht en bewijslast ter zake van subjectieve bekendheid, de specificatie-eis meebrengt dat niet kan worden volstaan met de (blote) stelling dat subjectieve bekendheid moet hebben bestaan, doch dat feiten en omstandigheden moeten worden gesteld en ten bewijze aangeboden waaruit die subjectieve bekendheid kan worden afgeleid. Als feit waaruit bedoelde subjectieve bekendheid kan worden afgeleid, zo betoogde ik, kan bijvoorbeeld gelden dat een of meer uit de overeenkomst verschuldigde bedragen zijn afgeschreven van een gezamenlijke rekening (een zogenoemde 'en/of'-rekening). Ik verwees naar de arresten van het hof Amsterdam van 27 april 2010, LJN BM6734 en LJN BM6736, waarin het Amsterdamse hof oordeelde dat het in die zaken onweersproken door Dexia gestelde feit dat de op grond van de leaseovereenkomst aan Dexia verschuldigde bedragen waren betaald vanaf een 'en/of'-rekening van het betrokken echtpaar, de gevolgtrekking wettigen dat de echtgenote die zich op het ontbreken van toestemming kon beroepen, met het bestaan van de overeenkomst bekend was met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift. In mijn hier genoemde conclusie wees ik voorts op het volgende aspect. Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een voldoende gemotiveerde betwisting van de aangevoerde stellingen, moet worden bedacht dat sprake kan zijn van een verzwaarde motiveringsplicht in dier voege dat voldoende feitelijke gegevens moeten worden verstrekt ter motivering van de betwisting van de aangevoerde stellingen teneinde aan de wederpartij op wie de stelplicht en bewijslast rusten, aanknopingspunten te verschaffen voor een eventuele bewijslevering. Daarvan zal met name sprake zijn ingeval de feitelijke gegevens liggen 'in het domein' van degene op wie niet de stelplicht en bewijslast rusten. Wordt niet aan deze verzwaarde motiveringsplicht voldaan, dan zal de rechter de aangevoerde stellingen als onvoldoende gemotiveerd betwist en daarmee als vaststaand aanmerken. Zie HR 13 januari 1997, LJN ZC1611, NJ 1997/175, m.nt. CJHB. Daarbij verdient vermelding dat ook in het domein van Dexia feitelijke gegevens kunnen liggen die de gevolgtrekking kunnen wettigen dat de echtgenote die de vernietigbaarheid van de overeenkomst wegens het ontbreken van haar toestemming inroept, met het bestaan van de overeenkomst bekend was, zoals ook blijkt uit de hiervoor genoemde arresten van het gerechtshof Amsterdam. Uw Raad overwoog in die zaak dat het hof - dat had geoordeeld dat de belegger de stelling van Dexia dat zijn echtgenote eerder dan drie jaar voor de buitengerechtelijke vernietiging daadwerkelijk bekend was met de overeenkomst voldoende gemotiveerd had weersproken en dat geen grond bestond voorshands, behoudens door de belegger te leveren tegenbewijs, aan te nemen dat zijn echtgenote op de hoogte was van de overeenkomst - blijk had gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door het bewijsaanbod van Dexia te passeren op de grond dat Dexia geen concrete feiten had gesteld waaruit volgt dat de echtgenote van de belegger eerder dan drie jaar voordat zij de overeenkomst buitengerechtelijk vernietigde, op de hoogte was van de overeenkomst. Uw Raad overwoog dat het hof aldus heeft miskend dat in het onderhavige geval van Dexia bezwaarlijk kon worden verlangd dat zij nadere feitelijke gegevens verstrekte omtrent de eerdere bekendheid van de echtgenote van de belegger met de overeenkomst. In aanmerking genomen dat de desbetreffende stelling betrekking heeft op, voor de beslissing van de zaak relevante, omstandigheden van subjectieve aard die zich geheel in de sfeer van de belegger en zijn echtgenote hebben afgespeeld, en gelet op het partijdebat, brengen de eisen van een goede procesorde in dit geval immers mee - zo overwoog uw Raad - dat met het oog op het, mede door art. 166 Rv. gewaarborgde, belang van de waarheidsvinding door het leveren van getuigenbewijs, aan de feitelijke onderbouwing van die stelling niet de eisen mogen worden gesteld die het hof hier heeft aangenomen. 17. Ten slotte merk ik hier nog op dat voor de beoordeling in cassatie in dit verband een belangrijke rol speelt dat het aan de feitenrechter is voorbehouden de partijstellingen in het licht van het debat van partijen te beoordelen. Dat geldt ook voor de vraag of bepaalde stellingen voldoende zijn onderbouwd, dan wel voldoende gemotiveerd zijn betwist. In cassatie kan een dergelijk oordeel daarom maar in beperkte mate op juistheid worden onderzocht; wel kan een dergelijk oordeel met motiveringsklachten worden bestreden. Vgl. HR 19 januari 2007, LJN AZ2048, NJ 2007/61, rov. 3.4.3; HR 14 november 2003, LJN AK4841, NJ 2005/269, rov. 3.5.3; HR 8 juli 1992, NJ 1992/713, rov. 3.4. Zie ook A-G Huydecoper in zijn hiervoor genoemde conclusie voor HR 24 februari 2006 en zijn conclusie voor HR 8 juli 2011, LJN BQ1701, RvdW 2011/852. De klachten vervat in middelonderdeel 1; subjectieve bekendheid 18. Ik keer terug naar middelonderdeel 1 dat zes subonderdelen bevat, genummerd a-f. De in deze onderdelen vervatte klachten richten zich, als gezegd, tegen 's hofs oordeel (vervat in rov. 4.11-4.13) dat voor bewijslevering zoals door [eiser] c.s. aangeboden, geen plaats meer is omdat [eiser 1] en [eiseres 2] onvoldoende hebben betwist dat laatstgenoemde door het oudste van de betrokken bankafschriften - en in ieder geval meer dan drie jaar voordat laatstgenoemde de overeenkomsten buitengerechtelijk poogde te vernietigen - met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden. Subonderdeel 1a klaagt dat het hof in de eerste plaats heeft miskend dat het enkele bestaan van c.q. het beschikken over een 'en/of'-rekening ten name van beide echtgenoten (nog) niet de conclusie rechtvaardigt dat beide echtelieden dan ook (noodzakelijkerwijs) kennis nemen resp. kennis hebben genomen van de (laat staan van alle) via die rekening plaatsgevonden hebbende transacties, resp. kennis hebben genomen van de (laat staan van alle) van die 'en/of'-rekening gezonden afschriften. Met name is zeer goed mogelijk, aldus het onderdeel, dat in een huwelijk slechts één echtgenoot zich met de financiële zaken bezighoudt en dat de andere echtgenoot zich daarmee niet onledig houdt en derhalve ook niet (laat staan: direct na ontvangst) daadwerkelijk kennis neemt van alle rekeningafschriften en alle daarop comparerende gegevens. Subonderdeel 1b klaagt dat als al moet worden aangenomen dat [eiseres 2] door het bestaan van bedoelde 'en/of'-rekening daadwerkelijk kennis heeft genomen van de daarop comparerende afschrijvingen, daarmee nog niet is verklaard dat [eiseres 2] daarvan daadwerkelijk heeft kennisgenomen "met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift, waarop betalingen terzake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld." Zo blijft immers, althans zonder nadere motivering, onverklaard - aldus het middelonderdeel - dat en waarom [eiseres 2] dat oudste bankafschrift (resp. die oudste bankafschriften) daadwerkelijk zou hebben ontvangen (en daarvan daadwerkelijk zou hebben kennisgenomen) op de datum (data) die het hof veronderstelt. Subonderdeel 1c betoogt dat het hof wel kan worden toegegeven dat het bestaan van een 'en/of'-bankrekening in het algemeen wél betekent dat beide echtgenoten zich (met name via de Bank) toegang kunnen verschaffen tot de op die rekening comparerende gegevens. Maar als het hof daarvan is uitgegaan en de datum (het bestaan) van het oudste bankafschrift als aanvangspunt van de verjaringstermijn heeft aangemerkt omdat [eiseres 2] niet meer dan de mogelijkheid had daarvan kennis te nemen, dan heeft het hof een rechtens onjuist criterium gehanteerd. Aldus het middelonderdeel, dat betoogt dat 's hofs arrest dan ook nog innerlijk tegenstrijdig is omdat het hof in rov. 4.10 van zijn arrest met juistheid overwoog dat bepalend is op welk tijdstip de andere echtgenoot daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden. Subonderdeel 1d stelt dat het hof in dit verband herhaaldelijk (in rov. 4.11, in rov. 4.12 èn nog eens in rov. 4.13) de omstandigheid noemt dat de bankafschriften "mede aan [eiseres 2] waren gericht." Het is evenwel ontoelaatbaar onduidelijk wat het hof hiermede bedoelt. Aldus het subonderdeel. Bedoelt het hof dat de bedoelde bankafschriften ook speciaal (afzonderlijk) aan [eiseres 2] zijn verzonden, dan heeft dat geen begrijpelijke basis in de stellingen van partijen, ook niet in de gedingstukken en trouwens evenmin in enige bancaire praktijk, aan welke het hof overigens niet refereert. Bedoelt het hof niet meer dan dat [eiseres 2] in de bankafschriften mede als geadresseerde is genoemd, dan valt - mede gezien het verweer van [eiser] c.s. dat alleen [eiser 1] zich met de financiële aangelegenheden van het echtpaar bezighield - zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet in te zien dat daarmee boven twijfel is verheven dat [eiseres 2] ook daadwerkelijk van die afschriften heeft kennisgenomen, laat staan dat zij daarvan na ontvangst op het adres van de echtvereniging terstond daadwerkelijk heeft kennisgenomen, met als gevolg dat de in art. 3:52 lid 1 aanhef en sub d BW bedoelde termijn te haren laste ging lopen. Subonderdeel 1e strekt ten betoge dat als het al zo is, gelijk het hof in rov. 4.11 overweegt, dat de door het hof gereleveerde feiten (kort gezegd: de 'en/of'- rekening en de mede aan [eiseres 2] gerichte bankafschriften) de gevolgtrekking wettigen dat [eiseres 2] met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop betalingen terzake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld, met het bestaan van de overeenkomsten bekend was, dat dan nog niet valt in te zien dat en waarom [eiser 1] c.s. tegen deze gevolgtrekking geen tegenbewijs zouden mogen leveren. Het subonderdeel voert in dit verband het volgende aan. Waarom voor een dergelijke (tegen-)bewijslevering geen plaats zou zijn, valt zonder nadere (adequate) motivering, die ontbreekt, niet in te zien. Opmerkingen van het hof dat stellingen van [eiser] c.s. in dit opzicht "weinig geloofwaardig" zijn wettigen op zijn minst de gedachte dat het hof hier op grond van een verboden prognose ten onrechte aan het (aanbod tot leveren van) tegenbewijs is voorbijgegaan. Volgens subonderdeel 1f wordt het in subonderdeel 1e betoogde niet anders doordat het hof in rov. 4.12 en 4.13 het over de boeg gooit als zouden [eiser] c.s. terzake onvoldoende hebben gesteld, resp. de daadwerkelijke kennisneming door [eiseres 2] van de desbetreffende bankafschriften onvoldoende hebben betwist. Daarbij is, aldus dit subonderdeel, onbegrijpelijk - en ontoereikend - dat het hof de stelling van [eiser] c.s. dat [eiser 1] in hun huishouden de financiële zaken verzorgde en dat [eiseres 2] daarmee geen bemoeienis had, als niet toereikend en weinig geloofwaardig terzijde stelde en terzake de vermelding van nadere bijzonderheden eiste (terwijl trouwens zonder nadere motivering, die ontbreekt, ook moeilijk valt in te zien welke bijzonderheden daaraan nog toe te voegen vielen). Voor wat betreft het feit dat de bankafschriften mede aan [eiseres 2] waren gericht verwijst het onderdeel naar subonderdeel 1d. Het betoogt verder dat het hof toch niet zal willen en kunnen betwisten dat het althans mogelijk is dat het in sommige gezinnen zo gaat dat één van de echtelieden zich met de financiële gang van zaken occupeert en dat de ander zich daar verre van houdt. Er is dan dus geen daadwerkelijke kennisneming van bankafschriften etc. en de bewijsconstructie van het hof (en al helemaal het onthouden van de mogelijkheid tot het leveren van tegenbewijs) deugt dan dus niet. 19. Het hof, dat terecht en door het middel niet bestreden ervan is uitgegaan dat voor verjaring van de bevoegdheid tot vernietiging aan de zijde van [eiseres 2] subjectieve bekendheid was vereist, is langs de bewijsrechtelijke weg, zoals het hof vrijstond (zie hierboven onder 9-12), op grond van de door Dexia gestelde en naar zijn oordeel onvoldoende door [eiser] c.s. betwiste feiten en omstandigheden tot de slotsom gekomen dat subjectieve bekendheid aanwezig geweest is meer dan drie jaar voordat [eiseres 2] heeft gepoogd de overeenkomsten te vernietigen. 's Hofs oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting omtrent de regels van stelplicht en bewijslast en omtrent de eisen die gelden voor toelating tot (tegen)bewijslevering. 's Hofs oordeel is evenmin onbegrijpelijk en behoefde geen nadere motivering. Voor een verdere toetsing is in cassatie geen plaats. Het middelonderdeel stuit in zijn geheel daarop af. Ik licht dat toe. 20. Het hof heeft met juistheid vooropgesteld dat op Dexia de plicht rustte feiten te stellen waaruit de gegrondheid van haar beroep op verjaring kan volgen en dat het daarbij gaat om feiten waaruit volgt dat de echtgenote van de belegger met de overeenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen. Deze feiten liggen, zo voeg ik hieraan toe, in het domein van de belegger en zijn echtgenote. Dat heeft invloed zowel op de vraag welke eisen aan de stelplicht van Dexia moeten worden gesteld als aan de eisen die aan de betwisting van het door Dexia gestelde moeten worden gesteld, zoals hiervoor uiteengezet. Het hof heeft geoordeeld dat Dexia aan haar stelplicht heeft voldaan doordat zij onweersproken heeft aangevoerd dat bedragen die [eiser 1] op grond van de leaseovereenkomsten aan Dexia was verschuldigd, zijn betaald vanaf de 'en/of'-rekening van [eiser] c.s. zodat het bestaan van de leaseovereenkomsten kenbaar was uit bankafschriften van de betrokken rekening en die bankafschriften mede aan [eiseres 2] waren gericht. Deze feiten wettigen immers, aldus het hof, de gevolgtrekking dat [eiseres 2] met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld (d.w.z. in september 2000), met het bestaan van de overeenkomsten bekend was. Het is dan aan [eiser 1] c.s. de stellingen van Dexia voldoende gemotiveerd te betwisten, dat wil zeggen feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit kan volgen dat bedoelde gevolgtrekking niet opgaat. Daarmee heeft het hof - anders dan subonderdeel 1a kennelijk wil betogen - niet geoordeeld dat uit bedoelde feiten noodzakelijkerwijs volgt dat [eiseres 2] kennis heeft genomen van de inhoud van de aan haar gerichte bankafschriften. Het heeft slechts geoordeeld dat Dexia aan haar stelplicht heeft voldaan omdat de door Dexia gestelde feiten de gevolgtrekking wettigen dat [eiseres 2] met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld, bekend was met de betrokken overeenkomst, waarna het aan [eiser 1] c.s. is de stellingen van Dexia voldoende gemotiveerd te betwisten, dat wil zeggen feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit kan volgen dat bedoelde gevolgtrekking niet opgaat. Dat oordeel acht ik niet onbegrijpelijk. Het oordeel geeft ook niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. 21. Bij de beoordeling van de vraag of [eiser] c.s. het door Dexia gestelde voldoende gemotiveerd hebben betwist, heeft het hof eerst weergegeven wat [eiser] c.s. ter weerlegging van het door Dexia gestelde hebben aangevoerd. Het hof heeft - in cassatie onbestreden - overwogen dat [eiser] c.s. het bovenstaande vrijwel uitsluitend hebben getracht te weerleggen met de stelling dat [eiser 1] in het door [eiser] c.s. gevoerde huishouden de financiële zaken verzorgde, waaronder het beheer van de hierboven bedoelde 'en/of'-rekening, dat [eiseres 2] daarmee geen bemoeienis had en geen kennis heeft genomen van de betrokken bankafschriften en dat zij dus niet door die afschriften bekend is geworden met het bestaan van de leaseovereenkomsten. Verder heeft [eiser 1] bedoelde bekendheid van [eiseres 2] getracht te weerleggen, aldus het hof in cassatie onbestreden, met de stelling dat verschuldigde rente op grond van de leaseovereenkomsten vooruit is betaald en dat [eiseres 2] niet uit een enkel bankafschrift in of omstreeks september 2000 met het bestaan van de overeenkomsten daadwerkelijk bekend is geworden. Het hof heeft vervolgens overwogen dat de stelling dat [eiseres 2] vanaf de totstandkoming van de leaseovereenkomsten in september 2000 geen kennis heeft genomen van bankafschriften van de gezamenlijke rekening van [eiser 1] en haarzelf waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld, nu die rekening op beider naam was gesteld en die afschriften mede aan [eiseres 2] waren gericht, evenwel dusdanig weinig geloofwaardig is dat [eiser 1] en [eiseres 2] hiermee onvoldoende hebben betwist dat laatstgenoemde door het oudste van de betrokken bankafschriften - en in ieder geval meer dan drie jaar voor de brief van 7 december 2004 waarmee [eiseres 2] de overeenkomsten trachtte te vernietigen - met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden. Daarbij heeft het hof mede in aanmerking genomen dat, ook indien slechts sprake was van een enkel bankafschrift waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld, die betalingen elk van substantiële omvang zijn geweest (te weten drie maal € 7.419,60) zodat niet aannemelijk is dat deze aan de aandacht van [eiseres 2] zijn ontsnapt. Het hof heeft voorts nog overwogen dat het voorgaande niet anders wordt door de stelling van [eiser] c.s. dat [eiser 1] in hun huishouden de financiële zaken verzorgde en dat [eiseres 2] daarmee geen bemoeienis had omdat deze stelling, ook indien juist, onverlet laat dat het bankafschrift waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten is vermeld, mede aan [eiseres 2] was gericht en dat weinig geloofwaardig is dat zij hiervan geen kennis heeft genomen. Het had daarom, ter onderbouwing van hun betwisting van de gestelde bekendheid, op de weg van [eiser 1] en [eiseres 2] gelegen concrete nadere omstandigheden aan te wijzen waaruit kan volgen dat laatstgenoemde, in weerwil van het voorgaande, niet met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend is geworden meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen, hetgeen zij hebben nagelaten. Het hof is tot de slotsom gekomen dat als vaststaand moet worden aangenomen dat [eiseres 2] met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend was meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen en, dus, dat haar bevoegdheid tot vernietiging was verjaard toen zij deze bedoelde uit te oefenen door de brief van 7 december 2004. Voor bewijslevering zoals door [eiser] c.s. aangeboden is dan geen plaats meer, aldus het hof. 22. 's Hofs oordeel dat [eiser] c.s. de stellingen van Dexia onvoldoende gemotiveerd hebben betwist, acht ik onjuist noch onbegrijpelijk. Het hof heeft niet blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot de eisen die het aan de motivering van de betwisting door [eiser] c.s. heeft gesteld. Zijn oordeel is ook niet onbegrijpelijk. Ik neem daarbij in aanmerking dat het hof de stellingen van [eiser] c.s. dat [eiseres 2] geen kennis genomen heeft van bankafschriften van de gezamenlijke rekening van [eiser 1] en haarzelf weinig geloofwaardig heeft geacht. Het hof betrekt in zijn oordeel terzake de omstandigheden dat:
- a)de en/of rekening op beider naam was gesteld en de afschriften mede aan [eiseres 2] waren gericht (waarbij uit het oordeel van het hof volgt dat de ontvangst van de bankafschriften geen geschilpunt vormt),
- b)[eiseres 2] vanaf de totstandkoming van de leaseovereenkomsten in september 2000 geen kennis zou hebben genomen van bankafschriften van de gezamenlijke rekening (ik lees dit aldus dat het hof in zijn beoordeling van de geloofwaardigheid van belang acht dat de stelling is betrokken dat vanaf september 2000 helemaal geen kennis zou zijn genomen van bankafschriften van de gezamenlijke rekening afgezet tegen bijvoorbeeld een vertraagde kennisneming van de afschriften),
- c)de betalingen elk van substantiële omvang zijn geweest zodat niet aannemelijk is dat deze aan de aandacht van [eiseres 2] zijn ontsnapt. Ongeloofwaardigheid van stellingen is een factor van gewicht bij de beantwoording van de vraag of sprake is van een voldoende gemotiveerde betwisting. Ongeloofwaardigheid of onaannemelijkheid geeft de rechter de ruimte de lat hoger te leggen voordat hij concludeert dat een stelling voldoende is onderbouwd. Ik verwijs naar de betogen van Van den Brink, De Bock en A-G Huydecoper hierboven onder 14-15 aangehaald; zie tevens het arrest HR 19 januari 2007, LJN AZ2048, NJ 2007, 61, rov. 3.4.3. Bij de vraag of sprake is van een voldoende gemotiveerde betwisting kan voorts in aanmerking worden genomen, zoals ik hierboven vooropstelde, dat feiten en omstandigheden ter nadere onderbouwing van de betwisting van de door Dexia gestelde bekendheid met de bankafschriften zich goeddeels in het domein van [eiser 1] en [eiseres 2] bevonden en dat het overigens gegevens betreft die zich voor een zekere (nadere) concrete feitelijke onderbouwing lenen. De stelling dat [eiser 1] in het huishouden de financiële zaken verzorgde en dat [eiseres 2] daarmee geen bemoeienis had, welke stelling niet met nadere gegevens omtrent de gang van zaken wordt geconcretiseerd, wordt door het hof - als deze stelling al waar zou zijn - te algemeen geacht nu die stelling niet impliceert dat [eiseres 2] geen kennis heeft genomen van de bankafschriften die mede aan haar waren gericht. Dit feitelijke oordeel acht ik niet onbegrijpelijk en het behoefde mijns inziens geen nadere motivering. 23. Over de klachten vervat in de diverse subonderdelen, kan ik na het hiervoor betoogde, kort zijn. 24. Subonderdeel 1a faalt omdat het hof, zoals hiervoor onder 20 reeds aangegeven, niet heeft miskend dat het enkele bestaan van c.q. het beschikken over een 'en/of'-rekening ten name van beide echtgenoten (nog) niet de conclusie rechtvaardigt dat beide echtelieden dan ook (noodzakelijkerwijs) kennis nemen resp. kennis hebben genomen van de (laat staan van alle) via die rekening plaatsgevonden hebbende transacties, resp. kennis hebben genomen van de (laat staan van alle) van die en/of rekening gezonden afschriften. Het hof heeft slechts geoordeeld dat Dexia aan haar stelplicht heeft voldaan omdat de door Dexia gestelde feiten de gevolgtrekking wettigen dat [eiseres 2] met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld, bekend was met de betrokken overeenkomst, zodat het aan [eiser] c.s. was de stellingen van Dexia voldoende gemotiveerd te betwisten, dat wil zeggen feiten en omstandigheden aan te voeren waaruit kan volgen dat bedoelde gevolgtrekking niet opgaat. Het oordeel omtrent de (aannemelijkheid) van de bekendheid bij [eiseres 2], en het daarmee verband houdende oordeel dat deze bekendheid onvoldoende gemotiveerd is betwist, acht ik niet onjuist of onbegrijpelijk en is voor het overige gebaseerd op waarderingen van feitelijke aard en behoort om die reden tot het domein van de feitenrechter. 25. Ook subonderdeel 1b faalt nu de ontvangst van de bankafschriften niet in geschil was tussen partijen, terwijl [eiser] c.s. ook geen feiten en omstandigheden hebben aangevoerd die meebrengen dat [eiseres 2] later dan de datum van ontvangst kennis heeft genomen van de bankafschriften, zodat het hof zijn oordeel dat [eiseres 2] met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld, met het bestaan van de overeenkomsten bekend was, niet nader behoefde te motiveren. 26. Subonderdeel 1c mist feitelijke grondslag. Het hof is niet slechts uitgegaan van een mogelijkheid voor [eiseres 2] om kennis te nemen van het oudste bankafschrift waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld; het hof heeft geoordeeld dat de door Dexia aangevoerde omstandigheden de gevolgtrekking wettigen dat [eiseres 2] met ingang van de ontvangstdatum van het oudste bankafschrift waarop betalingen ter zake van de leaseovereenkomsten zijn vermeld, met het bestaan van de leaseovereenkomsten bekend was. Het hof heeft aldus terecht bepalend geoordeeld op welk tijdstip de echtgenoot van wie de toestemming vereist is daadwerkelijk met het bestaan van de overeenkomst bekend is geworden zodat het hof het juiste criterium (subjectieve bekendheid) heeft gehanteerd. 27. Voor zover subonderdeel 1d tot uitgangspunt neemt dat het hof met de omstandigheid dat bankafschriften "mede aan [eiseres 2] waren gericht" bedoelt dat de desbetreffende bankafschriften ook speciaal (afzonderlijk) aan [eiseres 2] zijn verzonden, mist het feitelijke grondslag nu het hof daarmee slechts tot uitdrukking heeft gebracht dat de bankafschriften mede aan haar waren geadresseerd. Het subonderdeel faalt, voor zover het van deze juiste lezing uitgaat, op dezelfde gronden als subonderdeel 1a. 28. Subonderdeel 1e kan evenmin tot cassatie leiden, al stelt het met juistheid voorop dat aan het aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet de eis mag worden gesteld dat het is gespecificeerd. Dit heeft het hof evenwel niet miskend. Om aan (tegen)bewijslevering toe te komen, geldt dat voldoende moet zijn gesteld of stellingen voldoende gemotiveerd moeten zijn betwist. Indien een partij niet aan haar stelplicht voldoet of niet voldoende gemotiveerd betwist, kan zij reeds op die grond niet worden toegelaten tot het leveren van (tegen)bewijs. Zie HR 16 januari 2009, LJN BG3582, NJ 2009/54; HR 30 juni 2006, LJN AX3410; HR 3 december 2004, NJ 2005/160, m.nt. MMM; HR 8 oktober 2004, LJN AP1083, NJ 2006/478, m.nt. Hijma; HR 14 november 2003, LJN AK4841, NJ 2005/269; conclusie A-G Wissink voor HR 2 september 2011, LJN BQ3876 onder 2.42. Zie verder Thoe Schwartzenberg, a.w., p. 29, 31 en 157-158 en voorts Asser, a.w., p. 113. Nu het hof tot de slotsom is gekomen dat [eiser] c.s. de gestelde bekendheid met de leaseovereenkomsten meer dan drie jaar voordat zij heeft gepoogd deze te vernietigen onvoldoende gemotiveerd hebben betwist, zodat als vaststaand moet worden aangenomen dat [eiseres 2] daarmee toen al wel bekend was, kon het hof oordelen dat voor bewijslevering zoals door [eiser] c.s. aangeboden dan geen plaats meer is. Met de overwegingen dat het hof de stellingen van [eiser] c.s. "weinig geloofwaardig acht" heeft het hof geen verboden prognose gegeven, doch het heeft die omstandigheid betrokken in de beoordeling van de stel- en motiveringsplicht van partijen zoals hierboven bij de behandeling van subonderdeel 1a uiteengezet. 29. Subonderdeel 1f neemt terecht tot uitgangspunt dat het hof in de onvoldoende gemotiveerde betwisting door [eiser] c.s. reden heeft gezien om [eiser] c.s. niet tot bewijslevering toe te laten. De door het hof aan de motivering van de betwisting door [eiser] c.s. gestelde eisen gaan mijns inziens niet te ver, zoals hiervoor is toegelicht. Het hof behoefde [eiser] c.s. niet tot (tegen)bewijslevering toe te laten zoals bij de behandeling van middelonderdeel 1e aan de orde kwam. Deze oordelen van het hof zijn niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Middelonderdeel 2 30. Middelonderdeel 2 richt zich tegen rov. 4.8 van 's hofs eindarrest, waarin het hof de grief van [eiser] c.s. tegen de afwijzing door de rechtbank van de incidentele vordering tot voeging van [eiseres 2] heeft verworpen. Het middelonderdeel bevat vijf onderdelen, die hierna worden weergegeven. 31. Onderdeel 2a klaagt dat het oordeel van het hof blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting gelet op de ratio van de artt. 1:88/89 BW (juncto artt. 3:51/52 BW), te weten gezinsbescherming. Als men de echtgenoot die heeft gehandeld, ieder beroep in rechte op de vernietigingsgrond van art. 1:89 lid 1 BW ontzegt, komt van de (afwerende) gezinsbescherming in dit opzicht vaak niet veel (om niet te zeggen: niets) terecht nu een actie tot nakoming (hier: tot het betalen van restschulden) in het algemeen gericht zal zijn tegen de echtgenoot die heeft gehandeld zonder de vereiste toestemming. Bovendien houdt 's hofs arrest onvoldoende rekening met de aan art. 3:51 lid 3 BW verbonden ratio dat men, zolang de wederpartij stilzit, ook geen procedure behoeft te starten ter vernietiging van de rechtshandeling (Parl. Gesch Boek 3, TM, p. 232 en MvA II, p. 238). Aldus onderdeel 2a. Onderdeel 2b betoogt dat het onderscheid tussen art. 1:89 lid 1 BW dat slechts aan de 'andere echtgenoot' een vernietigingsgrond verschaft en art. 3:51 lid 3 BW als volgt kan worden opgelost. Slechts de andere echtgenoot kan een (ook afwerend) beroep op de vernietigingsgrond doen, maar als de andere echtgenoot een dergelijk (afwerend) beroep eenmaal heeft gedaan, staat niets in de weg aan een afwerend beroep in rechte van de echtgenoot die heeft gehandeld op het feit dat de andere echtgenoot dat (afwerend) beroep heeft gedaan. Onderdeel 2c strekt ten betoge dat het althans rechtens geen beletsel ontmoet dat de echtgenoot, van wie de toestemming is vereist maar niet verkregen, als gevoegde partij in het geding een afwerend beroep op de hier bedoelde vernietigingsgrond doet en aldus bewerkstelligt dat de echtgenoot die heeft gehandeld daaraan verweer kan ontlenen, zodat wordt bereikt dat de vordering tegen deze echtgenoot wordt afgewezen. Onderdeel 2d betoogt dat indien aan 's hofs arrest ten grondslag mocht liggen dat het hof oordeelde dat onvoldoende is gebleken dat [eiseres 2] een beroep op de nietigheidsgrond had gedaan en/of dat [eiser 1] in rechte zich erop beriep dat [eiseres 2] een beroep op de onderhavige nietigheidsgrond had gedaan, en/of dat [eiseres 2] als gevoegde partij een afwerend beroep op de onderhavige nietigheidsgrond heeft gedaan, waarop [eiser 1] zich als gedaagde heeft beroepen, dat dan 's hofs arrest op dit punt tenminste nadere motivering vereist. Onderdeel 2e betoogt dat gegrondbevinding van één of meer van voornoemde klachten tegen rov. 4.8 van 's hofs arrest ook de slotzin van rov. 4.8 vitieert, die inhoudt dat [eiseres 2] dus geen belang heeft bij de vordering tot voeging, zodat de rechtbank die vordering terecht heeft afgewezen en de grief vergeefs is voorgesteld. 32. De onderdelen 2a-2c strekken aldus ten betoge dat aan de echtgenoot die de rechtshandeling heeft verricht, ingevolge art. 3:51 lid 3 BW ten verwere een beroep toekomt op het ontbreken van zijn door art. 1:88 BW vereiste toestemming en dat zulks ook het geval is indien de bevoegdheid van de andere echtgenoot tot vernietiging van de zonder de vereiste toestemming verrichte rechtshandeling, is verjaard, althans dat een en ander zo is indien de andere echtgenoot zich beroept op deze vernietigingsgrond, althans indien de andere echtgenoot zulks doet als gevoegde partij in het geding. 33. Art. 1:88 BW wordt wel een gezinsbeschermende bepaling genoemd. Maar deze aanduiding is niet geheel nauwkeurig, zoals wordt toegelicht in Asser/De Boer I* 2010, nr. 238. Ingevolge art. 1:89 lid 1 BW komt uitsluitend aan de echtgenoot zonder wiens toestemming een rechtshandeling genoemd in art. 1:88 BW is verricht (aangeduid als 'de andere echtgenoot') de bevoegdheid toe de betrokken rechtshandeling te vernietigen. De echtgenoot die de rechtshandeling heeft verricht (hierna ook: de handelende echtgenoot) komt deze bevoegdheid niet toe. Art. 1:88 BW strekt aldus tot bescherming van de andere echtgenoot. En daarmee - zo kan men betogen - ook van het gezin waarvan deze deel uitmaakt. Heeft immers de andere echtgenoot tijdig gebruik gemaakt van de hem/haar toekomende bevoegdheid de betrokken rechtshandeling te vernietigen, dan werkt de vernietiging terug tot het tijdstip waarop de rechtshandeling is verricht (art. 3:53 lid 1 BW). Ook de handelende echtgenoot kan dan een beroep doen op (het rechtsfeit van) de door de andere echtgenoot met succes ingeroepen nietigheid indien hij door de wederpartij wordt aangesproken uit hoofde van de rechtshandeling. Ingevolge art. 1:89 lid 5 BW kan de andere echtgenoot na de (tijdige) vernietiging tevens alle uit de nietigheid voortvloeiende rechtsvorderingen instellen, al was hij/zij niet zelf partij bij de rechtshandeling. 34. Art. 1:89 BW is een verbijzondering van de regeling van art. 3:49 e.v. BW waarin de vernietiging van een vernietigbare rechtshandeling is geregeld. Zie Asser/De Boer I*, 2010, nr. 255. De regeling van art. 3:49 e.v. BW, die bij de behandeling van middelonderdeel 1 ook reeds ter sprake kwam, houdt het volgende in. Degene in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, kan de rechtshandeling buiten rechte door middel van een buitengerechtelijke verklaring vernietigen op de voet van art. 3:50 BW. De vernietigbare rechtshandeling kan ook worden vernietigd door een rechterlijke uitspraak doordat degene in wiens belang de vernietiginggrond is gegeven zich in rechte op de vernietigingsgrond beroept, hetzij in de vorm van een rechtsvordering hetzij bij wege van verweer (het zogenoemde exceptief verweer). Art. 3:52 BW regelt de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging. Het tweede lid bepaalt dat na de verjaring van de rechtsvordering tot vernietiging, deze rechtshandeling niet meer op dezelfde vernietigingsgrond door een buitengerechtelijke verklaring kan worden vernietigd. Art. 3:51 lid 3 BW bepaalt evenwel dat een beroep in rechte op een vernietigingsgrond te allen tijde kan worden gedaan ter afwering van een op de rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel. De ratio van deze regeling inzake het exceptieve verweer is dat zolang de wederpartij stilzit en deze blijkbaar geen gebruik wil maken van de gebrekkige rechtshandeling, ook de partij in wiens belang de vernietigingsgrond is gegeven, geen initiatief behoeft te nemen. Zie over art. 3:51 lid 3 BW en de daaraan ten grondslag liggende ratio Asser/Hartkamp & Sieburgh 6-III 2010, nr. 623 en Parl. Gesch. Boek 3, p. 232. Zie voorts Jac. Hijma, Nietigheid en vernietigbaarheid van rechtshandelingen, diss. Leiden 1988, p. 159-161, die van oordeel is dat deze bepaling kan worden gemist nu naar huidig recht, anders dan naar oud recht waaraan deze bepaling is ontleend, de buitengerechtelijke weg tot vernietiging openstaat. Hijma is van oordeel dat gelet op de naar huidig recht geopende mogelijkheid van de vernietiging bij buitengerechtelijke verklaring wel degelijk van de partij die zich op de vernietigingsgrond kan beroepen, kan worden verlangd dat hij actie onderneemt. Verstrijken de drie aan de offensieve vernietiging verbonden jaren onbenut, dan kan, zo luidt zijn slotsom, gevoeglijk ook de zuiver offensieve optie worden afgesneden. Het exceptieve verweer van art. 3:51 lid 3 BW is evenwel onverkort gehandhaafd. 35. Zoals gezegd, kan ingevolge art. 3:51 lid 3 BW een beroep op een vernietigingsgrond te allen tijde worden gedaan ter afwering van een op de vernietigbare rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel. Daarbij zij bedacht dat de regeling van art. 3:49 e.v. BW is geschreven voor uiteenlopende gronden van vernietiging zoals de in art. 3:52 lid 1 onder a-c genoemde gronden, te weten onbekwaamheid, bedreiging, misbruik van omstandigheden, bedrog, dwaling of benadeling. Het betreft in die gevallen steeds gronden voor vernietiging die zijn gegeven in het belang van degene die de rechtshandeling heeft verricht en met een op die rechtshandeling steunende vordering of andere rechtsmaatregel kan worden aangesproken. De regeling ziet ook op andere vernietigingsgronden zoals de in art. 1:88 BW genoemde grond, waarbij het gaat om een vernietigingsgrond die niet is gegeven in het belang van de handelende echtgenoot en ook niet door hem kan worden ingeroepen, maar om een vernietigingsgrond die alleen kan worden ingeroepen door de andere echtgenoot die geen partij is bij de rechtshandeling. 36. Het middelonderdeel stelt de vraag aan de orde of de verwerende exceptie van art. 3:51 lid 3 BW soelaas kan bieden ingeval de andere echtgenoot de verjaringstermijn van art. 3:52 BW ongebruikt heeft laten verstrijken, met als gevolg dat de rechtshandeling niet langer door de andere echtgenoot kan worden vernietigd en de handelende echtgenoot zich in zoverre ook niet kan beroepen op een tijdige rechtsgeldige vernietiging door de andere echtgenoot ingeval deze alsnog een buitengerechtelijke verklaring aflegt. Het antwoord moet ontkennend luiden zoals uit het hierna volgende moge blijken. 37. Nu art. 1:89 lid 1 BW, dat een verbijzondering is van de regeling van art. 3:49 e.v. BW, bepaalt dat slechts de andere echtgenoot de in haar/zijn belang gegeven grond tot vernietiging kan inroepen, moet worden aangenomen dat de handelende echtgenoot niet langs de weg van art. 3:51 lid 3 BW toch de niet in zijn/haar belang gegeven vernietigingsgrond kan inroepen ingeval de andere echtgenoot de verjaringstermijn van art. 3:52 BW ongebruikt heeft laten verstrijken, met als gevolg dat de rechtshandeling niet langer door deze kan worden vernietigd. Voor de buitengerechtelijke verklaring is in art. 3:50 lid 1 BW uitdrukkelijk bepaald dat deze wordt uitgebracht door degene in wiens belang de vernietigingsgrond bestaat, in dit geval dus de andere echtgenoot. Voor het vernietigingsberoep in rechte dient hetzelfde te worden aangenomen. vgl. Tekst & Commentaar Burgerlijk Wetboek