Nr. 10/02572 P
(2)= 45.000,00- kosten totaal153.962,00 totale opbrengst322.513,00 minus vergoeding mensen Schiphol (30%) 96.753,90- opbrengst voor [betrokkene] en [betrokkene 2]225.759,10 deel [betrokkene] (50 %)112.879,55 =wederrechtelijk verkregen voordeel"
- De steller heeft wel een punt als hij opmerkt dat de rekenwijze van het hof vragen oproept. In zijn alternatieve berekening wordt het voordeel van [A] en de kosten voor de "mensen op Schiphol" in een keer verrekend in de aftrek van 4,5 kilo cocaïne. Met de steller van het middel ben ik het eens dat het een verschil maakt of bij de berekening van het voordeel 30% van de opbrengst voor of na kostenaftrek in mindering wordt gebracht.
- Het middel slaagt derhalve. Ik heb mij afgevraagd of de Hoge Raad zelf met toepassing van de juiste berekening het wederrechtelijk verkregen vermogen zou kunnen vaststellen en de zaak zou kunnen afdoen. Ik meen van wel, nu het hof in zijn uitgangspunten uitdrukkelijk heeft overwogen dat 30% van de ingevoerde partij cocaïne voor de betaling is afgedragen. Dat kan, meen ik, niet anders uitgelegd worden dan dat 30% van de cocaïne, zijnde 4,5 kilogram, is afgedragen. Het komt mij voor dat de Hoge Raad met toepassing van de correcte berekening zelf het door veroordeelde verkregen wederrechtelijk verkregen voordeel kan vaststellen en de door het hof in het kader van de overschrijding van de redelijke termijn toegepaste vermindering van ruim 10% kan toepassen, hetgeen zou resulteren in een betalingsverplichting ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel van (afgerond) EUR 80.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak voor wat betreft de vaststelling van het wederechtelijk verkregen vermogen en het bedrag dat aan veroordeelde als verplichting tot betaling aan de Staat is opgelegd, tot vaststelling van het wederrechtelijk vermogen op een bedrag van EUR 89.785,25 en tot het opleggen aan veroordeelde van de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag van EUR 80.000, met vermindering van dat bedrag, vanwege de overschrijding van de inzendtermijn in cassatie, in de mate die de Hoge Raad goeddunkt. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Heden concludeer ik tevens in een strafzaak tegen veroordeelde, nummer 10/
- Deze strafzaak hangt echter niet samen met de onderhavige zaak. De onderhavige zaak is gebaseerd op de feiten zoals bewezenverklaard door het hof te Amsterdam in zijn arrest van 14 april
- 2 Het hof geeft in de aanvulling verkort arrest aan dat het per abuis "EUR 5.000" heeft opgenomen in plaats van EUR 3.
- De uitkomst van EUR 45.000 klopt echter wel.