Nr. 11/02426 E Mr Jörg Zitting 13 december 2011 Conclusie inzake: [Verzoeker = verdachte]
(1)Hij heeft het, naar zijn zeggen, op de markt gekocht, maar daarmee is niet het bewijs geleverd dat het van een niet-erkende handelaar is gekocht, of dat het niet anders kan dan dat hij het van een niet-erkende handelaar heeft gekocht. Als ik over de zaterdagmarkt in Groningen loop zie ik daar heel veel kraampjes van professionele verkopers, waarvan ik zonder meer aanneem dat zij voldoen aan de eisen van vakbekwaamheid en erkenning, indien zulks zou zijn vereist.
- Op zichzelf is de klacht in het middel dus wel terecht, maar toch leidt dit niet tot cassatie, omdat het hof het verweer, indien in de juiste sleutel gezet, slechts had kunnen verwerpen. Immers, de enkele mededeling dat verzoeker niet wist dat hij met verboden vuurwerk te maken had en dat hij dit op de markt had gekocht, komt in de verste verte niet in de buurt van verontschuldigbare onwetendheid van de verboden karakter van het bij hem aangetroffen vuurwerk. Wil dat verweer kunnen slagen zal verzoeker toch met heel wat meer omstandigheden moeten aankomen om te onderbouwen dat hem van dat gebrek aan wetenschap in het geheel geen verwijt valt te maken.
- Het derde middel klaagt dat het hof had moeten onderzoeken of aanleiding bestond artikel 55, 56 of 57 Sr toe te passen, zodat de kwalificatiebeslissing en/of strafoplegging onvoldoende met redenen is omkleed.
- Aan de verdachte is ten laste gelegd dat: "hij op of omstreeks 4 november 2007 te Schiedam, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een (of meer) ander(en), althans alleen, al dan niet opzettelijk, consumentenvuurwerk, te weten 40, in elk geval een of meer signaalraket(ten), (Signalrakete 901), voorhanden heeft gehad, ten aanzien waarvan niet werd voldaan aan de bij het Vuurwerkbesluit gestelde eisen of ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 24, derde lid, Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels, immers, a. was voornoemd vuurwerk (telkens) niet voorzien van de aanduiding "Geschikt voor particulier gebruik", en/of b. was voornoemd vuurwerk (telkens) niet voorzien van een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en/of waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en/of omstanders kon ontstaan, en/of c. was/waren genoemde signaalraket(ten) (telkens) in strijd met het bepaalde in Bijlage III van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004 voorzien van een lading (voor knaleffect) welke niet uitsluitend bestond uit zwart buskruit."
- De tenlastelegging vermeldt voorts: "[artikel 1a, 2 en 6 Wet op de economische delicten juncto artikel 24 Wet milieugevaarlijke stoffen juncto artikel 1.2.2 lid 1 onder a van het Vuurwerkbesluit, artikel 2.1.3 lid 1 Vuurwerkbesluit]"
- Het hof heeft daarvan bewezenverklaard hetgeen hiervoor onder 3 is opgenomen.
- Het hof heeft het bewezenverklaarde gekwalificeerd als: "opzettelijke overtreding van een voorschrift, gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen en opzettelijke overtreding van een voorschrift gesteld krachtens artikel 39 van de Wet milieugevaarlijke stoffen". Voorts houdt het bestreden arrest, voor zover hier relevant, in: "Toepasselijke wettelijke voorschriften Het hof heeft gelet op de artikelen 9, 22c en 22d van het Wetboek van Strafrecht, de artikelen 1a, 2 en 6 van de Wet op de economische delicten, de artikelen 24 en 29 van de Wet milieugevaarlijke stoffen, de artikelen 1.2.2 en 2.1.3 van het Vuurwerkbesluit en artikel 9 van de Regeling nadere eisen aan vuurwerk 2004, zoals zij golden ten tijde van het bewezenverklaarde".
- Voor de bespreking van het middel is de volgende regelgeving van belang.
- In art. 1 van de Wet milieugevaarlijke stoffen wordt als definitie van het begrip "stoffen" gegeven: "chemische elementen en hun verbindingen, zoals deze voorkomen in de natuur of door toedoen van de mens worden voortgebracht." Met "preparaten" wordt gedoeld op "mengsels of oplossingen van stoffen."
- Art. 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen luidt als volgt: "
- Bij algemene maatregel van bestuur kunnen, indien een redelijk vermoeden is gerezen dat door handelingen met stoffen of preparaten ongewenste effecten zullen ontstaan voor mens of milieu, regelen worden gesteld met betrekking tot het vervaardigen, in Nederland invoeren, toepassen, voorhanden hebben, aan een ander ter beschikking stellen, vervoeren, uitvoeren en zich ontdoen van deze stoffen of preparaten.
- Hiertoe kunnen behoren regelen, inhoudende: a. een verbod een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen te verrichten met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten; b. een verbod zodanige handeling te verrichten op een bij de maatregel aangegeven wijze, voor daarbij aangegeven doeleinden, op daarbij aangegeven plaatsen of onder daarbij aangegeven omstandigheden; c. een verbod een handeling als onder a of b bedoeld te verrichten zonder vergunning, verleend door Onze Minister; d. een verbod zodanige handeling te verrichten indien met betrekking tot de stoffen of preparaten niet aan bij de maatregel gestelde eisen wordt voldaan; e. een verbod zodanige handeling te verrichten indien bij degene die die handeling verricht, niet de bij de maatregel aangegeven deskundigheid aanwezig is; f. een verbod zodanige handeling te verrichten met betrekking tot produkten, indien deze daarbij aangewezen stoffen of preparaten bevatten, of indien deze zodanige stoffen of preparaten bevatten in grotere dan daarbij aangegeven hoeveelheden; g. een verbod bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten toe te passen in produkten die niet behoren tot een type dat bij een keuring, verricht aan de hand van de bij de maatregel daartoe vastgestelde regelen, is goedgekeurd; h. een verbod bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten ter beschikking te stellen aan een daarbij aangewezen categorie van personen; i. een verplichting een of meer van de in het eerste lid genoemde handelingen met betrekking tot bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, te melden op een daarbij aangegeven wijze aan een daarbij aangewezen bestuursorgaan onder overlegging van daarbij aangegeven gegevens; j. een verplichting met betrekking tot zodanige handelingen volgens bij de maatregel gestelde regelen controle-onderzoeken te verrichten en de resultaten van die onderzoeken op de bij de maatregel aangegeven wijze aan Onze Minister over te leggen; k. een verplichting bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, na toepassing terug te zenden aan degene die die stoffen, preparaten of produkten ter beschikking heeft gesteld; l. een verplichting bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, af te geven aan daarbij aangewezen personen of instellingen; m. een verplichting voor degenen die bij de maatregel aangewezen stoffen of preparaten of daarbij aangewezen categorieën van produkten waarin die stoffen of preparaten voorkomen, vervaardigen, in Nederland invoeren of aan een ander ter beschikking stellen, voor daarbij aangewezen personen of instellingen die krachtens de Wet milieubeheer bevoegd zijn tot of vergunning hebben voor het nuttig toepassen of verwijderen van gevaarlijke afvalstoffen, dan wel voor bij de maatregel aangewezen bestuursorganen, om die stoffen, preparaten of produkten in te zamelen.
- Onze Minister kan omtrent in een maatregel krachtens het eerste lid geregelde onderwerpen nadere regels stellen."
- Art. 39 van dezelfde Wet luidt: "
- De artikelen 34 tot en met 38 zijn van overeenkomstige toepassing op de verpakking en aanduiding en op het aanbevelen en aanprijzen van stoffen waaraan met het oog op de stabiliteit hulpstoffen zijn toegevoegd of waarbij onzuiverheden voorkomen.
- Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de verpakking en de aanduiding van andere preparaten en met betrekking tot het aanbevelen en aanprijzen daarvan. Daarbij kan worden bepaald dat die regelen alleen gelden in daarbij aangewezen gevallen of voor daarbij aangewezen preparaten, en kunnen de artikelen 34 tot en met 38 geheel of gedeeltelijk van overeenkomstige toepassing worden verklaard.
- Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de aanduiding van preparaten waarin daarbij aangewezen stoffen voorkomen, alsmede met betrekking tot de aanduiding van produkten waarin daarbij aangewezen stoffen of preparaten voorkomen. Daarbij kan worden bepaald dat die regelen alleen in daarbij aangewezen gevallen gelden.
- Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat in daarbij aangewezen gevallen de artikelen 34 tot en met 38 geheel of voor een daarbij te bepalen gedeelte niet van toepassing zijn: a. ter uitvoering van een krachtens het Verdrag betreffende de Europese Unie tot stand gekomen bindende regeling; b. indien onverkorte toepassing van die artikelen in het belang van de bescherming van mens en milieu niet noodzakelijk is.
- Bij of krachtens een algemene maatregel van bestuur als bedoeld in het vierde lid kunnen regelen worden gesteld met betrekking tot de in de artikelen 34 tot en met 38 geregelde onderwerpen."
- In de artikelen 34 tot en met 38 van de Wet milieugevaarlijke stoffen worden diverse voorschriften geformuleerd met betrekking tot de eisen waaraan de verpakking van bepaalde milieugevaarlijke stoffen moet voldoen. Het tweede lid van art. 34 somt een aantal categorieën stoffen op, waaronder - in het onderhavige geval van belang - de categorie ontplofbaar, en (zeer) licht ontvlambaar, waarbij verschillende eisen aan verpakking en aanduiding daarvan kunnen worden gesteld.
- Het Vuurwerkbesluit (Besluit van 22 januari 2002, Stb. 2002, 33) strekt blijkens de aanhef onder meer tot uitvoering van art. 24 en 39, derde lid van de Wet milieugevaarlijke stoffen. In art. 1.1.
- wordt vuurwerk gedefinieerd als: "een product of voorwerp waarin of waarop een sas aanwezig is en dat bestemd is om voor vermakelijkheidsdoeleinden tot ontbranding gebracht te worden". Het begrip "sas" wordt vervolgens gedefinieerd als "ontstekingsmiddel, bestaande uit een pyrotechnische stof, een pyrotechnisch preparaat of een andere stof of preparaat met een gelijksoortige werking als een pyrotechnische stof of pyrotechnisch preparaat, met inbegrip van eventuele toevoegingen". Consumentenvuurwerk wordt in dezelfde bepaling omschreven als vuurwerk dat is bestemd voor particulier gebruik.
- Art. 1.2.2, eerste lid, van het Vuurwerkbesluit luidde - voor zover hier van belang - als volgt: "Het is verboden, behoudens het bepaalde in de artikelen 1.3.1, derde lid, 2.1.2, tweede lid, en 2.1.3, vijfde lid, consumentenvuurwerk: a. binnen het grondgebied van Nederland te brengen, te vervaardigen, toe te passen, voorhanden te hebben, of aan een ander ter beschikking te stellen, ten aanzien waarvan niet wordt voldaan aan de bij dit besluit gestelde eisen of de ter uitwerking van dit besluit krachtens artikel 24, derde lid, van de Wet milieugevaarlijke stoffen gestelde regels."
- In art. 2.1.3 van het Besluit wordt - voor zover hier van belang - bepaald dat: "
- Consumentenvuurwerk moet zijn voorzien van: a. de aanduiding: Geschikt voor particulier gebruik; (...) e. een gebruiksaanwijzing met zodanige aanwijzingen en waarschuwingen dat bij het dienovereenkomstig handelen geen letsel of schade bij de gebruiker en omstanders kan ontstaan. (...)"
- De in het eerste lid bedoelde aanduiding en de in het eerste en tweede lid bedoelde gegevens en de bijsluiter, bedoeld in het derde lid, zijn in de Nederlandse taal gesteld, begrijpelijk en duidelijk leesbaar."
- Anders dan art. 39, derde lid van de Wet milieugevaarlijke stoffen biedt art 24, eerste en tweede lid van die wet de mogelijkheid bij algemene maatregel van bestuur verboden te formuleren met betrekking tot in die bepaling bedoelde stoffen. De hiervoor geciteerde bepalingen uit het Vuurwerkbesluit, die immers verboden inhouden, kunnen dus niet berusten op art. 39, derde lid van genoemde wet.
- Het hof heeft bewezenverklaard dat de in art. 2.1.3 van het Vuurwerkbesluit geëiste aanduidingen en gebruiksaanwijzing bij het door de verdachte voorhanden gehouden consumentenvuurwerk, ontbraken. Het bewezenverklaarde had derhalve dienen te worden gekwalificeerd als "opzettelijk handelen in strijd met een voorschrift, gesteld krachtens artikel 24 van de Wet milieugevaarlijke stoffen."