10/04249 mr. De Vries Lentsch-Kostense Parket 23 december 2011 Conclusie inzake [De vrouw] tegen [De man] Inleiding
(2005), nr. 213 met verwijzing naar HR 20 april 1979, LJN AC6561, NJ 1980/156 en HR 22 oktober 1982, LJN AG4459, NJ 1982/
- De vraag of de tweede aanvullende klacht moet worden aangemerkt als een klacht die de vrouw ook had kunnen aanvoeren zonder van het proces-verbaal kennis te hebben genomen, kan in het midden blijven aangezien het middel zoals dat is geformuleerd in het cassatieverzoekschrift en is aangevuld in de eerste aanvullende klacht in het aanvullende verzoekschrift, moet slagen. Ik licht dit als volgt toe.
- De overweging van de rechtbank waarmee het hof zich in zijn gewraakte rov. 3.11 heeft verenigd, houdt het volgende in. De rechtbank, die gelet op het verzoek van de man uitsluitend de vraag had te beantwoorden of de alimentatie moest worden verlaagd met ingang van een latere datum dan 10 maart 2008 (de datum van het inleidend verzoekschrift), heeft haar oordeel dat zij geen reden zag de alimentatie met ingang van een latere datum te wijzigen, aldus gemotiveerd dat de vrouw vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een verlaging van de onderhoudsbijdrage en daarmee, zo teken ik hierbij aan, met een terugbetalingsverplichting. De rechtbank heeft daaraan een overweging toegevoegd met betrekking tot de wijze van terugbetaling, welke overweging mijns inziens daarmee verband houdt dat aan de rechter die een verlaging van de alimentatie met terugwerkende kracht toestaat, op grond van art. 1:402 lid 3 BW de bevoegdheid toekomt een terugbetaling in termijnen toe te staan, ook als de alimentatiegerechtigde daar niet uitdrukkelijk om heeft gevraagd. (Vgl. Asser/De Boer 1* 2010, nr. 1049.) De rechtbank heeft overwogen dat de vrouw hetgeen zij ter zake van de alimentatie teveel van de man heeft ontvangen eerst dient terug te betalen in het kader van de definitieve afwikkeling van de verdeling van de huwelijksgemeenschap. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat de vrouw dan over vermogen zal beschikken.
- Het hof had, gelet op het in appel gewijzigde verzoek van de man en het incidentele appel van de vrouw, niet alleen te oordelen over de vraag of de alimentatie kon worden verlaagd met ingang van 10 maart 2008 en daarmee met ingang van een vóór zijn uitspraak gelegen datum, maar ook over de vraag of de alimentatie al dan niet moest worden verlaagd met ingang van 16 augustus 2005, met als gevolg dat op de vrouw een aanzienlijke terugbetalingsverplichting zou komen te rusten. Tegen de achtergrond van het hierboven vooropgestelde, kom ik tot de slotsom dat de motivering die het hof in zijn gewraakte rov. 3.11 heeft gegeven voor zijn oordeel dat de alimentatie moet worden verlaagd met ingang van 16 augustus 2005, niet voldoet aan de eisen die daaraan moeten worden gesteld. Het hof heeft immers volstaan met de overweging dat het zich geheel kan verenigen met hetgeen de rechtbank heeft overwogen ten aanzien van de terugbetaling door de vrouw aan de man van teveel betaalde alimentatie en de wijze waarop dat dient te geschieden. Reeds omdat de motivering van de rechtbank slechts zag op een verlaging van de alimentatie met ingang van 10 maart 2008, heeft het hof daarmee geenszins inzichtelijk gemaakt waarom van de vrouw naar zijn oordeel kon worden gevergd dat zij terugbetaalt hetgeen zij in de periode vanaf 16 augustus 2005 teveel aan alimentatie heeft ontvangen. Zoals hiervoor uiteengezet, heeft de rechtbank haar beslissing om de alimentatie met ingang van 10 maart 2008 (de datum van het inleidend verzoekschrift) te wijzigen, gemotiveerd met de overweging dat de vrouw vanaf die datum rekening heeft kunnen houden met een verlaging van de onderhoudsbijdrage gelet op het in het inleidend verzoekschrift geformuleerde wijzigingsverzoek van de man. Voor de beslissing van het hof om de wijziging van de alimentatie te laten ingaan op 16 augustus 2005 geldt evenwel niet dat de vrouw vanaf die datum - gelet op het inleidend verzoekschrift van de man - rekening heeft kunnen houden met een verlaging van de onderhoudsbijdrage. De beslissing van het hof brengt mee dat de vrouw een veel groter bedrag zal moeten terugbetalen dan waartoe zij was gehouden op grond van de uitspraak van de rechtbank; de vrouw stelt dat het gaat om in totaal ongeveer € 95.000,-. De vrouw heeft in de door het cassatieverzoekschrift genoemde passages van het verweerschrift tevens houdende incidenteel appel en voorts tijdens de zitting van het hof blijkens de door het aanvullend verzoekschrift genoemde passages uit het proces-verbaal, expliciet aangevoerd dat het laten ingaan van een verlaging van de onderhoudsbijdrage met terugwerkende kracht ingrijpende gevolgen voor haar zal hebben aangezien zij niet in staat is de door haar ontvangen alimentatie - die zij in lijn met haar vastgestelde behoefte heeft uitgegeven - terug te betalen nu het gaat om een zeer aanzienlijk bedrag en zij een laag inkomen heeft en niet over vermogen beschikt en het nog maar valt te bezien of zij nog geld zal krijgen uit de verdeling van de huwelijksgemeenschap. Het hof was dan ook gehouden te motiveren waarom van de vrouw terugbetaling kan worden verlangd van hetgeen zij teveel aan alimentatie heeft ontvangen. Door te overwegen dat het zich geheel kan verenigen met hetgeen de rechtbank omtrent de terugbetaling door de vrouw heeft overwogen, heeft het hof nagelaten inzichtelijk te maken om welke reden van de vrouw terugbetaling kan worden verlangd van teveel betaalde alimentatie vanaf 16 augustus 2005 nu hetgeen de rechtbank omtrent de terugbetaling heeft overwogen slechts betrekking heeft op de periode vanaf 10 maart 2008 en de vrouw voorts ook in appel expliciet heeft aangevoerd dat terugbetaling van teveel alimentatie ingrijpende gevolgen voor haar heeft. Het middel zoals dat is geformuleerd in het cassatieverzoekschrift en is aangevuld in de eerste aanvullende klacht van het aanvullende verzoekschrift, moet derhalve slagen. Conclusie De conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden beschikking en tot verwijzing ter verdere behandeling en beslissing. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden