← Nederland

ECLI:NL:PHR:2012:BU9920

10/01194 mr. Keus Zitting 9 december 2011 Conclusie inzake: de publiekrechtelijke rechtspersoon Luchtverkeersleiding Nederland (hierna: LVNL) eiseres tot cassatie, verweerster in het incidentele cassatieberoep tegen de besloten vennootschap Chip(s)hol III B.V. (hierna: Chipshol) verweerster in cassatie, eiseres in het incidentele cassatieberoep Het gaat in deze zaak om de vraag of LVNL jegens Chipshol aansprakelijk is voor door Chipshol bij de ontwikkeling van het Groenenbergterrein bij Schiphol opgelopen vertraging. In cassatie is onder meer aan de orde of de mededelingen die LVNL naar aanleiding van de bouwplannen van Chipshol heeft gedaan, door de formele rechtskracht van besluiten van de betrokken overheden worden gedekt en al dan niet juist en volledig waren. 1. Feiten

(1)en procesverloop 1.1 Chipshol, een gebiedsontwikkelaar in de Schipholregio, heeft in 1990 een terrein van 38,5 ha nabij de luchthaven Schiphol gekocht en op 22 december 1993 de economische eigendom daarvan verworven. Het gaat om het zogenoemde Groenenbergterrein. Dat terrein ligt aan de kop van de Aalsmeerbaan, een van de landingsbanen van de luchthaven Schiphol. 1.2 Chipshol stelde en stelt zich ten doel de door haar verworven grond ten behoeve van bedrijfsgebouwen en kantoren te ontwikkelen. 1.3 De ligging van het Groenenbergterrein aan de kop van de Aalsmeerbaan brengt mee dat bebouwing of andersoortig gebruik van het terrein een veiligheidsrisico voor het luchtverkeer kan meebrengen. In het bijzonder kan de werking van het Instrument Landing System (hierna: ILS) door het gebruik van het terrein negatief worden beïnvloed. 1.4 Bij de door haar voorgenomen ontwikkeling van het Groenenbergterrein diende Chipshol rekening te houden met de grenzen die de luchtverkeersbeveiliging stelt. 1.5 LVNL is ingesteld bij de Wet Luchtvaart en is sinds 1993 een zelfstandig bestuursorgaan. LVNL heeft een belangrijke taak bij het waarborgen van de luchtverkeersbeveiliging rondom de luchthaven Schiphol. Zo adviseert zij overheden over de gevolgen van ruimtelijke plannen nabij de luchthaven Schiphol voor communicatie-, navigatie- en radioapparatuur, veiligheidsaspecten en zichtlijnen. Als de aan haar, LVNL, voorgelegde plannen de werking van de voorzieningen die de luchtverkeersveiligheid moeten verzekeren in relevante mate verstoren, adviseert zij negatief over die plannen. LVNL heeft een rechtsvoorganger, Luchtverkeersbeveiliging. In het navolgende zal met LVNL in voorkomend geval mede die rechtsvoorganger worden aangeduid. 1.6 LVNL adviseert sinds 1996 over plannen die Chipshol voor het Groenenbergterrein heeft ontwikkeld. Tot in het jaar 2005 heeft zij zich naar aanleiding van het door Chipshol voorgenomen gebruik van het terrein op het standpunt gesteld dat eventuele bebouwing niet hoger mocht worden dan 3 respectievelijk 0 m
(2). In het bijzonder was haar oordeel dat het door Chipshol voorgenomen gebruik van het Groenenbergterrein zou leiden tot decategorisering van de Aalsmeerbaan, waardoor deze landingsbaan (veel) minder intensief zou kunnen worden benut, en in elk geval niet bij minder goede weersomstandigheden. Haar standpunt heeft zij niet alleen bekend gemaakt aan Chipshol maar ook aan de gemeente Haarlemmermeer, aan de NV Luchthaven Schiphol, aan de minister van Verkeer en Waterstaat en de directeur-generaal van Rijkswaterstaat. Het heeft een rol gespeeld in een reeks procedures, zowel van civielrechtelijke als van bestuursrechtelijke aard, en heeft geleid tot voor Chipshol nadelige uitkomsten. 1.7 Bij brief van 18 oktober 2005 aan Schiphol heeft LVNL na een nieuwe beoordeling van de toenmalige bouwplannen van Chipshol (op basis van een bestektekening van 27 maart 2003) medegedeeld dat die voorgenomen bebouwing een verstoring van het ILS meebracht maar dat deze verstoring niet van zodanige omvang was dat voor decategorisering van de landingsbaan moest worden gevreesd. Dit was de eerste maal dat LVNL positief over de bebouwingsplannen van Chipshol voor het Groenenbergterrein oordeelde. 1.8 Chipshol heeft zich op het standpunt gesteld dat LVNL al jarenlang ervan op de hoogte was dat bebouwing op het Groenenbergterrein wel degelijk mogelijk was, alsmede dat LVNL haar ten onrechte jarenlang onkundig heeft gelaten van die bebouwingsmogelijkheden, met als gevolg dat zij vertragingsschade heeft geleden. LVNL heeft dit bestreden. LVNL heeft ook betwist dat zij door onjuiste mededelingen te doen over het veiligheidsrisico het door Chipshol voorgenomen gebruik van het Groenenbergterrein heeft vertraagd en daardoor Chipshol schade heeft berokkend. 1.9 Chipshol heeft LVNL bij exploot van 7 maart 2006 voor de rechtbank Haarlem gedagvaard. Zij heeft gevorderd dat de rechtbank voor recht verklaart dat LVNL jegens Chipshol onrechtmatig heeft gehandeld door vanaf medio 1996 tot 3 oktober 2005, althans gedurende een andere door de rechter te bepalen periode, te stellen dat de bouwinitiatieven van Chipshol voor het Groenenbergterrein desastreuze gevolgen voor de gebruiksmogelijkheden van de Aalsmeerbaan zouden hebben
(3), en dat de rechtbank LVNL tot schadevergoeding veroordeelt. LVNL heeft verweer gevoerd en een reconventionele vordering ingesteld; deze reconventionele vordering is in cassatie niet meer aan de orde. 1.10 Na bij vonnis van 5 juli 2006 een comparitie van partijen te hebben gelast, welke comparitie op 18 september 2006 heeft plaatsgehad, heeft de rechtbank bij vonnis van 14 november 2007 de vorderingen zowel in conventie als in reconventie afgewezen. In conventie heeft de rechtbank (kort samengevat) geoordeeld dat het beroep van LVNL op formele rechtskracht doel treft en dat de gestelde onjuistheid van de berekeningen van LVNL bovendien niet is komen vast te staan. 1.11 Bij exploot van 13 februari 2008 is Chipshol in hoger beroep gekomen van het vonnis van 14 november 2007, voor zover dit in conventie was gewezen. Zij heeft bij memorie negen grieven aangevoerd, haar eis gewijzigd, een bewijsaanbod gedaan en producties in het geding gebracht, met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal vernietigen voor zover in conventie gewezen en, opnieuw rechtdoende, een reeks verklaringen voor recht zal uitspreken, een en ander zoals omschreven in de appeldagvaarding, LVNL te veroordelen tot betaling van schadevergoeding op te maken bij staat en LVNL te gebieden zich te onthouden van niet-onderbouwde mededelingen over eventuele nieuwe bouwplannen voor het Groenenbergterrein, met, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van LVNL in de proceskosten van de eerste aanleg en het hoger beroep, te vermeerderen met wettelijke rente, alsmede veroordeling van LVNL tot terugbetaling aan Chipshol van hetgeen Chipshol uit hoofde van de proceskostenveroordeling aan verschotten en kosten procureur aan LVNL heeft betaald, te vermeerderen met wettelijke rente. 1.12 LVNL heeft bij memorie van antwoord de grieven bestreden, alsmede een bewijsaanbod gedaan en producties in het geding gebracht, met conclusie, zakelijk weergegeven, dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bekrachtigen, de vordering van Chipshol die voor het eerst in hoger beroep is ingesteld zal afwijzen en Chipshol, uitvoerbaar bij voorraad, zal veroordelen in de volledige door haar, LVNL, gemaakte proceskosten, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet. 1.13 Partijen hebben hun zaak ter zitting van 28 september 2009 doen bepleiten, waarbij elk van hen aanvullende producties in het geding heeft gebracht. Bij gelegenheid van de pleidooien hebben partijen bovendien inlichtingen verschaft, onder meer met behulp van audiovisuele middelen. 1.14 Bij arrest van 15 december 2009 heeft het hof het vonnis waarvan beroep, voor zover in conventie gewezen, vernietigd en, in zover opnieuw rechtdoende, voor recht verklaard: "- dat LVNL jegens Chipshol onrechtmatig heeft gehandeld door in maart 1999 en in de periode vanaf 29 november 2002 tot 18 oktober 2005 onjuiste mededelingen te doen ter zake van de bebouwingsmogelijkheden van het Groenenbergterrein; - dat LVNL jegens Chipshol onrechtmatig heeft gehandeld door onvoldoende inzicht te verschaffen in de aard van haar bezwaren tegen het bouwplan van Chipshol ten behoeve van Circle Freight; - dat LVNL jegens Chipshol onrechtmatig heeft gehandeld door in de periode vanaf 29 november 2002 tot 18 oktober 2005 zonder mededeling daarvan niet de door Chipshol voorgelegde bouwplannen te toetsen, maar een "worst case scenario"; (...)." Het hof heeft LVNL veroordeeld tot betaling aan Chipshol van een schadevergoeding, op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, en haar voorts veroordeeld in de proceskosten in beide instanties en tot terugbetaling van al hetgeen Chipshol aan haar heeft betaald uit hoofde van het vonnis waarvan beroep, een en ander te vermeerderen met de wettelijke rente. 1.15 LVNL heeft bij dagvaarding van 12 maart 2010 (tijdig) cassatieberoep ingesteld. Chipshol heeft geconcludeerd tot verwerping en heeft harerzijds incidenteel cassatieberoep ingesteld. LVNL heeft tot verwerping van het incidentele cassatieberoep geconcludeerd. Partijen hebben de zaak schriftelijk doen toelichten en vervolgens gere- en gedupliceerd. 2. Bespreking van het principale cassatiemiddel 2.1 LVNL heeft één middel van cassatie voorgesteld. Dat middel omvat dertien onderdelen, waarvan de meeste in subonderdelen zijn verdeeld. De klachten zijn gegroepeerd rond een aantal thema's, te weten "Formele rechtskracht" (onderdeel 1), "Geen onrechtmatig handelen" (onderdelen 2-4), "Relativiteit ontbreekt" (onderdeel 5), "Causaal verband ontbreekt" (onderdelen 6-7), "Verjaring" (onderdeel 8), "Geen vereenzelviging" (onderdeel 9), "Passeren bewijsaanbod" (onderdeel 10), "Restklacht" (onderdeel 11) en "Dictum" (onderdelen 12-13). Formele rechtskracht 2.2 De klachten van onderdeel 1 zijn in het bijzonder gericht tegen rov. 4.38: "4.38 De formele rechtskracht staat niet in de weg aan toewijzing van het gedeelte van de vordering van Chipshol dat strekt tot vergoeding van vertragingsschade, noch aan toewijzing van het deel van de gevorderde verklaringen voor recht waarvoor door het hof een afdoende grondslag is gevonden. De verbintenis tot schadevergoeding van LVNL jegens Chipshol is door het hof aanvaard op grond van het feitelijk gedrag van LVNL jegens Chipshol. Dit feitelijke gedrag wordt niet "gedekt" door de formele rechtskracht van de besluiten van bestuursrechtelijke oorsprong, waarop LVNL het oog heeft. Anders dan de rechtbank is het hof van oordeel dat de door LVNL verstrekte inlichtingen niet - als uitgangspunt - zonder meer als rechtmatig hebben te gelden, nu de besluiten waarop die inlichtingen betrekking hebben, formele rechtskracht hebben gekregen. Wat betreft Circle Freight heeft te gelden dat geen relevant besluit valt aan te wijzen. Uiteindelijk is het aan LVNL voorgelegde plan na haar negatieve advies niet doorgezet. Voor het overige zou het nog gaan om gedrag van LVNL dat - in haar visie - aan het oordeel van de burgerlijke rechter is onttrokken vanwege de formele rechtskracht van het bouwverbod. Het is juist dat het beginsel van de formele rechtskracht zou worden uitgehold als inlichtingen van een overheidsorgaan aan een burger, die worden gegeven met het oog op een door dat overheidsorgaan te nemen besluit, steeds aan de formele rechtskracht van dat later gevolgde besluit onttrokken zouden worden geacht. Die situatie doet zich hier niet voor. In de eerste plaats is LVNL niet het bestuursorgaan dat het besluit tot het bouwverbod heeft gegeven. Daar komt bij dat LVNL een onafhankelijke advies- en informatiepositie innam. Dat deed zij jegens een reeks van betrokken bestuurlijke autoriteiten met verschillende belangen. Dat betekent dat het door haar gegeven advies niet gemakkelijk kan worden gekwalificeerd als inlichtingen die (uitsluitend) worden gegeven met het oog op een door een overheidsorgaan te nemen besluit. Dat advies had een zelfstandig karakter. Dat geldt ook ten aanzien van het advies dat LVNL heeft uitgebracht ten behoeve van de minister die het besluit tot het bouwverbod heeft genomen. LVNL nam haar zelfstandige informatiepositie ook feitelijk in jegens Chipshol en had als gevolg daarvan rechtstreeks overleg met Chipshol. Verder verdient hier vermelding dat het verwijt aan LVNL er in de kern op neerkomt dat zij gelet op het belang van Chipshol beter dan zij heeft gedaan had behoren uiteen te zetten, wat haar tot haar negatieve standpunt had gebracht. Dat gedrag van haar als zelfstandig adviseur staat los van de inhoud van het bouwverbod. In het besluit inhoudende het bouwverbod noch in andere besluiten van bestuursrechtelijke aard vallen oordelen aan te wijzen die van betekenis zijn voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van deze handelwijze van LVNL. De tweede grief van Chipshol slaagt in zover." 2.3 Subonderdeel 1.1 klaagt dat rov. 4.38 rechtens onjuist is. Het subonderdeel betoogt dat aansprakelijkheid voor onjuiste of onvolledige inlichtingen die zijn gegeven, vooruitlopend op een beschikking die inmiddels formele rechtskracht heeft gekregen, alleen kan worden aangenomen indien het geven van die inlichtingen onafhankelijk van de inhoud van de desbetreffende beschikking onrechtmatig is, en dat inlichtingen die ten opzichte van het beoogde besluit een onzelfstandig karakter dragen, in beginsel door de formele rechtskracht van het besluit worden "gedekt". Volgens het subonderdeel heeft het hof miskend dat de adviezen van LVNL zozeer samenhingen met de door bestuursorganen te nemen besluiten dat zij ten opzichte daarvan een onzelfstandig karakter droegen. In dat verband is, nog steeds volgens het subonderdeel, niet relevant of de inlichtingen (de adviezen) afkomstig zijn van een ander bestuursorgaan dan het orgaan dat het besluit heeft genomen, of de adviezen (inlichtingen) zijn gegeven aan verschillende bestuursorganen die verschillende belangen behartigden, of de informatiepositie feitelijk is ingenomen jegens een burger (die stelt nadeel van de inlichtingen te hebben ondervonden) en evenmin of rechtstreeks overleg met die burger heeft plaatsgevonden. Volgens het subonderdeel is evenmin relevant dat LVNL, gelet op het belang van Chipshol, beter uiteen had behoren te zetten wat haar tot haar negatieve standpunt had gebracht. Het subonderdeel betoogt dat voor de beantwoording van de vraag of een voldoende nauw verband bestaat tussen het gegeven advies, de in dat verband gegeven (volgens het hof onvolledige) inlichtingen en het genomen besluit, in het bijzonder van belang is (i) in welke mate het besluit op het advies is gebaseerd, (ii) of de onjuistheid en/of onvolledigheid van het advies of de gegeven inlichtingen (al dan niet als onderdeel van de voorbereiding van het besluit) in het bezwaar en beroep tegen het besluit aan de orde kon(den) worden gesteld en tot vernietiging van dit besluit kon(den) leiden en (iii) of het advies dan wel de inlichtingen tot andere schade hebben geleid dan die welke door het besluit zelf is veroorzaakt. Volgens het subonderdeel is het bestreden oordeel rechtens onjuist, nu het hof niet kenbaar aan de onder (i)-(iii) bedoelde gezichtspunten heeft getoetst. Het subonderdeel klaagt dat het hof althans niet heeft kunnen volstaan met een toetsing aan de in rov. 4.38 betrokken gezichtspunten om te beoordelen of het verstrekken van inlichtingen door LVNL al dan niet door de formele rechtskracht van de desbetreffende besluiten werd gedekt. 2.4 Het subonderdeel kiest naar mijn mening terecht als uitgangspunt dat zogenaamde onzelfstandige voorbereidingshandelingen door de formele rechtskracht van het desbetreffende besluit worden "gedekt" en dat het begrip "voorbereidingshandelingen" mede ziet op adviezen en daarmee verband houdende, aan de belanghebbende verstrekte inlichtingen over de (vraag of is voldaan aan de) eisen die voor het beoogde besluit gelden
(4). In de bestreden rechtsoverweging lijkt het hof ook aan de rechtspraak daarover te refereren, maar is het kennelijk van oordeel dat de daarin bedoelde situatie zich in casu niet voordoet: "Het is juist dat het beginsel van de formele rechtskracht zou worden uitgehold als inlichtingen van een overheidsorgaan aan een burger, die worden gegeven met het oog op een door dat overheidsorgaan te nemen besluit, steeds aan de formele rechtskracht van dat later gevolgde besluit onttrokken zouden worden geacht. Die situatie doet zich hier niet voor." Daarbij is voor het hof kennelijk beslissend (
  1. a)dat LVNL niet het bestuursorgaan is dat het desbetreffende besluit heeft genomen, (
  2. b)dat LVNL een onafhankelijke advies- en informatiepositie innam, (
  3. c)dat zij dat deed jegens een reeks van betrokken bestuurlijke autoriteiten met verschillende belangen, (
  4. d)dat "(d)at betekent dat het door haar gegeven advies niet gemakkelijk kan worden gekwalificeerd als inlichtingen die (uitsluitend) worden gegeven met het oog op een door een overheidsorgaan te nemen besluit", (
  5. e)dat het advies een zelfstandig karakter had, (
  6. f)dat zulks ook geldt ten aanzien van het advies dat LVNL heeft uitgebracht ten behoeve van de minister die het besluit tot het bouwverbod heeft genomen, (
  7. g)dat LVNL haar zelfstandige informatiepositie ook feitelijk innam jegens Chipshol en als gevolg daarvan rechtstreeks overleg met Chipshol had en (
  8. h)dat het verwijt aan LVNL in de kern erop neerkomt dat zij, gelet op het belang van Chipshol, beter dan zij heeft gedaan, had behoren uiteen te zetten wat haar tot haar negatieve standpunt had gebracht, welk gedrag als zelfstandig adviseur losstaat van de inhoud van het bouwverbod. 2.5 Voor de vraag of de formele rechtskracht van een besluit ook een feitelijke voorbereidingshandeling "dekt", is slechts de relatie tussen dat besluit en de betrokken voorbereidingshandeling van belang (zie rov. 3.4 van het arrest [A]/Valkenswaard
(5): "(...) Inlichtingen die zozeer samenhangen met het beoogde besluit, dat zij ten opzichte daarvan een onzelfstandig karakter dragen, hoezeer ook onjuist, worden in beginsel echter "gedekt" door de formele rechtskracht van dat besluit. Gezien de nauwe samenhang die in het onderhavige geval bestaat tussen de door de Gemeente bij brief van 19 december 1995 aan [A] gegeven inlichtingen en de bij besluit van 25 maart 1997 aan [A] verleende revisievergunning, heeft het hof terecht en op goede gronden geoordeeld dat de vordering van [A], voor zover op deze achteraf onjuist gebleken inlichtingen gebaseerd, geen doel kan treffen."). Of de voorbereidingshandeling is verricht door hetzelfde bestuursorgaan (c.q. dezelfde rechtspersoon) dat het betrokken besluit heeft genomen (c.q. waaraan het betrokken besluit wordt toegerekend), is in dat verband niet beslissend, nu ook de bijdrage van een derde aan de totstandkoming van een besluit zeer wel een ten opzichte van dat besluit onzelfstandig karakter kan dragen
(6). De hiervóór (onder 2.4) onder (
  1. a)bedoelde omstandigheid dat de betrokken handeling is verricht door een ander bestuursorgaan (een andere rechtspersoon) dan het bestuursorgaan dat het besluit heeft genomen (c.q. dan de rechtspersoon waaraan dat besluit moet worden toegerekend), sluit daarom niet uit dat de formele rechtskracht van het besluit ook de voorbereidingshandeling "dekt". Hetzelfde geldt voor de omstandigheid onder (b): ook de omstandigheid dat de derde die de voorbereidingshandeling verricht, een onafhankelijke advies- en informatiepositie inneemt, sluit allerminst uit dat van een voorbereidingshandeling met een ten opzichte van het besluit onzelfstandig karakter sprake is. Het komt niet aan op de al dan niet zelfstandige positie van de betrokken derde ten opzichte van de betrokken bestuursorganen, maar op het al dan niet zelfstandige karakter van diens bijdrage ten opzichte van de door die bestuursorganen te nemen besluiten. Evenmin doet in dat verband ter zake dat de derde een dergelijke positie jegens een reeks van betrokken bestuursorganen met verschillende belangen inneemt; ook die omstandigheid, hiervóór genoemd onder (c), sluit geenszins een voorbereidingshandeling met een ten opzichte van de door die respectieve bestuursorganen te nemen besluiten onzelfstandig karakter uit. De tussenconclusie van het hof, hiervóór weergegeven onder (d), volgens welke het door LVNL gegeven advies "niet gemakkelijk kan worden gekwalificeerd als inlichtingen die (uitsluitend) worden gegeven met het oog op een door een overheidsorgaan te nemen besluit" gaat (nog daargelaten dat wat "niet gemakkelijk" kan, niet al om die reden is uitgesloten) kennelijk uit van de mijns inziens onjuiste veronderstelling dat het voor het al dan niet onzelfstandige karakter van een uit een advies (uit inlichtingen) bestaande voorbereidingshandeling erop zou aankomen of dat advies (die inlichtingen) (uitsluitend) wordt (worden) gegeven met het oog op een door slechts één overheidsorgaan te nemen besluit. Als, zoals in de veronderstelling van het hof, adviezen (inlichtingen) van een derde met een onafhankelijke advies- en informatiepositie een rol spelen in een reeks van door verschillende bestuursorganen met het oog op verschillende belangen te nemen besluiten, zou dat niet uitsluiten dat van een voorbereidingshandeling met een ten opzichte van (althans sommige van) die besluiten onzelfstandig karakter sprake is. Dat de adviezen van LVNL een zelfstandig karakter hadden (de onder (
  2. e)bedoelde omstandigheid), óók het advies dat LVNL heeft uitgebracht ten behoeve van de minister die het besluit tot het bouwverbod heeft genomen (de onder (
  3. f)bedoelde omstandigheid), verwijst kennelijk wederom naar de onafhankelijke advies- en informatiepositie van LVNL en naar de veronderstelling dat haar adviezen niet (uitsluitend) met het oog op een door slechts één bestuursorgaan te nemen besluit worden gegeven. Dit een en ander sluit echter niet uit dat aan de bijdrage die LNVL met die adviezen aan te nemen besluiten leverde, een ten opzichte van die besluiten onzelfstandig karakter toekwam. Dat LVNL haar zelfstandige informatiepositie ook feitelijk innam jegens Chipshol en als gevolg daarvan rechtstreeks overleg met Chipshol had (de onder (
  4. g)bedoelde omstandigheid) sluit evenmin uit dat van een voorbereidingshandeling met een ten opzichte van het betrokken besluit onzelfstandig karakter sprake was. Ook in de zaak [A]/Valkenswaard
(7)werd de belanghebbende (weliswaar niet door een derde die het bestuursorgaan adviseerde, maar) door het betrokken bestuursorgaan (zelf) rechtstreeks geïnformeerd over de (vraag of was voldaan aan
  1. de)voor het beoogde besluit geldende eisen. Ook de laatste, onder (
  2. h)genoemde omstandigheid, te weten dat het verwijt aan LVNL in de kern erop neerkomt dat zij, gelet op het belang van Chipshol, beter dan zij heeft gedaan, had behoren uiteen te zetten wat haar tot haar negatieve standpunt had gebracht, welk gedrag als zelfstandig adviseur zou losstaan van de inhoud van het bouwverbod, kan de conclusie van het hof mijns inziens, niet, althans niet zonder meer, dragen. Naar het oordeel van het hof "(staat) (d)at gedrag van haar (LVNL: LK) als zelfstandig adviseur (...) los van de inhoud van het bouwverbod", kennelijk omdat "(i)n het besluit inhoudende het bouwverbod noch in andere besluiten van bestuursrechtelijke aard (...) oordelen (vallen) aan te wijzen die van betekenis zijn voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van deze handelwijze van LVNL." Naar mijn mening heeft het hof hier miskend dat het ook bestuursrechtelijk niet zonder betekenis is indien een adviseur in zijn aan een besluit ten grondslag gelegd advies niet naar behoren heeft uiteengezet wat hem tot zijn in dat advies verwoorde standpunt heeft gebracht. Nog daargelaten dat een bestuursorgaan zich niet op een advies kan verlaten zonder zich te hebben vergewist (en zonder in voorkomend geval ten genoegen van de bestuursrechter te hebben verantwoord) dat het advies op zorgvuldige wijze is tot stand gekomen
(8), is een bestuursorgaan tot een draagkrachtige motivering van zijn besluit gehouden, ook als dat besluit op een advies berust, en mag het bestuursorgaan ter motivering van dat besluit slechts naar een met het oog daarop uitgebracht advies verwijzen, indien het advies zelf een toereikende motivering bevat en van dat advies kennis is of wordt gegeven
(9). Anders dan het hof in rov. 4.38 heeft verondersteld, staat de omstandigheid dat LVNL onvoldoende zou hebben uiteengezet wat haar tot haar negatieve standpunt heeft gebracht, dan ook geenszins "los" van het bouwverbod, dat een draagkrachtige motivering diende te bevatten, ook voor zover het (mede) op het negatieve standpunt van LVNL berustte. 2.6 Het subonderdeel voert mijns inziens terecht aan dat voor de beantwoording van de vraag of een voldoende nauw verband bestaat tussen het gegeven advies, de in dat verband gegeven (volgens het hof onvolledige) inlichtingen en het genomen besluit, een aantal gezichtspunten van belang is, waaronder de vraag (
  1. i)in welke mate het besluit op het advies is gebaseerd, (
  2. ii)of de onjuistheid en/of onvolledigheid van het advies of de gegeven inlichtingen (al dan niet als onderdeel van de voorbereiding van het besluit) in het bezwaar en beroep tegen het besluit aan de orde kon(den) worden gesteld en tot vernietiging van dit besluit kon(den) leiden en (iii) of het advies dan wel de inlichtingen tot andere schade hebben geleid dan die welke door het besluit zelf is veroorzaakt. Aan deze gezichtspunten heeft het hof inderdaad geen aandacht geschonken, alhoewel de hiervóór onder (
  3. h)genoemde omstandigheid wellicht met het laatste gezichtspunt (wel of geen andere schade dan die welke door het besluit is veroorzaakt) in verband zou kunnen worden gebracht. Zoals hiervóór (onder 2.5) al aan de orde kwam, lijkt het hof in verband met die omstandigheid echter te hebben miskend dat gebreken in de verantwoording van het door de deskundige ingenomen standpunt ook doorwerken in het besluit waarop dat standpunt is gebaseerd en dat besluit kunnen vitiëren. Met het gezichtspunt van wel of geen andere schade dan die welke door het besluit is veroorzaakt, hangt ten slotte samen dat, in het geval dat na een advies of inlichtingen een besluit uitblijft, het advies of de inlichtingen niet door formele rechtskracht kunnen worden gedekt. In dat verband wijs ik erop dat het hof in rov. 4.38 heeft gesignaleerd dat wat betreft Circle Freight heeft te gelden dat geen relevant besluit valt aan te wijzen en dat het aan LVNL voorgelegde plan na negatief advies niet is doorgezet. 2.7 Subonderdeel 1.2 klaagt dat, als het hof wél zou hebben getoetst aan de hiervóór (onder 2.6) bedoelde gezichtspunten, zijn oordeel, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Het subonderdeel betoogt dat (
  4. i)de besluiten wat betreft het oordeel over de bescherming van de luchtverkeersveiligheid op de adviezen van LVNL waren gebaseerd, (
  5. ii)de juistheid en volledigheid van deze adviezen en de door LVNL gegeven inlichtingen in bezwaar en beroep tegen de besluiten aan de orde konden worden gesteld en (iii) de adviezen en inlichtingen geen andere (vertragings)schade hebben veroorzaakt dan het bouwverbod. Bij die stand van zaken valt volgens het subonderdeel niet in te zien waarom de adviezen en inlichtingen van LVNL niet een zodanig nauwe samenhang hebben met de besluiten in het kader waarvan zij zijn gevraagd, dat zij door de formele rechtskracht van die besluiten worden "gedekt". 2.8 In het bestreden arrest vind ik geen aanknopingspunten voor de aan de klacht ten grondslag gelegde veronderstelling dat het hof zou hebben getoetst aan de door het subonderdeel bedoelde gezichtspunten. Bij gebrek aan feitelijke grondslag kan de klacht daarom niet tot cassatie leiden. Hetgeen het hof heeft aangevoerd ter onderbouwing van zijn oordeel dat de litigieuze mededelingen (c.q. adviezen) niet door formele rechtskracht worden gedekt, kan dat oordeel mijns inziens niet dragen. Daarmee is echter niet gezegd dat in casu van onzelfstandige voorbereidingshandelingen sprake was. Het onderzoek ter zake, waarbij (mede) de door het subonderdeel genoemde gezichtspunten dienen te worden betrokken, vergt mijns inziens nadere feitelijke vaststellingen, waarderingen en beslissingen, waarvoor in cassatie geen plaats is. Zo zou mede van belang kunnen zijn wat de gemeente Haarlemmermeer bij het voorleggen van bouwplannen c.q. tekeningen exact aan de Toetsingscommissie en/of aan LVNL heeft gevraagd. Veel is in dat verband nog onduidelijk. Zo heeft het hof in rov. 4.19 niet meer vastgesteld dan dat de gemeente de tekeningen 813b101A en 813b101B "ter beoordeling" aan LVNL heeft voorgelegd. Weliswaar heeft het hof in rov. 4.24 overwogen dat de gemeente van LVNL "haar visie op het al dan niet verlenen van elk van de gevraagde bouwvergunningen" heeft gevraagd, maar waarop dat berust, is onduidelijk, zeker nu LVNL heeft betoogd dat zij de in rov. 4.19 bedoelde plannen voor de kavels I en IV als één geheel van de gemeente heeft ontvangen, zonder dat duidelijk was dat zelfs maar van een splitsing in of een indiening als twee bouwaanvragen sprake was
(10). Tot een nader feitelijk onderzoek dwingt ten slotte ook de door Chipshol zowel in hoger beroep als in cassatie ingeroepen mogelijkheid dat, in geval van een besluit met formele rechtskracht dat de litigieuze mededelingen in beginsel zou dekken, op die formele rechtskracht een uitzondering dient te worden gemaakt
(11). 2.9 Subonderdeel 1.3 betoogt dat hetgeen in de subonderdelen 1.1-1.2 is aangevoerd, mede heeft te gelden voor het advies van LVNL met betrekking tot Circle Freight, alhoewel, zoals het hof in rov. 4.38 heeft gereleveerd, dienaangaande geen relevant besluit valt aan te wijzen. Volgens het subonderdeel had na het negatieve advies van LVNL de bouwaanvraag van Circle Freight kunnen worden gehandhaafd en had bij een weigering van de vergunning daartegen bezwaar kunnen worden gemaakt en zonodig beroep kunnen worden ingesteld. In dat kader hadden, nog steeds volgens het subonderdeel, de juistheid en de volledigheid van het advies van LVNL en de in dat verband gegeven - volgens het hof onvolledige - inlichtingen aan de orde kunnen worden gesteld. Om die reden zouden de juistheid en volledigheid van het advies of de bedoelde inlichtingen niet door de burgerlijke rechter kunnen worden getoetst, nu dit advies geen zelfstandig karakter heeft, los van de besluitvorming rond de aanvraag ten behoeve van Circle Freight. 2.10 Ik kan de klacht van het subonderdeel niet volgen. In rov. 4.38 is aan de orde of de advisering door LVNL en de door LVNL verstrekte inlichtingen door de formele rechtskracht van enig besluit worden gedekt. Dat laatste kan zich uiteraard niet voordoen als niet een (mede) op die advisering c.q. die inlichtingen gebaseerd besluit voorhanden is. Formele rechtskracht vooronderstelt een besluit, en wel een reëel besluit, nu volgens de Hoge Raad aan het niet tijdig nemen van een besluit op verzoek (soms - minder juist - als een fictieve weigering aangeduid
(12)) geen formele rechtskracht kan toekomen, alhoewel daartegen bezwaar en beroep ingevolge de Awb openstaan
(13). De door het subonderdeel verdedigde rechtsopvatting impliceert dat advisering c.q. inlichtingen die (nog) niet door een besluit zijn gevolgd, noch door de burgerlijke rechter, noch door de bestuursrechter kunnen worden getoetst en dat slechts door het handhaven van de aanvraag en het insisteren op een alsnog te nemen (reëel) besluit kan worden bewerkstelligd dat rechtsbescherming ter zake (in de bestuursrechtelijke kolom) openvalt. In haar algemeenheid acht ik die opvatting onjuist
(14). Iets anders is dat met het oog op causaliteit en mogelijke eigen schuld van belang zou kunnen zijn dat de justitiabele een aanvraag die (achteraf bezien) had kunnen worden gehonoreerd, niet heeft doorgezet. 2.11 Volgens subonderdeel 1.4 geldt hetgeen in de subonderdelen 1.1-1.2 is betoogd althans ten aanzien van het in rov. 4.23 bedoelde advies van LVNL van 29 november 2002, dat mede heeft geleid tot het bouwverbod en de in dat kader door LVNL verstrekte - volgens het hof onvolledige - inlichtingen als bedoeld in rov. 4.24. Volgens het subonderdeel is in dit verband van belang dat, naar uit de rov. 4.22-4.23 volgt, de minister van Verkeer en Waterstaat op grond van art. 38 Luchtvaartwet (oud) naar aanleiding van een advies van LVNL met het oog op de luchtverkeersveiligheid tot het instellen van een bouwverbod heeft besloten. 2.12 Ik deel de opvatting van het subonderdeel dat rov. 4.38 met betrekking tot het in rov. 4.23 bedoelde advies van LVNL van 29 november 2002 en de in dat kader door LVNL verstrekte en in rov. 4.24 bedoelde mededelingen een onvoldoende weerlegging omvat van de stelling dat de formele rechtskracht van het bouwverbod dat advies en die mededelingen mede zou dekken. 2.13 Subonderdeel 1.5 klaagt over het oordeel in rov. 4.38 dat LVNL haar zelfstandige informatiepositie ook feitelijk innam jegens Chipshol en als gevolg daarvan rechtstreeks overleg had met Chipshol. Volgens het subonderdeel is dat oordeel rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. In rov. 4.1.5 heeft het hof immers vastgesteld dat LVNL overheden adviseert over de gevolgen van ruimtelijke plannen nabij de luchthaven Schiphol voor communicatie-, navigatie- en radioapparatuur, veiligheidsaspecten en zichtlijnen. Volgens het subonderdeel valt daarom niet in te zien waarom LVNL jegens Chipshol een zelfstandige informatiepositie innam. De enkele omstandigheid dat LVNL in 1998 met Chipshol en/of Landvision - die zich met haar ruimtelijke plannen bij de gemeente Haarlemmermeer had gemeld en door de gemeente in verband met de luchtverkeersveiligheid naar LVNL werd verwezen - heeft overlegd over een door Chipshol en/of Landvision bij de gemeente Haarlemmermeer in te dienen inrichtingsplan, neemt volgens het subonderdeel niet weg dat het advisering aan deze gemeente betrof en het advies van LVNL ook aan de gemeente is toegezonden. In dat verband is nog steeds volgens het subonderdeel van belang dat LVNL - naar de rechtbank in rov. 2.12 van haar vonnis van 14 november 2007 en het hof in rov. 4.8 van zijn arrest hebben vastgesteld - eerst met de tot het Chipshol-concern behorende vennootschap Landvision heeft overlegd nadat de Toetsingscommissie had bepaald dat Chipshol en LVNL met elkaar in overleg dienden te treden. Het subonderdeel besluit met de stelling dat daarom temeer onjuist is het mede daarop gebaseerde oordeel in rov. 4.38 dat de advisering door LVNL en de in dat kader verstrekte inlichtingen zelfstandige betekenis hebben naast de genomen besluiten en niet door de formele rechtskracht van die besluiten worden "gedekt". 2.14 Met het oordeel dat LVNL niet alleen jegens de betrokken bestuurlijke autoriteiten, maar ook jegens Chipshol een zelfstandige advies- en informatiepositie heeft ingenomen, heeft het hof kennelijk bedoeld dal LVNL niet mag worden vereenzelvigd met de bestuursorganen die zij adviseerde. Dat laatste is op zichzelf juist (en in zoverre mist het subonderdeel mijns inziens feitelijke grondslag), maar niet beslissend voor de beantwoording van de vraag of de door LVNL gegeven adviezen en de door haar verstrekte inlichtingen (als onzelfstandige voorbereidingshandelingen) door de formele rechtskracht van de besluiten van die bestuursorganen worden "gedekt". Ik verwijs daarvoor naar de bespreking van subonderdeel 1.1. Overigens meen ik dat het rechtstreekse overleg dat LVNL met Chipshol en/of Landvision heeft gevoerd, geenszins uitsluit dat LVNL daarbij slechts als adviseur van de gemeente optrad. Dat geldt temeer nu het initiatief tot dat overleg werd genomen door de - door de gemeente Haarlemmermeer ingestelde - Toetsingscommissie in het kader van de bestuurlijke beoordeling van het door Chipshol ontworpen en ingediende inrichtingsplan (zie ook rov. 4.9: "Niet voor niets leidde de gemeente Haarlemmermeer het ertoe dat Chipshol (Landvision) zich over het inrichtingsplan verstond met LVNL."). 2.15 Subonderdeel 1.6 klaagt dat, voor zover het bestreden oordeel over de door LVNL jegens Chipshol ingenomen zelfstandige informatiepositie aldus moet worden begrepen dat dit rechtstreekse overleg ook plaatsvond na januari 1999 naar aanleiding van het indienen van de bouwaanvraag van Circle Freight en in de door het hof relevant geachte periode van 30 januari 2003 tot 18 oktober 2005, dat oordeel, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is in het licht van de vaststelling in rov. 4.8 dat na de brief van 16 november 1998 geen verder overleg tussen LVNL en Chipshol heeft plaatsgehad. 2.16 Het subonderdeel signaleert terecht dat naar vaststelling van het hof (in rov. 4.8, slot) na de brief van 16 november 1998 van LVNL aan Landvision geen verder overleg tussen LVNL en Chipshol (of Landvision) heeft plaatsgehad. In rov. 4.38 lees ik echter niet dat het hof zodanig verder overleg tussen LVNL en Chipshol (of Landvision) aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Het subonderdeel mist daarom feitelijke grondslag. 2.17 Subonderdeel 1.7 klaagt dat het bestreden oordeel dat de adviezen van LVNL en de in dat kader verstrekte inlichtingen een zelfstandig karakter hadden, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is in het licht van de overweging in rov. 4.9 dat de door Chipshol voorgenomen gebiedsontwikkeling afhankelijk was van de bevindingen van LVNL ten aan zien van de luchtverkeersveiligheid en in het licht van zijn overweging in rov. 4.22 dat Chipshol geen gebruik heeft kunnen maken van de haar verleende bouwvergunningen vanwege het bouwverbod van 19 februari 2003. Nu de bedoelde gebiedsontwikkeling eerst doorgang kon vinden na vergunningverlening door de gemeente Haarlemmermeer dan wel na intrekking van het bouwverbod door de minister van Verkeer en Waterstaat, valt niet in te zien waarom deze adviezen een zelfstandig karakter hadden naast de bedoelde (benodigde) besluiten. 2.18 Zoals reeds bij de bespreking van subonderdeel 1.1 aan de orde kwam, heeft het hof bij de beantwoording van de vraag of de door LVNL gegeven adviezen en inlichtingen al dan niet kunnen worden gekwalificeerd als voorbereidingshandelingen waaraan ten opzichte van de betrokken besluiten een onzelfstandig karakter toekomt, zich kennelijk niet laten leiden door het verband tussen die adviezen c.q. inlichtingen en de betrokken besluiten en door de vraag of die adviezen c.q. inlichtingen tot andere schade hebben geleid dan door de betrokken besluiten zelf is veroorzaakt. Daartegen komt subonderdeel 1.1 mijns inziens terecht op. Subonderdeel 1.7 voegt daaraan geen nieuwe gezichtspunten toe. Overigens herhaal ik onder verwijzing naar de bespreking van subonderdeel 1.3, dat onzelfstandige voorbereidingshandelingen (in casu onjuiste of onvolledige adviezen c.q. inlichtingen) slechts dan door formele rechtskracht kunnen worden gedekt, als sprake is van daadwerkelijk genomen, reële besluiten die (mede) op die voorbereidingshandelingen zijn gebaseerd. In dat verband is mij niet duidelijk waarom, zoals in de laatste volzin van het subonderdeel gesuggereerd, ter zake dienend zou zijn of de adviezen van LVNL al dan niet een zelfstandig karakter hadden "naast de bedoelde (benodigde) besluiten (onderstreping toegevoegd: LK)", waarmee kennelijk wordt gedoeld op besluiten waarmee de beoogde gebiedsontwikkeling juist mogelijk zou worden gemaakt, waaronder de intrekking van het bouwverbod. 2.19 Subonderdeel 1.8 klaagt over het oordeel in rov. 4.38 dat het gedrag van LVNL, te weten dat zij, gelet op het belang van Chipshol, beter dan zij heeft gedaan had behoren uiteen te zetten wat haar tot haar negatieve standpunt had gebracht, losstaat van het bouwverbod. Volgens het subonderdeel is dit oordeel rechtens onjuist althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Volgens het subonderdeel hangen mededelingen over de wijze waarop een advies is tot stand gekomen, zozeer met het advies zelf samen, dat zij niet een los van het advies staande, zelfstandige (onrechtmatige) handeling kunnen opleveren. In zoverre kan LVNL volgens het subonderdeel, anders dan het hof heeft overwogen, niet als een zelfstandig adviseur worden aangemerkt, en valt althans niet zonder meer in te zien, waarom zulks het geval zou zijn. Het subonderdeel verwijst ten slotte naar subonderdeel 1.2, waarin reeds is gereleveerd dat de - volgens het hof - onvolledige inlichting in het bezwaar en beroep tegen het bouwverbod aan de orde kon worden gesteld en naast het advies en het bouwverbod geen zelfstandige schade heeft veroorzaakt. 2.20 Naar mijn mening staat de vraag of LVNL als een zelfstandig adviseur kan worden aangemerkt, geheel los van de vraag of haar adviezen al dan niet als zelfstandige of onzelfstandige voorbereidingshandelingen hebben te gelden ten opzichte van de besluiten van de bestuursorganen die zij adviseert. Ik verwijs in dit verband naar de bespreking van subonderdeel 1.1. Waar het subonderdeel zich richt tegen de kwalificatie van LVNL als zelfstandig adviseur, mist het naar mijn mening doel. Overigens kiest het subonderdeel (evenals subonderdeel 1.2) terecht als uitgangspunt dat de beweerde onvolledigheid van aan besluiten ten grondslag liggende adviezen (c.q. van in het kader van die adviezen gegeven inlichtingen) de betrokken besluiten vitieert en in tegen die besluiten gericht bezwaar en beroep aan de orde kan worden gesteld. Ik verwijs naar de bespreking van subonderdeel 1.1, in het bijzonder naar het gestelde onder 2.5 in fine. 2.21 Subonderdeel 1.9 voert aan dat de subonderdelen 1.1, 1.2 en 1.8 ook het oordeel in rov. 4.38 vitiëren dat er in besluiten van bestuursrechtelijke aard geen oordelen vallen aan te wijzen die van betekenis zijn voor de beoordeling van de onrechtmatigheid van de handelwijze van LVNL. Volgens het subonderdeel heeft het hof bovendien miskend dat niet relevant is of er in besluiten van bestuursrechtelijke aard oordelen vallen aan te wijzen die van betekenis zijn voor de beoordeling van de handelwijze van LVNL. Het subonderdeel betoogt dat slechts bepalend is of de bedoelde handelwijze van LVNL een onzelfstandig karakter heeft naast de besluiten van bestuursrechtelijke aard. Indien dat het geval is, wordt deze handelwijze, nog steeds volgens het subonderdeel, door de formele rechtskracht van die besluiten gedekt. 2.22 De klacht is terecht voorgesteld. Voor de vraag of een voorbereidingshandeling een onzelfstandig karakter heeft ten opzichte van het betrokken besluit, komt het niet erop aan of zich uit dat besluit oordelen laten afleiden die voor de beoordeling van de (on)rechtmatigheid van de desbetreffende voorbereidingshandeling van betekenis zijn. Van een onzelfstandige voorbereidingshandeling kan sprake zijn, zonder dat het betrokken besluit zich überhaupt over die voorbereidingshandeling uitlaat; voorts wordt een dergelijke voorbereidingshandeling in voorkomend geval reeds op grond van de formele rechtskracht van het betrokken besluit (en niet op grond van in dat besluit vervatte oordelen en beslissingen) voor rechtmatig gehouden. 2.23 Subonderdeel 1.10 betreft de doorwerking van de subonderdelen 1.1-1.9 ten aanzien van de rov. 4.12-4.15, 4.24-4.31, 4.33, 4.34, 5.1-5.4 en het dictum. 2.24 De rov. 4.12-4.14 (naar ik aanneem noemt het subonderdeel hier abusievelijk rov. 4.15) betreffen de bouwaanvraag ten behoeve van Circle Freight. In dat verband spelen daadwerkelijk genomen, reële besluiten geen rol, zodat niet valt in te zien hoe het leerstuk van de formele rechtskracht in dat verband een rol zou kunnen spelen. Om die reden concludeerde ik reeds tot ongegrondbevinding van subonderdeel 1.3. Gegrondbevinding van één of meer van de andere subonderdelen kan ten aanzien van Circle Freight mijns inziens niet tot een ander oordeel dan dat vervat in de rov. 4.12-4.14 leiden. De door het subonderdeel bedoelde doorwerking is er mijns inziens wel met betrekking tot de rov. 4.24-4.31 (waarin in wezen het aan het bouwverbod ten grondslag gelegde standpunt van LVNL aan de orde is), de rov. 4.33-4.34 (met betrekking tot het moment waarop het voor onrechtmatig gehouden gedrag van LVNL heeft voortgeduurd), de rov. 5.1-5.4 (de slotsom) en het dictum (de beslissing). 2.25 Subonderdeel 1.11 betreft de doorwerking van de subonderdelen 1.1-1.9 met betrekking tot rov. 4.4, blijkens welke het hof zich tot een zelfstandig oordeel over de (on)rechtmatigheid van de advisering van LVNL over de gebruiksmogelijkheden van het Groenenbergterrein bevoegd heeft geacht. Volgens het subonderdeel kon het hof die (on)rechtmatigheid niet zelfstandig beoordelen en zijn de in rov. 4.4 ontwikkelde criteria in het onderhavige geval dan ook niet relevant. 2.26 Ik onderschrijf de door het subonderdeel bedoelde doorwerking van de klachten van de subonderdelen 1.1-1.9, echter met dien verstande dat de bedoelde doorwerking niet kan worden aangenomen met betrekking tot de door het hof onderzochte (on)rechtmatigheid van het handelen van LVNL in verband met de plannen van Circle Freight. Dat handelen is immers niet in daadwerkelijk genomen, reële besluiten met formele rechtskracht uitgemond. Onrechtmatig handelen 2.27 Onderdeel 2 is gericht tegen rov. 4.4. Die rechtsoverweging luidt aldus: "4.4 Bij dit onderzoek gaat het er in de eerste plaats om vast te stellen of de door LVNL verstrekte informatie onjuist is. Daarbij is voor het hof uitgangspunt dat onder onjuiste informatie ook moet worden verstaan informatie die door haar onvolledigheid een onjuist beeld schept van de gebruiksmogelijkheden van het Groenenbergterrein. Zou het hof tot de bevinding komen dat de door LVNL verstrekte informatie onjuist is in de hierboven bedoelde (ruime) betekenis, dan heeft het hof vervolgens vast te stellen of die onjuiste mededelingen door LVNL over de gebruiksmogelijkheden van het Groenenbergterrein jegens Chipshol onrechtmatig zijn. Het antwoord op die laatste vraag is afhankelijk van tal van omstandigheden. Het hof heeft daarbij onder meer het oog op: - de aard van de onjuistheid van de omstreden mededelingen, - de (wettelijke) taak van LVNL, - het belang van Chipshol bij de mededelingen, - de (aard en inhoud van
  1. de)relatie tussen LVNL en Chipshol, - de omvang van de kans dat onjuiste informatie tot nadeel voor Chipshol leidt, - de redelijkerwijs bestaande mogelijkheden voor LVNL om te voorkomen dat haar onjuiste informatie tot schade leidt. Dat betekent dat het hof bij zijn onderzoek heeft te betrekken de omstandigheden waarin de door LVNL verstrekte informatie over de gebruiksmogelijkheden van het Groenenbergterrein heeft gefunctioneerd." 2.28 Subonderdeel 2.1 bestrijdt het geciteerde oordeel als rechtens onjuist, omdat het hof heeft miskend dat naast de genoemde omstandigheden van belang is voor wie de gegeven informatie is bestemd. Nu, zoals het hof ook in rov. 4.1.5 heeft gereleveerd, de (wettelijke) taak van LVNL is om overheden te adviseren omtrent de gevolgen van hun ruimtelijke plannen nabij de luchthaven Schiphol voor (de verstoring van) het ILS, waren de adviezen van LVNL gericht tot en bestemd voor overheden, waaronder de minister van Verkeer en Waterstaat en de gemeente Haarlemmermeer. Volgens het subonderdeel diende LVNL zich derhalve de belangen van deze overheden aan te trekken en diende zij aan deze overheden duidelijk te maken op welke wijze zij haar toetsing van die plannen uitvoerde. Het subonderdeel betoogt dat, anders dan het hof in de rov. 4.13, 4.15 en 4.24 heeft overwogen, LVNL zich niet de belangen van de bij de ruimtelijke plannen betrokken burgers, zoals Chipshol, behoefde aan te trekken en dat de betrokken overheden die belangen in het kader van de besluitvorming over de ruimtelijke plannen in het oog dienden te houden. Omdat, naar het hof in rov. 4.1.4 heeft overwogen, Chipshol bij het indienen van haar plannen ook rekening diende te houden met de grenzen die de luchtverkeersbeveiliging stelde, bestond er volgens het subonderdeel voor LVNL ook geen gehoudenheid Chipshol te informeren over de wijze waarop LVNL toetste en evenmin om haar (indien al mogelijk) te informeren over de wijze waarop haar plannen zodanig zouden kunnen worden gewijzigd dat geen verstoring van het ILS optrad. Volgens het subonderdeel is het immers aan de betrokken overheden die over de ruimtelijke plannen moeten beslissen om te bezien in hoeverre een gewijzigd plan voor vergunningverlening in aanmerking komt. Indien overheden menen dat gewijzigde plannen voor vergunningverlening in aanmerking komen, is het aan hen om zich met LVNL te verstaan. Het subonderdeel betoogt dat de bedoelde advisering en het verstrekken van inlichtingen aan de betrokken overheden zozeer samenhangt met de wettelijke taak van LVNL jegens de betrokken overheden dat ter zake van die advisering of het verstrekken van die inlichtingen geen daarvan losstaande zorgvuldigheidsverplichting jegens anderen dan die overheden kan worden aangenomen. Volgens het subonderdeel geldt een en ander temeer, nu de gemeente Haarlemmermeer, naar het hof in rov. 4.20 heeft vastgesteld, al bij de vergunningverlening van 6 mei 2003 op de hoogte was van het bestaan van de tekening met het nummer V.2002W817bl01, waarop de truckparking ontbrak. Van deze tekening kwam LVNL blijkens 's hofs vaststelling in rov. 4.23 pas in 2005 op de hoogte. Het subonderdeel concludeert dat, nu de adviezen van LNVL niet gericht waren tot en niet bestemd waren voor Chipshol, de door het hof bedoelde onvolledigheid daarvan geen onrechtmatig handelen jegens Chipshol oplevert. 2.29 Voor zover het subonderdeel als invalshoek de onvolledigheid van de door het hof in rov. 4.4 gereleveerde omstandigheden kiest, kan het naar mijn mening niet tot cassatie leiden. Het subonderdeel, dat een zwaar accent legt op de (wettelijke) taak van LVNL en op de beperking van de rechtsplichten van LVNL die slechts zouden bestaan jegens de overheden die door haar worden geadviseerd (en die bij de bestuurlijke besluitvorming over de aan hen ter beoordeling voorgelegde ruimtelijke plannen ook de belangen van de betrokken justitiabelen in het oog dienen te houden), ziet eraan voorbij dat het hof in rov. 4.4 de (wettelijke) taak van LVNL, alsmede de (aard en inhoud van
  2. de)relatie tussen LVNL en Chipshol mede als in aanmerking te nemen omstandigheden heeft genoemd. Het subonderdeel is mede gericht tegen de rov. 4.13, 4.15 en 4.24, waarin het hof - kennelijk met inachtneming van de in rov. 4.4 genoemde omstandigheden - heeft geoordeeld dat LVNL, in verband met haar overwegende adviespositie, op grond van de door haar jegens Chipshol als belanghebbende in acht te nemen zorgvuldigheid was gehouden haar advisering zodanig in te richten dat het Chipshol mogelijk zou zijn na te gaan of haar afgewezen plannen zodanig konden worden aangepast dat de luchtverkeersveiligheid gewaarborgd kon blijven (rov. 4.13: "Aldus heeft LVNL gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij vanuit haar overwegende adviespositie op het gebied van de luchtverkeersveiligheid jegens Chipshol als belanghebbende in acht had te nemen."; rov. 4.15: "In dat verband behield LVNL als adviseur haar overwegende informatiepositie. Ook na de bestemmingswijziging had LVNL zich rekenschap te geven van het belang van Chipshol als economisch eigenaar van het Groenenbergterrein (...)"; rov. 4.24: "Nu in het najaar van 2005 is gebleken dat de mededelingen van LVNL in die zin onjuist zijn, dat het Groenenbergterrein met voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van genoemde inrichtingselementen wel kan worden bebouwd, zijn de mededelingen van LVNL, het belang van Chipshol bij bebouwing van het Groenenbergterrein in aanmerking genomen, onzorgvuldig jegens Chipshol."). Met de taak van LVNL om overheden te adviseren over de gevolgen van ruimtelijke plannen nabij de luchthaven Schiphol en met het gegeven dat het vervolgens aan die overheden is om bestuurlijk over zulke plannen te beslissen, dat die overheden zich daarbij van de juistheid en de volledigheid van de hun gegeven adviezen hebben te vergewissen (zie hiervóór onder 2.5) en dat het bovendien die overheden zijn die bij hun bestuurlijke besluitvorming de belangen van de betrokken justitiabelen in het oog hebben te houden, verdraagt zich naar mijn mening inderdaad niet aan te nemen dat LVNL op grond van de door haar in acht te nemen zorgvuldigheid jegens belanghebbende justitiabelen zou zijn gehouden haar advisering zodanig in te richten dat dezen kunnen nagaan of en hoe door hen ingediende plannen zodanig kunnen worden aangepast dat de luchtverkeersveiligheid kan blijven worden gewaarborgd. In zoverre acht ik het subonderdeel gegrond. 2.30 Subonderdeel 2.2 klaagt over onjuistheid althans onbegrijpelijkheid van de rov. 4.13, 4.15, 4.24-4.27, 4.29 en 4.38 in het licht van rov. 4.4. Volgens het subonderdeel heeft het hof in die rechtsoverwegingen immers niet kenbaar getoetst aan de in rov. 4.4 genoemde gezichtspunten. Voor zover het hof niet aan die gezichtspunten heeft getoetst, acht het subonderdeel het bestreden oordeel rechtens onjuist. Voor zover het hof die toetsing wel heeft uitgevoerd, valt volgens het subonderdeel niet zonder meer in te zien welke van de genoemde gezichtspunten het hof tot de conclusie hebben gebracht dat LVNL onrechtmatig jegens Chipshol heeft gehandeld. Het subonderdeel wijst erop dat het hof in de rov. 4.13 en 4.24 het onzorgvuldige handelen van LVNL jegens Chipshol niet heeft gebaseerd op de in rov. 4.4 en het dictum van het arrest genoemde omstandigheid dat onjuiste/onvolledige mededelingen over de gebruiksmogelijkheden van het Groenenbergterrein zijn gedaan, maar op de omstandigheid dat LVNL Chipshol niet volledig heeft geïnformeerd over de wijze waarop zij de bouwplannen heeft getoetst en de benadering die zij in dat verband heeft gekozen. 2.31 Bij de beoordeling van het subonderdeel stel ik voorop dat het hof in rov. 4.4 als uitgangspunt heeft gekozen dat onder onjuiste informatie ook moet worden verstaan informatie die door haar onvolledigheid een onjuist beeld schept van de gebruiksmogelijkheden van het Groenenbergterrein. Het hof heeft in rov. 4.13 ("Chipshol verkreeg geen afdoende inzicht in de redenen waarom LVNL negatief adviseerde (...). LVNL onthield dusdoende Chipshol de mogelijkheid om aan de hand van de verkregen informatie na te gaan of het bouwplan voor Circle Freight dan wel de ontwikkeling van de rest van het Groenenbergterrein zodanig konden worden aangepast dat de luchtverkeersveiligheid gewaarborgd zou blijven.") en in rov. 4.24 ("Chipshol behoefde er gelet op de mededelingen van LVNL niet op bedacht te zijn dat LVNL bedoelde uiteen te zetten dat met modificering van de op de bouwtekening tevens ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen wel kon worden gebouwd.") geoordeeld dat zich een onjuistheid in de hiervoor bedoelde (ruime) zin voordeed. Van een inconsistentie zoals in de laatste volzin van het subonderdeel bedoeld, is naar mijn mening geen sprake. Ook overigens zie ik geen grond voor het verwijt dat het hof niet aan de in rov. 4.4 opgesomde gezichtspunten zou hebben getoetst. Voor het hof was kennelijk vooral bepalend dat LVNL een overwegende advies- en informatiepositie innam, hetgeen het hof kennelijk uit de (wettelijke) taak van LVNL heeft afgeleid. Voorts is onmiskenbaar dat het hof ook de aard van de (in zijn ogen bestaande) onjuistheid van de omstreden mededelingen, het belang van Chipshol bij die mededelingen, de relatie tussen LVNL en Chipshol, het dreigend nadeel voor Chipshol en de voor LVNL bestaande mogelijkheden om te voorkomen dat haar informatie tot nadeel voor Chipshol zou leiden, wat overigens van dit alles zij, in zijn oordeel heeft betrokken. 2.32 Onderdeel 3 is gericht tegen rov. 4.13: "4.13 Onbestreden is gebleven dat de bouwaanvraag ten behoeve van Circle Freight concreet was en dat de ligging en situering van de bebouwing ten opzichte van de Aalsmeerbaan vast lagen. LVNL heeft bij memorie van antwoord onder 88 nog wel gesteld dat het bouwplan van Circle Freight over één kam moet worden geschoren met het eerder ingediende te weinig geconcretiseerde inrichtingsplan, maar tegelijkertijd ook voor haar rekening genomen dat het Circle Freight plan als enig geconcretiseerd onderdeel van het grotere globale plan werd gepresenteerd. Daarmee heeft zij de stelling van Chipshol dat de bouwaanvraag van Circle Freight zo concreet was dat LVNL in staat was daarop een concrete toetsing uit te voeren, in plaats van alleen een toetsing aan de hand van een "worst case scenario", onvoldoende weersproken. Het hof zal daarom van de juistheid van die stelling uitgaan. De stellingen van LVNL houden verder niets in waarop zou kunnen worden gegrond dat Chipshol niet mocht verwachten dat LVNL op basis van dit plan een concrete toetsing zou uitvoeren. Dat betekent dat LVNL zich toentertijd na haar toetsing van deze bouwaanvraag niet mocht beperken tot de uiteenzetting die zij feitelijk aan Chipshol heeft gegeven. Het lag op haar weg om daarbij te vermelden dat zij was uitgegaan van een "worst case scenario" en dat dit uitgangspunt had meegebracht dat zij bij de beoordeling van de consequenties van de voorgenomen bebouwing voor de luchtverkeersveiligheid niet alleen de bouwaanvraag in aanmerking had genomen maar ook mogelijke andere bebouwing van gebied A en bebouwing van gebied B en wel in de voor het ILS meest ongunstige vorm. Zonder die aanvullende informatie was de door LVNL gedane mededeling onjuist want onvolledig. Chipshol verkreeg geen afdoende inzicht in de redenen waarom LVNL negatief adviseerde en aldus geen afdoende inzicht in de consequenties voor de luchtverkeersveiligheid van de ten behoeve van Circle Freight voorgenomen bebouwing. LVNL onthield dusdoende Chipshol de mogelijkheid om aan de hand van de verkregen informatie na te gaan of het bouwplan voor Circle Freight dan wel de ontwikkeling van de rest van het Groenenbergterrein zodanig konden worden aangepast dat de luchtverkeersveiligheid gewaarborgd zou blijven. Aldus heeft LVNL gehandeld in strijd met de zorgvuldigheid die zij vanuit haar overwegende adviespositie op het gebied van de luchtverkeersveiligheid jegens Chipshol als belanghebbende in acht had te nemen. Dat geldt te meer als in aanmerking wordt genomen dat LVNL en Chipshol (Landvision) al overleg achter de rug hadden, waarin aan de orde was geweest dat concreter bouwplannen LVNL in staat zouden stellen nauwkeuriger te onderzoeken of de luchtverkeersveiligheid voldoende gewaarborgd zou blijven." 2.33 Subonderdeel 3.1 klaagt dat het oordeel van het hof rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel, dat in dit verband verwijst naar vindplaatsen in de stukken van de feitelijke instanties, heeft het hof miskend dat LVNL zowel aan Chipshol/Landvision als aan de gemeente Haarlemmermeer heeft medegedeeld dat zij de gebieden A en B, waarvan het bouwplan van Circle Freight een ondergeschikt onderdeel uitmaakte, als één geheel en aan de hand van een "worst case scenario" toetste. Uit de brief van 16 november 1998 aan Landvision (genoemd in rov. 4.8) en uit de brief van 8 maart 1999 aan de Toetsingscommissie (genoemd in rov. 4.12) blijkt volgens het subonderdeel immers dat de gebieden A en B in hun totaliteit aan de hand van een "worst case scenario" zijn getoetst, waartoe LVNL op grond van haar wettelijke taak ook was gehouden. Het subonderdeel betoogt dat het derhalve zowel Chipshol/Landvision als de gemeente Haarlemmermeer duidelijk was op welke wijze LVNL het bouwplan ten behoeve van Circle Freight (dat onderdeel vormde van gebied A) heeft getoetst. Gelet daarop valt, nog steeds volgens het subonderdeel, niet in te zien waarom LVNL onvoldoende inzicht zou hebben geboden in de redenen waarom zij negatief adviseerde en waarom haar mededeling onvolledig zou zijn en zij in strijd met de zorgvuldigheid jegens Chipshol als belanghebbende heeft gehandeld. Volgens het subonderdeel geldt het voorgaande temeer nu het hof niet heeft beslist dat LVNL de bouwaanvraag ten behoeve van Circle Freight en de overige gedeelten van gebied A alsmede gebied B niet als één geheel kon toetsen. 2.34 Bij de beoordeling van het subonderdeel stel ik voorop dat in de door het subonderdeel bedoelde brieven niet expliciet is vermeld dat het bouwplan ten behoeve van Circle Freight is getoetst als onderdeel van gebied A, dat op zijn beurt, samen met gebied B, aan een "worst case scenario" is onderworpen. LVNL heeft in haar brief van 8 maart 1999, waarin zij negatief over het bouwplan ten behoeve van Circle Freight adviseerde, uitdrukkelijk verwezen naar haar brief van 16 november 1998, waarin zij is ingegaan op de uitkomsten van de simulatie voor de gebieden A en B in hun totaliteit. Voorts heeft LVNL in haar brief van 8 maart 1999 een verband gelegd tussen haar negatieve advies over het bouwplan ten behoeve van Circle Freight en hetgeen voor gebied A geldt, te weten een maximale bouwhoogte van 3 m, welke bouwhoogte voortvloeide uit die voor de gebieden A en B in hun totaliteit uitgevoerde simulatie. Daarom kan uit de door het subonderdeel genoemde brieven mijns inziens wél worden afgeleid dat het bouwplan ten behoeve van Circle Freight niet op zichzelf, maar als onderdeel van het grotere geheel van de gebieden A en B, althans van gebied A, is getoetst, en dat daarbij is teruggegrepen op de simulatie die eerder voor de gebieden A en B in hun totaliteit was uitgevoerd en ten aanzien waarvan Chipshol volgens het hof (rov. 4.10) had moeten begrijpen dat zij op een "worst case scenario" was gebaseerd. Bij die stand van zaken volstond het enkele feit dat het bouwplan ten behoeve van Circle Freight op zichzelf voldoende concreet was om anders aan de hand van een "worst case scenario" te worden getoetst, niet voor enig gerechtvaardigd vertrouwen dat het negatieve advies louter op een toetsing van dat geconcretiseerde plan berustte en niet mede op een toetsing van de in dat stadium ook volgens het hof nog niet geconcretiseerde delen van het globale plan voor de gebieden A en B (het hof heeft in rov. 4.13 het Circle Freight plan als "enig geconcretiseerd onderdeel van het grotere globale plan" aangeduid). Ik acht het subonderdeel daarom gegrond. 2.35 Subonderdeel 3.2 betoogt dat, anders dan het hof kennelijk heeft geoordeeld, in het licht van hetgeen subonderdeel 3.1 betoogt, niet relevant of LVNL wel of niet voldoende heeft weersproken dat zij de bouwaanvraag van Circle Freight concreet had kunnen toetsen. 2.36 Of de bouwaanvraag ten behoeve van Circle Freight als zodanig voldoende concreet was om concreet (en anders dan aan de hand van een "worst case scenario") te worden getoetst, doet inderdaad niet ter zake, als Chipshol zich had moeten realiseren dat die bouwaanvraag niet op zichzelf is getoetst, maar als onderdeel van het grotere globale plan, waaraan voor het overige nog een voldoende concrete invulling ontbrak. 2.37 Onderdeel 4 is gericht tegen de rov. 4.24-4.27 en 4.35: 4.24 Het hof is van oordeel dat LVNL met de reeks mededelingen die begon op 29 november 2002 en voorafging aan haar nadere standpuntbepaling van 18 oktober 2005 jegens Chipshol onzorgvuldig heeft gehandeld. Blijkens de door haar gegeven toelichting heeft LVNL tot haar taak gerekend om de aan haar verstrekte bouwtekeningen te beoordelen met inachtneming van al hetgeen nog verder over het voorgenomen gebruik van het Groenenbergterrein uit die tekeningen kon worden opgemaakt. Zij heeft zich daarvan een totaalbeeld gevormd, meer in het bijzonder een totaalbeeld van de door dit gebruik veroorzaakte verstoring van het ILS. Die benadering past niet zonder meer bij hetgeen door de gemeente Haarlemmermeer van LVNL werd gevraagd, te weten haar visie op het al of niet verlenen van elk van de gevraagde bouwvergunningen. Hetgeen LVNL tot haar taak heeft gerekend, gaat het bestek daarvan te buiten. Dat LVNL de onderlinge samenhang van de gevraagde bouwvergunningen in haar beschouwingen heeft betrokken en in dat verband bovendien acht heeft geslagen op gebruik van het Groenenbergterrein waarvoor geen bouwvergunning was vereist, waaronder in het bijzonder een parkeerplaats voor vrachtauto's, is op zichzelf, gelet op de aan haar toevertrouwde taak, aanvaardbaar. LVNL had evenwel bij de beantwoording van de door de gemeente Haarlemmermeer aan haar gestelde vragen uiteen moeten zetten, voor welke benadering zij had gekozen. Dat lag te meer op haar weg, omdat zij in de periode vóór de bestemmingswijziging te kennen had gegeven dat zij bij concrete (bouw)plannen beter in staat was om te berekenen welke verstoring van het ILS de (bouw)plannen zouden veroorzaken. Dat betekent immers dat Chipshol, die voorgeschiedenis in aanmerking genomen, mocht veronderstellen dat LVNL aan de hand van haar, Chipshols, concrete (bouw)plannen tot de slotsom was gekomen dat iedere bebouwing hoger dan 3,5 meter moest worden tegengehouden. Chipshol behoefde er gelet op de mededelingen van LVNL niet op bedacht te zijn dat LVNL bedoelde uiteen te zetten dat met modificering van de op de bouwtekening tevens ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen wel kon worden gebouwd. Nu in het najaar van 2005 is gebleken dat de mededelingen van LVNL in die zin onjuist zijn, dat het Groenenbergterrein met voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van genoemde inrichtingselementen wel kan worden bebouwd, zijn de mededelingen van LVNL, het belang van Chipshol bij bebouwing van het Groenenbergterrein in aanmerking genomen, onzorgvuldig jegens Chipshol. In dit verband zij herhaald dat het Lib op zichzelf niet aan bebouwing in de weg behoefde te staan, doordat het ontheffingsmogelijkheden bood. De enkele verwijzing door LVNL naar het regime van het Lib is dus ontoereikend om haar mededelingen voor juist te houden. 4.25 Het feit dat LVNL heeft geadviseerd op basis van de eerdere bestektekeningen met de nummers V.2002W813bl01A en V.2002W813bl01B waarin de truckparking nog voorkwam, staat aan bovenstaande conclusie dat LVNL onzorgvuldig jegens Chipshol heeft gehandeld, niet in de weg. Dat LVNL pas in de fase dat de rapportage van de Commissie artikel 43 Luchtvaartwet werd voorbereid, is geconfronteerd met tekening nummer V.2002W817bl01 en kennis nam van de omstandigheid dat de truckparking uit de plannen was verdwenen, doet niet af aan het feit (dat) LVNL onvoldoende inzicht heeft gegeven in de redengeving van haar advies op basis van de eerdere tekeningen. Daardoor bleef verborgen wat de reden was voor het negatieve advies, althans wat de reden kon zijn. Met name kon verborgen blijven dat LVNL was uitgegaan van een inmiddels achterhaald ontwerp van de inrichting van het terrein. Er bestond voor Chipshol dan ook geen althans onvoldoende aanleiding om LVNL uit eigen beweging op de hoogte te stellen van de tekening met nummer V.2002W817bl01, ook niet nadat zij de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat van 17 september 2003 had ontvangen met als bijlage de schriftelijke toelichting van LVNL van 6 juni 2003. In die toelichting kon Chipshol lezen dat LVNL haar onderzoek had uitgevoerd op basis van de oude tekeningen. In die toelichting viel evenwel niet te lezen op welke onderdelen van de tekeningen LVNL in het bijzonder had acht geslagen. Zij hoefde dan ook niet te begrijpen dat het verdwijnen van de truckparking in de latere tekeningen voor het advies van LVNL van belang kon zijn. 4.26 LVNL betoogt ook nog dat zij niet eerder had kunnen ontdekken dat het laten vallen van de truckparking mogelijkheden voor de bouwplannen van Chipshol biedt. De computersimulatie geeft volgens haar slechts een totaalbeeld. Pas toen LVNL tekening nummer V.2002W817bl01 onder ogen kreeg, bleek haar de relevantie van de truckparking. LVNL heeft geen succes met dit argument. Het hof moet immers aannemen dat LVNL zich de relevantie van de truckparking voor de luchtverkeersveiligheid van meet af aan heeft gerealiseerd. Anders is niet begrijpelijk waarom ze de truckparking, die niet bouwvergunningplichtig was, in haar computersimulatie heeft meegenomen. Wetenschap van een en ander had Chipshol, ook voordat tekening nummer V.2002W817bl01 voor LVNL beschikbaar was, in staat gesteld te ontdekken dat de niet vergunningplichtige truckparking invloed had op het ILS. 4.27 In het verweer van LVNL valt tot slot niet te lezen dat het haar onevenredig grote inspanningen zou hebben gekost om Chipshol tijdig toereikend te informeren. (...) 4.35 Het Cyrrusrapport dateert van 28 november 2006. De data uit dit rapport had Chipshol dus pas ter beschikking na afloop van de hier relevante vertragingsperiode. Bezwaarlijk kan dus worden aanvaard dat Chipshol haar schade had kunnen beperken door die gegevens eerder in te brengen. Voor zover LVNL heeft beoogd Chipshol meer in het algemeen te verwijten dat zij haar schade niet heeft beperkt door in een eerder stadium contra-expertise te vragen, moet worden geoordeeld dat dit betoog faalt. Het verwijt aan LVNL houdt in dat zij Chipshol onvoldoende heeft duidelijk gemaakt op welke wijze zij haar onderzoek heeft verricht, en dat bemoeilijkte nu juist contra-expertise." 2.38 Subonderdeel 4.1 betoogt dat het oordeel in rov. 4.24 rechtens onjuist, althans zonder nadere toelichting die ontbreekt, onbegrijpelijk is. Volgens het subonderdeel had het hof in het licht van rov. 4.4 dienen vast te stellen of LVNL onjuiste mededelingen over de gebruiksmogelijkheden van het Groenenbergterrein had gedaan. Blijkens de vaststelling in rov. 4.24 volgens welke het advies van LVNL met betrekking tot de gebruiksmogelijkheden van het Groenenbergterrein zoals die volgden uit de door Chipshol opgestelde bouwtekeningen juist en volledig was, was dat laatste niet het geval. Bij die stand van zaken valt volgens het subonderdeel niet in te zien waarom van een onrechtmatig handelen van LVNL jegens Chipshol sprake was. 2.39 Zoals hiervoor (onder 2.31) reeds aan de orde kwam, is het hof met betrekking tot de adviezen/mededelingen van LVNL van een ruim begrip onjuistheid/onvolledigheid uitgegaan. Dat begrip omvat in de benadering van het hof kennelijk mede het geval dat zich uit het advies niet laat opmaken dat modificering van bepaalde, op de bouwtekening ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen bebouwing mogelijk maakt. Al om die reden kan het subonderdeel niet tot cassatie leiden. Overigens lees ik in rov. 4.24 niet dat het hof het advies en de mededelingen van LVNL als juist en volledig zou hebben gekwalificeerd. Aan het slot van rov. 4.24 (p. 32, onderaan) heeft het hof daarentegen overwogen dat de mededelingen van LVNL "in die zin onjuist zijn, dat het Groenenbergterrein met voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van genoemde inrichtingselementen wel kan worden bebouwd". In zoverre mist de klacht van het subonderdeel ook feitelijke grondslag. 2.40 Subonderdeel 4.2 richt zich tegen het oordeel in rov. 4.24, voor zover dat is gebaseerd op de overweging dat, indien bepaalde niet vergunningplichtige aspecten in de tekeningen van Chipshol zouden worden gewijzigd, géén onaanvaardbare verstoring van het ILS zou optreden. Volgens het subonderdeel adviseerde LVNL de gemeente Haarlemmermeer en behoorde het niet tot haar taak de gemeente eigener beweging uiteen te zetten op welke wijze belanghebbenden hun bouwplannen zodanig kunnen inrichten dat deze geen onaanvaardbare verstoring van het ILS opleveren. Het subonderdeel wijst erop dat LVNL geen ontwikkelaar is die wijzigingen in bouwplannen kan voorstellen en dat een verplichting zoals door het hof is aangenomen, zou leiden tot een onaanvaardbare taakverzwaring voor LVNL, die niet met haar wettelijke taak in overeenstemming is. Het subonderdeel betoogt dat LVNL, anders dan het hof heeft overwogen, niet tot het verstrekken inlichtingen over mogelijke alternatieven is gehouden. Daarom kan, nog steeds volgens het subonderdeel, het achterwege laten van de mededeling door LVNL dat met een voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van haar plannen wel zou kunnen worden gebouwd, niet als onrechtmatig handelen jegens Chipshol worden aangemerkt. 2.41 Bij de beoordeling van de klacht van het subonderdeel stel ik voorop dat over de feitelijke grondslag daarvan twijfel mogelijk is. Of, zoals het subonderdeel veronderstelt, het hof van LVNL heeft verlangd dat zij Chipshol informeerde over mogelijke alternatieven, is niet geheel duidelijk. Enerzijds lijkt het hof een minder ver reikende verplichting op het oog te hebben gehad, waar het heeft overwogen dat LVNL had moeten uiteenzetten "voor welke benadering zij had gekozen" (te weten voor het beschouwen van de gevraagde bouwvergunningen in hun onderlinge samenhang, met inachtneming van het gebruik van het Groenenbergterrein waarvoor geen bouwvergunning was vereist, waaronder in het bijzonder een parkeerplaats voor vrachtauto's). Anderzijds heeft het hof kennelijk toch een verder reikende verplichting beoogd, waar het heeft overwogen dat "Chipshol (...) er gelet op de mededelingen van LVNL niet op bedacht (behoefde) te zijn dat LVNL bedoelde uiteen te zetten dat met modificering van de op de bouwtekening tevens ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen wel kon worden gebouwd" (rov. 4.24, p. 32). Op een verder reikende verplichting (volgens welke LVNL Chipshol had moeten attenderen op een na aanpassing van de plannen wel mogelijke bebouwing) wijst ook dat het hof in aansluiting op de geciteerde passage heeft overwogen dat, "(n)u in het najaar van 2005 is gebleken dat de mededelingen van LVNL in die zin onjuist zijn, dat het Groenenbergterrein met voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van genoemde inrichtingselementen wel kan worden bebouwd, (...) de mededelingen van LVNL, het belang van Chipshol bij bebouwing van het Groenenbergterrein in aanmerking genomen, onzorgvuldig jegens Chipshol (zijn)" (rov. 4.24, p. 32/33). Een aanwijzing voor de hier bedoelde lezing van de bestreden overweging is ten slotte ook gelegen in hetgeen het hof in rov. 4.8 met betrekking tot de periode vóór 4 september 2002 heeft overwogen, te weten dat (kort gezegd) over de (on)rechtmatigheid van het handelen van LVNL gedurende die periode anders zou moeten worden gedacht, "als Chipshol uit al hetgeen tussen haar en LVNL was voorgevallen had mogen begrijpen dat LVNL in haar advies niet alleen tot uitdrukking zou brengen wat de consequenties waren voor de luchtverkeersveiligheid van een "worst case scenario" maar ook melding zou maken van gebruiksalternatieven, waardoor het luchtverkeersveiligheidsrisico tot aanvaardbare proporties zou kunnen worden teruggebracht". Uitgaande van de laatste lezing van het bestreden oordeel acht ik de klacht gegrond. Voor een verplichting van LVNL om in haar negatieve advies aan een bestuursorgaan over een bepaald, aan dat bestuursorgaan voorgelegd bouwplan op een bij wijziging van al dan niet vergunningplichtige elementen van dat plan voor haar mogelijk wél aanvaardbaar alternatief te wijzen, zie ik geen grond, alhoewel de aanvrager van de bouwvergunning bij een dergelijke gang van zaken uiteraard kan zijn gebaat. Daarbij moet naar mijn mening in aanmerking worden genomen dat LVNL doorgaans niet bij voorbaat en niet zonder nader onderzoek zal weten of en zo ja welk alternatief voor haar aanvaardbaar zou zijn. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, acht ik ook niet goed begrijpelijk waarom het hof in casu kennelijk van het tegendeel is uitgegaan, waar het ermee rekening heeft gehouden dat LVNL met haar negatieve adviezen "bedoelde uiteen te zetten dat met modificering van de op de bouwtekening tevens ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen wel kon worden gebouwd". Dat die laatste mogelijkheid zich voordeed, heeft LVNL niet al ten tijde van haar negatieve adviezen, maar eerst in oktober 2005 onderkend, nadat zij op basis van een aangepaste bestektekening de toenmalige bouwplannen opnieuw heeft beoordeeld. Bij de hiervoor verworpen opvatting dat het hof het oog had op een minder ver gaande verplichting volgens welke LVNL had moeten uiteenzetten "voor welke benadering zij had gekozen" (te weten voor het beschouwen van de gevraagde bouwvergunningen in hun onderlinge samenhang, met inachtneming van het gebruik van het Groenenbergterrein waarvoor geen bouwvergunning was vereist, waaronder in het bijzonder een parkeerplaats voor vrachtauto's), teken ik ten slotte aan dat, nog daargelaten of niet reeds de gemeente de plannen voor de kavels I en IV als één geheel ter beoordeling aan LVNL heeft voorgelegd
(15), de door LVNL gevolgde benadering alleszins voor de hand lag. Of een bouwplan al dan niet tot een onaanvaardbare verstoring van het ILS zou kunnen leiden, liet zich uiteraard slechts aan de hand van alle daarin opgenomen, al niet vergunningplichtige inrichtingselementen beoordelen, nu het op het cumulatieve effect van al die inrichtingselementen aankwam. In dat verband rijst de vraag waarom LVNL dit nog eens uitdrukkelijk had moeten uiteenzetten. Voorts is het de vraag of een uiteenzetting zoals door het hof bedoeld Chipshol daadwerkelijk op het spoor van wel aanvaardbare alternatieven zou hebben gezet. Dat laatste zou wellicht het geval zijn geweest als in een dergelijke uiteenzetting op de bijzondere betekenis van de parkeerplaats voor vrachtauto's zou zijn gewezen, maar uit de stukken laat zich opmaken dat de cruciale betekenis van die parkeerplaats met het oog op een mogelijke verstoring van het ILS eerst later (in het najaar van 2005) aan LVNL is gebleken. 2.42 Subonderdeel 4.3 stelt aan de orde dat een wijziging van de plannen door LVNL sponte sua en een toetsing van die gewijzigde plannen zinloos is zonder instemming van de indiener van het plan. Een toetsing van door de indiener van het plan uiteindelijk niet gewenste alternatieven, leidt tot onnodig handelen. Daarbij wijst het subonderdeel erop dat na 29 november 2002 geen contacten tussen LVNL en Chipshol hebben plaatsgehad, zodat voor LVNL niet kenbaar was welke wijziging van plannen voor Chipshol aanvaardbaar was. Onder die omstandigheden kan het nog steeds volgens het subonderdeel niet als onzorgvuldig handelen van LVNL jegens Chipshol worden beschouwd dat LVNL niet heeft aangegeven met welke aanpassing van niet vergunningplichtige inrichtingselementen het plan wel had kunnen worden gerealiseerd. 2.43 Kennelijk heeft het hof bedoeld dat LVNL Chipshol op wel uitvoerbare alternatieven diende te wijzen, ook als niet zou vaststaan dat Chipshol die alternatieven daadwerkelijk zou willen realiseren. In die benadering van het hof dienden onnodige toetsingshandelingen op de koop toe te worden genomen. Bij die stand van zaken mist het subonderdeel doel. 2.44 Subonderdeel 4.4 bestrijdt het oordeel in rov. 4.24 als rechtens onjuist, omdat het doen van een onvolledige mededeling - in die zin dat LVNL aan de gemeente Haarlemmermeer had moeten uiteenzetten dat het Groenenbergterrein met een voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van niet vergunningplichtige inrichtingselementen wél had kunnen worden bebouwd - eerst jegens Chipshol onzorgvuldig is, indien deze onvolledigheid aan degene die de mededeling deed duidelijk was, althans behoorde te zijn. 2.45 Het subonderdeel kiest mijns inziens terecht als uitgangspunt dat de door het hof aangenomen onzorgvuldigheid vooronderstelt dat LVNL met de onvolledigheid van de door haar gedane mededeling (in de door het hof bedoelde zin) bekend was, althans behoorde te zijn. De klacht van het subonderdeel mist echter feitelijke grondslag, nu het hof, zoals hiervóór (onder 2.41) reeds aan de orde kwam, kennelijk van bekendheid van LVNL met die onvolledigheid is uitgegaan. 2.46 Subonderdeel 4.5 voegt aan de klacht van subonderdeel 4.4 toe, dat voor zover het oordeel in rov. 4.24 aldus moet worden begrepen dat het hof van oordeel zou zijn geweest dat LVNL ten tijde van haar negatieve adviezen al wel van de relevantie van de niet vergunningplichtige inrichtingselementen (de truckparking) op de hoogte was of behoorde te zijn, dat oordeel rechtens onjuist of althans onbegrijpelijk is. Het subonderdeel verwijst naar uiteenzettingen in de stukken van de feitelijke instanties van de door LVNL op grond van verdragen, besluiten van volkenrechtelijke organisaties (waaronder het ICAO) en de wet te volgen werkwijze, die inhoudt dat zij toetst aan de hand van (een) bouwplan(nen), waarbij, door middel van simulatie van een totaalbeeld van de daarin opgenomen objecten (inrichtingselementen), de door ruimtegebrek veroorzaakte storing van het ILS wordt vastgesteld, zulks met dien verstande dat bij onbekendheid van de invulling van het totale plan de toets "worst case" wordt uitgevoerd. Volgens het subonderdeel valt, nu LVNL het totaalbeeld van de objecten (inrichtingselementen) in de (concrete) bouwtekeningen van kavels I en IV zoals die door de gemeente aan LVNL zijn voorgelegd, heeft getoetst, niet in te zien waarom voor haar duidelijk was - of gelet op haar wettelijke taak voor haar duidelijk behoorde te zijn - welke specifieke inrichtingselementen een verstoring van het ILS veroorzaakten en na aanpassing van welke specifieke elementen de verstoring aanvaardbaar zou zijn. Het subonderdeel betoogt dat LVNL dan ook geen inlichtingen behoefde te verschaffen over de wijze waarop het plan ten aanzien van de wel ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen zodanig zou kunnen worden aangepast dat de verstoring van het ILS aanvaardbaar was. Voor zover het hof zijn oordeel in rov. 4.24 mede heeft gebaseerd op de aanbevelingen van het in rov. 4.33 bedoelde rapport van het NLR, is dat oordeel volgens het subonderdeel rechtens onjuist, althans, zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. De aanbeveling in het rapport dat LVNL in haar documentatie duidelijkheid verschaft over de bronnen van de verstoring van het ILS-signaal, betekent niet dat LVNL daartoe rechtens is gehouden, noch dat zij daartoe (op het moment van het verstrekken van de door het hof in rov. 4.24 bedoelde inlichtingen) in staat was, aldus het subonderdeel. Het subonderdeel besluit met de conclusie dat ook om deze redenen niet valt in te zien waarom de mededelingen van LVNL onzorgvuldig waren jegens Chipshol. 2.47 De klacht van het subonderdeel is mede gebaseerd op wettelijke bepalingen en bepalingen van bindende verdragen en besluiten van volkenrechtelijke organisaties, waaronder het ICAO, waaruit zou voortvloeien hoe de door LVNL te verrichten toetsing dient plaats te vinden. Anders dan het subonderdeel zou kunnen doen vermoeden, schrijven die bepalingen niet tot in detail een werkwijze voor zoals door LVNL bedoeld, met inbegrip van een onderscheid tussen globale en concrete plannen en van een in geval van globale plannen te toetsen "worst case scenario". Wel is duidelijk dat de (mijns inziens niet bindende) voorschriften van ICAO Annex 10, Attachment C
(16), ervan uitgaan dat "(t)he occurrence of interference to ILS signals is dependent on the total environment around the ILS antennas (...)", met inbegrip van "fixed" en "movable objects" (paragraaf 2.1.10.1), en dat mogelijke verstoringen kunnen worden berekend met behulp van een computersimulatie (paragraaf 2.1.10.4), waarbij wordt uitgegaan van de wortel van de som van de gekwadrateerde statische en dynamische verstoring ("root sum square combination") (paragraaf 2.1.10.5.1). Voor de beoordeling van de klacht van het subonderdeel acht ik slechts relevant dat een mogelijke verstoring van het ILS zich slechts aan de hand van een totaalbeeld laat vaststellen. Tegen de achtergrond dat LVNL aan de hand van het totaal van de inrichtingselementen van het haar voorgelegde bouwplan bepaalt of al dan niet van een onaanvaardbare verstoring van het ILS sprake is, kan, zoals hiervóór (onder 2.41) al aan de orde kwam, niet worden aangenomen dat LVNL, zonder verdere berekeningen op grond van door haar in de voorgelegde tekeningen aan te brengen variaties, reeds ten tijde van haar negatieve adviezen aan LVNL ermee bekend was of had moeten zijn dat met aanpassing van de niet vergunningplichtige inrichtingselementen, met name het afzien de truckparking, de toenmalige plannen voor de kavels I en IV zonder onaanvaardbare verstoring van het ILS hadden kunnen worden gerealiseerd. De enkele omstandigheid dat die laatste mogelijkheid in het najaar van 2005 werd onderkend bij onderzoek van een nieuwe tekening waarin Chipshol zelf een bepaalde wijziging (het vervallen van de truckparking) had doorgevoerd, volstaat niet voor de conclusie dat LVNL die mogelijkheid ten tijde van haar negatieve adviezen kende of behoorde te kennen. 2.48 In rov. 4.24 lees ik niet dat het hof zijn oordeel over de bekendheid van LVNL met de mogelijkheid van een aanvaardbare aanpassing van de bouwplannen mede heeft gebaseerd op het in rov. 4.33 bedoelde rapport van het NLR, zodat de tweede klacht van het subonderdeel feitelijke grondslag mist. 2.49 Volgens subonderdeel 4.6 vitieert het betoog in subonderdeel 4.5 ook het oordeel in rov. 4.8, indien dat oordeel aldus moet worden begrepen dat op LVNL de verplichting kan rusten om gebruiksalternatieven te geven. Gelet op haar wettelijke taak heeft LVNL volgens het subonderdeel een dergelijke verplichting niet. 2.50 Het subonderdeel kan mijns inziens niet tot cassatie leiden. Anders dan het subonderdeel veronderstelt, geeft rov. 4.8 niet blijk van de opvatting dat LVNL in de daar bedoelde situatie (toetsing aan de hand van een "worst case scenario") tot het noemen van wel aanvaardbare gebruiksalternatieven was gehouden. In rov. 4.8 heeft het hof niet meer geformuleerd dan een nader te onderzoeken (maar uiteindelijk afgewezen) hypothese met betrekking tot hetgeen Chipshol in de daar bedoelde periode mocht veronderstellen. 2.51 Subonderdeel 4.7 klaagt dat het hof in rov. 4.24 voorts heeft miskend dat LVNL, gelet op haar wettelijke taak, geen visie geeft over het al dan niet verlenen van bouwvergunningen. LNVL beoordeelt volgens het subonderdeel immers geen bouwvergunningen, maar toetst bouwplannen aan de hand van simulatiemodellen gebaseerd op het ICAO. Als de gemeente Haarlemmermeer om een visie van LVNL zou hebben gevraagd op het al dan niet verlenen van elk van de gevraagde bouwvergunningen - zoals het hof in rov. 4.24 heeft overwogen - behoefde LVNL daaraan derhalve niet te voldoen, indien het hof daaronder meer heeft begrepen dan de beantwoording van de vraag of de gebruiksmogelijkheden zoals die bleken uit de bouwtekeningen het ILS op onaanvaardbare wijze verstoorden. Gelet op de wettelijke taak van LVNL was dat, naar uit 's hofs vaststelling in rov. 4.1.5 volgt, ook voor de gemeente Haarlemmermeer duidelijk. Voor zover het hof zijn beslissing in rov. 4.24 mede op zijn vorenstaande overweging heeft gebaseerd, is die beslissing, nog steeds volgens het subonderdeel, rechtens onjuist. 2.52 In de door het subonderdeel bestreden passage ligt mijns inziens besloten dat het hof aan zijn oordeel mede ten grondslag heeft gelegd dat LVNL, door de gevraagde bouwvergunningen in onderlinge samenhang te beoordelen en mede acht te slaan op gebruik van het Groenenbergterrein waarvoor geen bouwvergunning was vereist, is getreden buiten het bestek van hetgeen de gemeente van haar had gevraagd, te weten "haar visie op het al dan niet verlenen van elk van de gevraagde bouwvergunningen". Kennelijk achtte het hof de door LVNL gevolgde benadering, alhoewel "op zichzelf (...) aanvaardbaar", dermate afwijkend dat LVNL mede om die reden de door haar gevolgde benadering bij de beantwoording van de door de gemeente gestelde vragen had moeten uiteenzetten ("(...) is op zichzelf, gelet op de aan haar toevertrouwde taak, aanvaardbaar. LVNL had evenwel bij de beantwoording van de door de gemeente Haarlemmermeer aan haar gestelde vragen uiteen moeten zetten, voor welke benadering zij had gekozen."). Nog daargelaten dat onduidelijk is hoe de gemeente de bouwaanvraag voor de kavels I en IV aan LVNL heeft gepresenteerd en welke vragen zij daarbij precies heeft gesteld (zie ook hiervóór onder 2.8 en 2.41), was de door LVNL gevolgde benadering niet zo bijzonder (laat staan: afwijkend), dat LVNL die benadering mede daarom in haar adviezen diende te verantwoorden. LVNL had zich niet over "het al dan niet verlenen van elk van de gevraagde bouwvergunningen" uit te spreken, maar diende de (totale) bouwaanvraag op een mogelijke verstoring van het ILS te beoordelen, hetgeen tot een beoordeling van alle, ook niet vergunningplichtige inrichtingselementen noopte. Ik acht het subonderdeel daarom gegrond. 2.53 Subonderdeel 4.8 betoogt dat hetgeen in subonderdeel 4.5 is aangevoerd, met zich brengt dat het oordeel in rov. 4.24 dat hetgeen LVNL tot haar taak heeft gerekend, "het bestek daarvan" (te weten van hetgeen de gemeente aan LVNL had gevraagd) te buiten gaat, rechtens onjuist is. Het subonderdeel herinnert eraan dat LVNL zich een totaalbeeld van de verstoring van het ILS door de objecten (inrichtingselementen), zoals opgenomen in de bouwtekeningen, diende te vormen, en dat LVNL daartoe alle objecten van de bebouwing op het Groenenbergterrein tezamen en in onderlinge samenhang in haar beschouwingen diende te betrekken, inclusief niet vergunningplichtige elementen, zoals dynamische objecten. Daaraan voegt het subonderdeel nog toe dat LVNL de bouwplannen voor de kavels I en IV als één geheel van de gemeente heeft ontvangen en heeft beoordeeld en dat haar dan ook niet duidelijk was dat het bouwplan was opgedeeld in of ingediend als twee bouwaanvragen. 2.54 Door de haar door de gemeente voorgelegde bouwaanvraag (zie rov. 4.19: "een bouwaanvraag voor de kavels I en IV" en "de nieuwe bouwaanvraag") in haar geheel en met inachtneming van niet vergunningplichtige inrichtingselementen te beoordelen, is LVNL niet getreden buiten hetgeen zij ter beoordeling van een mogelijk onaanvaardbare verstoring van het ILS door die bouwaanvraag diende te verrichten. Dat geldt temeer als de gemeente LVNL de plannen voor de kavels I en IV als één geheel en niet als twee afzonderlijke vergunningaanvragen heeft aangeboden. Overigens verwijs ik voor de betekenis van dit een en ander naar de bespreking van subonderdeel 4.7. 2.55 Subonderdeel 4.9 klaagt over het oordeel in rov. 4.24, voor zover daaraan de gedachte ten grondslag zou liggen dat LVNL beleids- of beoordelingsvrijheid zou toekomen om het gebruik van het Groenenbergterrein waarvoor geen vergunning was vereist bij haar onderzoek buiten beschouwing te laten. In dat geval zou het bestreden oordeel rechtens onjuist zijn, nu, zoals in subonderdeel 4.5 is uiteengezet, LVNL op grond van haar wettelijke taak geen andere mogelijkheid had dan het betrekken van alle inrichtingselementen in haar simulatie, waaronder het bedoelde, niet vergunningplichtige gebruik. 2.56 Aan rov. 4.24, waarin het hof de door LVNL gevolgde werkwijze niet verder heeft gesauveerd dan als "op zichzelf, gelet op de aan haar toevertrouwde taak, aanvaardbaar" (mits LVNL bij de beantwoording van de vragen van de gemeente zou uiteenzetten "voor welke benadering zij had gekozen"), ligt kennelijk de veronderstelling ten grondslag, dat LVNL, zo zij daartoe al niet was gehouden, in elk geval had kunnen kiezen voor een andere benadering. Daartegen voert het subonderdeel mijns inziens terecht aan dat een dergelijke veronderstelling van een misvatting van de taak van LVNL getuigt. Ook die misvatting doet afbreuk aan de door het hof aangenomen (en op een veronderstelde keuze van LVNL voor een bepaalde, in de ogen van het hof kennelijk niet voor de hand liggende benadering gebaseerde) gehoudenheid van LVNL om in haar adviezen aan de gemeente te expliciteren voor welke benadering zij had "gekozen". 2.57 Subonderdeel 4.10 betoogt dat de klacht van subonderdeel 4.9 ook rov. 4.6 vitieert, voor zover het daarin vervatte oordeel dat het LVNL vrijstond om (voorafgaand aan de bestemmingswijziging van 4 september 2002) te kiezen voor een "worst case scenario" aldus moet worden begrepen dat LVNL naar het oordeel van het hof ook voor een andere benadering had kunnen kiezen. 2.58 Het subonderdeel mist naar mijn mening feitelijke grondslag. Uit rov. 4.7 blijkt immers, dat het hof ervan is uitgegaan dat LVNL "het belang van de luchtverkeersveiligheid had te dienen door uit te gaan van een "worst case scenario"", in welk oordeel ligt besloten dat LVNL (althans in de periode die in de rov. 4.6-4.7 aan de orde
  1. is)niet voor een andere benadering had kunnen kiezen. 2.59 Subonderdeel 4.11 bestrijdt het in rov. 4.24 vervatte oordeel dat Chipshol mocht veronderstellen dat LVNL tot de conclusie was gekomen dat iedere bebouwing hoger dan 3,5 m moest worden tegengehouden. Volgens het subonderdeel is dit oordeel (dat volgens het subonderdeel mede voortvloeit uit het eveneens rechtens onjuiste, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijke oordeel in rov. 4.1.6 dat LVNL zich tot in het jaar 2005 op het standpunt heeft gesteld dat eventuele bebouwing niet hoger mocht worden dan 3 respectievelijk 0
  2. m)rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Volgens het subonderdeel, dat in dit verband verwijst naar subonderdeel 4.5, toetst LVNL bouwplannen voor zover die beschikbaar zijn. Dat is gebeurd ten aanzien van de tekeningen waarop het hof in rov. 4.24 heeft gedoeld (de in rov. 4.25 genoemde tekeningen V.2002W813bl01A en V.2002W813bl01B). In de brief aan de Toetsingscommissie van 16 december 2002, waarin LVNL over de uitkomsten van de simulatie naar aanleiding van die tekeningen heeft bericht, heeft LVNL volgens het subonderdeel dan ook niet (naar ik begrijp: in algemene zin) aan de Toetsingscommissie medegedeeld dat de bebouwing niet hoger mocht zijn dan 3 (respectievelijk 3,5) m. Het subonderdeel betoogt dat daarom niet begrijpelijk is waarom het hof heeft geoordeeld dat LVNL zich ook na de bestemmingswijziging en bij de toetsing van concrete plannen op het standpunt heeft gesteld dat de bebouwing niet hoger mocht zijn dan 3 (respectievelijk 3,5) m. Daarbij is het bedoelde oordeel volgens het subonderdeel ook tegenstrijdig met rov. 4.19, waarin het hof heeft geciteerd uit een brief van LVNL aan de gemeente Haarlemmermeer, waarin melding wordt gemaakt van een overschrijding van de ter plekke toegestane bouwhoogte van 10 m. Voor zover het hof het aan LVNL toegeschreven standpunt heeft afgeleid uit de verwijzing van LVNL naar het Luchthavenindelingsbesluit Schiphol (Lib) en/of uit mededelingen van LVNL over het Lib, is dat volgens het subonderdeel eveneens onbegrijpelijk. De mededelingen van LNVL naar aanleiding van het Lib stonden volgens het subonderdeel los van (de mededelingen over de wijze waarop) de simulaties (die) naar aanleiding van concrete bouwplannen plaatsvonden. Het subonderdeel memoreert dat LVNL in dat verband heeft gesteld dat het bouwverbod de in het Lib vastgestelde bouwhoogten in feite naar voren heeft getrokken en dat de in het Lib opgenomen bouwhoogten waren gebaseerd op een "worst case scenario". LVNL heeft daaraan, nog steeds volgens het subonderdeel, toegevoegd dat dit dezelfde wijze van toetsen is als voor globale plannen geldt en dat op het Lib een ontheffing kan worden verleend indien bij toetsing van een concreet plan blijkt dat dit geen onaanvaardbare verstoring van het ILS oplevert. Uit dit betoog van LVNL volgt volgens het subonderdeel dat (de mededelingen over en/of de verwijzing naar) het Lib niets van doen heeft met de toetsing van concrete bouwplannen - zoals de door het hof in rov. 4.24 bedoelde plannen - en de in dat verband toelaatbare bouwhoogten. Het subonderdeel concludeert dat, voor zover het hof zijn oordeel dat LVNL onzorgvuldig heeft gehandeld, mede heeft gebaseerd op zijn overweging over hetgeen Chipshol met betrekking tot de toegestane bouwhoogten mocht veronderstellen, dat oordeel ook om die reden rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is. 2.60 De klacht van het subonderdeel is terecht voorgesteld. Zonder nadere motivering, die ontbreekt, valt inderdaad niet in te zien waarom "Chipshol, de voorgeschiedenis in aanmerking genomen, mocht veronderstellen dat LVNL aan de hand van haar, Chipshols, concrete (bouw)plannen tot de slotsom was gekomen dat iedere bebouwing hoger dan 3,5 m moest worden tegengehouden." Datzelfde geldt voor de (mede in de klacht van het subonderdeel betrokken) passage in rov. 4.1.6, volgens welke LVNL "(t)ot in het jaar 2005 (en dus ook in de periode waarin inmiddels een concrete toetsing van concrete bouwplannen aan de hand van een simulatie aan de orde was; LK) (...) zich naar aanleiding van het door Chipshol voorgenomen gebruik van het terrein op het standpunt (heeft) gesteld dat eventuele bebouwing niet hoger mocht worden dan 3 respectievelijk 0 meter." De maximale bouwhoogten van respectievelijk 3 m (voor gebied A) en 0 m (voor gebied B) vloeiden voort uit de toetsing van het nog niet geconcretiseerde globale plan aan de hand van de "worst case"-simulatie waarover LNVL Landvision bij brieven van 5 november 1998 en 16 november 1998 (zie rov. 4.8) berichtte. Zoals het hof in het bestreden arrest ook zelf meermalen en terecht heeft benadrukt, trad met de beschikbaarheid van concrete bouwplannen een wezenlijk andere situatie in, en wel in die zin dat het voortaan op een toetsing aan de hand van een simulatie van die concrete bouwplannen en niet langer op de resultaten van de in 1998 uitgevoerde toetsing van het globale plan aan de hand van een simulatie van een "worst case scenario" aankwam. In rov. 4.24 lees ik niet dat het hof zich voor de bestreden overweging zou hebben gebaseerd op mededelingen van LVNL over het Lib. Dat laatste is ook niet aannemelijk, nu het hof zich blijkens het slot van rov. 4.24 zeer wel bewust is geweest dat het Lib (voor concrete bouwplannen) ontheffingsmogelijkheden bood. Voor zover het subonderdeel van een andere opvatting uitgaat, mist het feitelijke grondslag. 2.61 Subonderdeel 4.12 herhaalt de klacht van subonderdeel 4.11 voor het oordeel in rov. 4.29 "dat LVNL in de periode van 29 november 2002 tot 18 oktober 2005 jegens Chipshol onrechtmatig heeft gehandeld door mede te delen dat op het Groenenbergterrein iedere bebouwing hoger dan 3,5 meter moest worden tegengehouden (...)". 2.62 De klacht van het subonderdeel slaagt op dezelfde gronden als die van subonderdeel 4.11. 2.63 Subonderdeel 4.13 bestrijdt onder verwijzing naar subonderdeel 4.5 het oordeel in rov. 4.26 dat LVNL geen succes heeft met het argument dat zij niet eerder had kunnen ontdekken dat het laten vallen van de truckparking mogelijkheden bood voor de bouwplannen van Chipshol en de relevantie van de truckparking pas bleek toen zij bouwtekening V.2002W817bl01 onder ogen kreeg. Volgens het subonderdeel is dit oordeel rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het subonderdeel betoogt dat het hof in rov. 4.26 heeft aangenomen dat LVNL zich de relevantie van de truckparking van meet af aan heeft gerealiseerd omdat anders niet begrijpelijk is waarom zij de truckparking die niet vergunningplichtig was, in haar computersimulatie heeft meegenomen. Het subonderdeel stelt daar tegenover dat LVNL op grond van haar wettelijke taak en de toetsingseisen zoals weergegeven in het ICAO alle objecten (inrichtingselementen) en daarmee ook niet vergunningplichtig gebruik van een terrein in haar simulatie dient te betrekken en dat daarom uit de omstandigheid dat LVNL ook de truckparking in haar beschouwingen heeft betrokken, niet impliceert dat zij zich (in de door het hof bedoelde zin) de relevantie van de truckparking voor de luchtverkeersveiligheid heeft gerealiseerd. Volgens het subonderdeel is in dit verband van belang dat de relevantie van de truckparking voor de verstoring van het ILS eerst aan het licht kwam nadat het door het hof in rov. 4.33 bedoelde onderzoek door het NLR in april 2005 met inachtneming van de in de rov. 4.25-4.26 bedoelde tekening V.2002W817bl01 (zonder truckparking) was uitgevoerd. 2.64 Uit de omstandigheid dat LNVL de truckparking in haar simulatie heeft betrokken terwijl die truckparking niet vergunningplichtig was, heeft het hof kennelijk afgeleid dat LNVL al van meet af aan een bijzondere betekenis aan die truckparking heeft toegekend met het oog op een mogelijke verstoring van het ILS. Die gevolgtrekking is, zonder nadere motivering, die ontbreekt, inderdaad niet begrijpelijk. Of het ILS al dan niet onaanvaardbaar dreigt te worden verstoord hangt af van het totaalbeeld, van de situatie ter plaatse in haar geheel, met inbegrip van alle al dan niet vergunningplichtige inrichtingselementen. LVNL heeft de truckparking in haar simulatie betrokken omdat die truckparking nu eenmaal onderdeel vormde van het door middel van die simulatie te toetsen totaalbeeld (in die zin was de truckparking relevant, maar niet meer of niet minder relevant dan ongeacht welk ander inrichtingselement dat van het te toetsen totaalbeeld onderdeel vormde), en niet omdat LVNL ermee rekening hield dat juist de aanwezigheid van die truckparking van doorslaggevende betekenis zou kunnen zijn bij het intreden van een onaanvaardbare verstoring van het ILS. Ik acht de klacht van het subonderdeel daarom gegrond. 2.65 Onder verwijzing naar vindplaatsen in de stukken van de feitelijke instanties verwijt subonderdeel 4.14 het hof in de rov. 4.24 en 4.26 te hebben miskend dat de truckparking wel degelijk vergunningplichtig is en daarom (a fortiori) in de toetsing van de bouwplannen van Chipshol diende te worden betrokken. LVNL heeft in dit verband gewezen op de (althans destijds) voor een parkeerterrein als inrichting in de zin van de Wet milieubeheer bestaande vergunningplicht en op de noodzaak van een aanleg- en gebruiksvergunning, die uit de betrokken bouwverordening kan voortvloeien (hetgeen in casu het geval zou zijn)
(17). 2.66 Naar mijn mening mist LVNL belang bij de klacht van het onderdeel, nu (anders dan het hof mogelijk heeft aangenomen) het al dan niet bestaan van een vergunningplicht niet beslissend is voor de vraag welke inrichtingselementen LVNL in haar simulatie diende te betrekken. Overigens meen ik dat de klacht in die zin feitelijke grondslag mist, dat het hof niet in het algemeen heeft geoordeeld dat de parkeerplaats voor trucks niet vergunningplichtig was, maar dat daarvoor geen bouwvergunning was vereist ("(...) gebruik van het Groenenbergterrein waarvoor geen bouwvergunning was vereist, waaronder in het bijzonder de parkeerplaats voor vrachtauto's (...)"). 2.67 Subonderdeel 4.15 bestrijdt, wederom onder verwijzing naar het betoog in subonderdeel 4.5, het oordeel in rov. 4.27 dat het LVNL geen onevenredig grote inspanningen zou hebben gekost om Chipshol tijdig toereikend te informeren. Volgens het subonderdeel zou het wel degelijk onevenredig grote inspanningen van LVNL hebben gevergd, als LVNL onderzoek had moeten doen naar de uitkomsten van de door haar uitgevoerde simulaties aan de hand van niet bestaande plannen om er achter te komen dat een plan (zonder truckparking) wel tot de mogelijkheden behoorde. In het onderhavige geval lag een analyse door LVNL van de inrichtingselementen die de verstoring veroorzaakten volgens het subonderdeel te minder voor de hand, omdat het hof niet heeft vastgesteld dat de gemeente Haarlemmermeer, aan wie LVNL adviseerde, daarom had gevraagd. Bovendien had Chipshol de bedoelde analyse volgens het subonderdeel ook zelf kunnen laten uitvoeren, zoals zij, naar het hof in rov. 4.35 heeft vastgesteld, later ook heeft gedaan. 2.68 Zoals hiervóór (onder 2.41) aan de orde kwam, is niet geheel duidelijk hoever de door het hof aangenomen informatieplicht van LVNL gaat. Bij de bespreking van subonderdeel 4.2 ben ik ervan uitgegaan dat het hof van LVNL méér heeft verlangd dan een enkele aanduiding van de door haar gevolgde systematiek (simulatie aan de hand van het totaalbeeld), in het bijzonder op grond van de passage in rov. 4.24 waaruit voortvloeit dat LVNL naar het kennelijke oordeel van het hof aan Chipshol had moeten duidelijk maken "dat met modificering van de op de bouwtekening tevens ingetekende maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen wel kon worden gebouwd" en op grond van het oordeel aan het slot van rov. 4.24 dat in het najaar van 2005 is gebleken dat de mededelingen van LVNL in die zin onjuist (en daarom onzorgvuldig) waren, dat het Groenenbergterrein met voor Chipshol aanvaardbare aanpassing van de genoemde inrichtingselementen wél kan worden bebouwd. In de laatste lezing van het bestreden arrest slaagt de klacht van het subonderdeel; het gaat te ver van LVNL te verlangen dat zij in het kader van haar advisering over een haar voorgelegd, concreet bouwplan, in geval van een negatief advies over dat plan, nader onderzoekt en adviseert of en zo ja, welke modificatie van (al dan niet vergunningplichtige) elementen van dat plan al dan niet tot voor haar aanvaardbare alternatieven zou leiden. 2.69 Subonderdeel 4.16 voegt aan subonderdeel 4.15 toe dat het betoog van subonderdeel 4.15 althans heeft te gelden nu Chipshol op de hoogte was van de wijze waarop haar bouwplannen door LVNL werden getoetst. 2.70 Naar mijn oordeel kon het hoe dan ook niet van LVNL worden verlangd door te rekenen of en zo ja, welke modificatie van de haar voorgelegde plannen tot een wel aanvaardbaar alternatief zou leiden. Iets anders is (maar daarop ziet subonderdeel 4.17) dat het hof mogelijk niet meer van LVNL heeft verlangd dan dat zij de door haar gevolgde onderzoeksmethodiek zou aanduiden. In dat geval zou een onderzoek van LVNL naar bij modificatie van de haar voorgelegde plannen mogelijk wel aanvaardbare alternatieven in het geheel niet aan de orde zijn. 2.71 Voor het geval dat rov. 4.24 aldus moet worden opgevat dat Chipshol naar het oordeel van het hof niet op de hoogte was van de wijze waarop LVNL haar bouwtekeningen toetste, bestrijdt subonderdeel 4.17 dat oordeel als onbegrijpelijk. Het subonderdeel verwijst naar de brieven van 17 september 1998 en 16 november 1998 waarin Chipshol op de hoogte is gesteld van de wijze waarop de toetsing door LVNL plaatsvond. Uit de brief van 17 september 1998 (zie rov. 4.8) en in het bijzonder uit de daarin vermelde mogelijkheid dat Chipshol een geheel nieuw uitgewerkt voorstel ter toetsing aan de Luchtverkeersbeveiliging diende te zenden, had Chipshol volgens het subonderdeel kunnen afleiden dat LVNL het totaalbeeld toetste dat uit de voorgelegde plannen naar voren kwam, terwijl uit beide brieven bleek dat ook dynamische objecten zoals auto's in de toetsing worden betrokken. Voorts wijst het subonderdeel erop dat uit de brief van LVNL van 12 augustus 1996 aan één van de potentiële klanten van Chipshol blijkt dat een parkeerterrein de goede werking van het ILS kan beïnvloeden. Volgens het subonderdeel was Chipshol derhalve ervan op de hoogte dat LVNL een totaalbeeld van alle objecten in de ingediende plannen toetste waarbij zij ook niet vergunningplichtige elementen (zoals de truckparking, die volgens het hof niet vergunningplichtig was) betrok. 2.72 Dat Chipshol daadwerkelijk wist hoe LVNL de bouwtekeningen toetste, blijkt naar mijn mening niet dwingend uit de correspondentie waarnaar het subonderdeel verwijst. Enerzijds kon uit de brieven van 17 september en 16 november 1998 worden afgeleid dat het voor de beoordeling van de mogelijkheid om delen van de beoogde (en in dat stadium nog niet uitgewerkte) bouwplannen te realiseren, aankwam op een bij wijze van simulatie te verrichten onderzoek aan de hand van het totaalbeeld van de gebieden A en B, en dat de tot een toelaatbaar niveau te beperken onnauwkeurigheid van het ILS wordt veroorzaakt door de cumulatieve reflecties van statische en dynamische objecten, die zich naar hun aard niet per object, maar slechts in het kader van een totaalbeeld laten beoordelen. Anderzijds waren die brieven, die betrekking hadden op de situatie dat nog slechts van globale en (afgezien van het bouwplan ten behoeve van Circle Freight) nog niet geconcretiseerde plannen sprake was, niet zó duidelijk dat alleen op grond daarvan kan worden aangenomen dat Chipshol positieve wetenschap had dat LVNL ook haar concrete plannen in hun geheel en met inachtneming van niet vergunningplichtige inrichtingselementen beoordeelde. Het subonderdeel kan daarom niet tot cassatie leiden. Overigens meen ik dat zozeer voor de hand lag dat LVNL concrete bouwplannen met inbegrip van niet vergunningplichtige inrichtingselementen beoordeelde, dat Chipshol, ook zonder nadere informatie over de door LVNL gevolgde werkwijze, zich had kunnen realiseren dat zij door modificatie van niet vergunningplichtige inrichtingselementen de bezwaren van LVNL (wellicht) had kunnen wegnemen. 2.73 Subonderdeel 4.18 betoogt dat de klacht van subonderdeel 4.17 in elk geval opgaat voor de situatie vanaf 17 september
  1. Naar het hof in rov. 4.23 heeft vastgesteld, heeft LVNL immers in haar notitie van 6 juni 2003 (die was ingebracht naar aanleiding van het tegen het bouwverbod van 19 februari 2003 door Chipshol ingediende bezwaar) uiteengezet op welke wijze zij had getoetst. In dat verband heeft LVNL volgens het subonderdeel uiteengezet dat de plannen voor de kavels I en IV in hun totaliteit zijn beoordeeld en dat ook de verstoring die door dynamische objecten wordt veroorzaakt, in de toetsing werd betrokken. Blijkens vaststelling van het hof in rov. 4.25 heeft Chipshol deze notitie als bijlage bij de brief van de minister van Verkeer en Waterstaat van 17 september 2003 ontvangen. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien waarom Chipshol niet althans vanaf dat moment op de hoogte was van de wijze waarop LVNL de toetsing van de bouwplannen van Chipshol had uitgevoerd. Evenmin valt volgens het subonderdeel in te zien waarom, zoals het hof in rov. 4.25 heeft overwogen, Chipshol op grond van deze notitie niet kon begrijpen dat het verdwijnen van de truckparking voor het advies van LVNL van belang kon zijn. 2.74 Aangenomen dat het hof LVNL niet meer heeft verweten dan dat LVNL haar werkwijze niet aan Chipshol heeft bekend gemaakt (waardoor Chipshol niet erop bedacht kon zijn dat zij door modificatie van in haar bouwaanvraag opgenomen maar niet vergunningplichtige inrichtingselementen de bezwaren tegen dat bouwplan - wellicht - kon ondervangen), valt, zonder nadere motivering, die ontbreekt, inderdaad niet in te zien waarom het (in de ogen van het hof) onrechtmatige handelen van LVNL niet een einde nam op het moment dat Chipshol de genoemde notitie ontving, maar tot 18 oktober 2005 voortduurde. Dat, zoals het hof aan het slot van rov. 4.25 heeft overwogen, ook in dat stadium nog niet bekend was op welke onderdelen van de tekeningen LVNL "in het bijzonder" acht had geslagen, kan naar mijn mening niet meer beslissend zijn, als Chipshol uit de notitie ten minste had kunnen afleiden dat ook niet bouwvergunningplichtige) objecten in de simulatie waren betrokken. 2.75 Subonderdeel 4.19 klaagt over rov. 4.35, waarin het hof zou hebben miskend dat de data uit het Cyrrusrapport al eerder dan 28 november 2006 aan Chipshol ter beschikking stonden. Het rapport van Cyrrus was immers gebaseerd op de door LVNL voor haar toetsing gebruikte data. Deze data waren gevoegd als bijlage bij de notitie van 6 juni 2003, waarover Chipshol (naar subonderdeel 4.18 aan de orde stelt) reeds op 17 september 2003 beschikte. 2.76 Waar het subonderdeel in wezen terugvalt op de door subonderdeel 4.18 verdedigde betekenis van de notitie van 6 juni 2003, meen ik dat aan de klacht van het subonderdeel, naast die van subonderdeel 4.18, geen zelfstandige betekenis toekomt. 2.77 Subonderdeel 4.20 poneert dat hetgeen in de subonderdelen 4.18-4.19 is betoogd, met zich brengt dat voor Chipshol, anders dan het hof in rov. 4.25 heeft geoordeeld, voldoende aanleiding bestond LVNL uit eigen beweging op de hoogte te stellen van de door het hof bedoelde tekening V.2002W817bl
  2. Met name door een simulatie, gebaseerd op de laatstgenoemde tekening, had immers - voordat het door het hof in rov. 4.33 bedoelde onderzoek door het NLR in april 2005 was uitgevoerd - aan de hand van deze tekening kunnen worden vastgesteld dat de truckparking relevant was voor de verstoring van het ILS. In dat verband is, anders dan het hof heeft overwogen, niet van belang dat Chipshol niet behoefde te begrijpen dat het verdwijnen van de truckparking in de latere tekeningen voor het advies van LVNL van belang kon zijn. Het subonderdeel betoogt dat, ook voor LVNL zelf, simulatie aan de hand van een gewijzigd plan de enige mogelijkheid is om te ontdekken welke inrichtingselementen het ILS (onaanvaardbaar) verstoren. Alleen in een dergelijk iteratief proces kan, nog steeds volgens het subonderdeel, worden ontdekt welke elementen de verstoring met name veroorzaken. 2.78 Bij de beoordeling van het subonderdeel stel ik voorop dat zich ook hier enigszins wreekt dat onduidelijk is wat het hof LVNL precies heeft verweten. Als het verwijt slechts is dat LVNL Chipshol niet heeft duidelijk gemaakt dat zij toetste aan de hand van een totaalbeeld, met inbegrip van niet vergunningplichtige inrichtingselementen, lag het niet op de weg van LVNL, maar op de weg van Chipshol zelf om, althans vanaf het moment waarop de bedoelde werkwijze van LVNL haar duidelijk was geworden, haar plannen desgewenst te modificeren, opdat zou kunnen worden getoetst of de desbetreffende modificaties de bezwaren in verband met een onaanvaardbare verstoring van het ILS zouden ondervangen. In de hier bedoelde benadering zou het LVNL niet eigener beweging door haarzelf bedachte modificaties behoeven te toetsen en aan Chipshol behoeven voor te stellen. Gaat het verwijt verder en heeft het hof LVNL aangerekend dat zij niet zelf wel aanvaardbare alternatieven heeft aangedragen, dan is dat laatste anders. Als het hof de eerste benadering heeft gevolgd, gaat de klacht van het onderdeel op. Vanaf het moment waarop Chipshol kennis kreeg van de door LVNL gevolgde systematiek, was het in die benadering aan Chipshol zelf om (desgewenst) gemodificeerde plannen in te dienen en ter toetsing te brengen, en om in dat verband (eventueel) ook aandacht te vragen voor tekening V.2002W817bl01, die van de reeds door LVNL getoetste tekeningen afweek. In die zin bestond er voor Chipshol, nadat zij had kennisgenomen van de door LVNL gevolgde systematiek, wel degelijk aanleiding uit eigen beweging LVNL van tekening V.2002W817bl01 op de hoogte te stellen. Als het hof zou hebben bedoeld dat zodanige aanleiding slechts zou hebben bestaan in het geval dat Chipshol uit het rapport van 6 juni 2003 had kunnen afleiden dat tekening V.2002W817bl01, zonder truckparking, een toetsing door LVNL (waarschijnlijk) zou doorstaan, zou het hof mijns inziens wezenlijk méér van LVNL hebben verlangd dan dat zij Chipshol over de door haar gevolgde systematiek informeerde, en wel dat LVNL Chipshol actief op het spoor zette van wel toelaatbare alternatieven en/of haar zulke alternatieven aanreikte (de tweede benadering). Als het hof de tweede benadering heeft gevolgd, zou daarmee consistent zijn dat naar het oordeel van het hof de notitie van LNV van 6 juni 2003 voor Chipshol geen althans onvoldoende aanleiding was om LVNL uit eigen beweging op de hoogte te stellen van tekening V.2002W817bl
  3. In dat geval faalt het subonderdeel, wat echter niet wegneemt dat de tegen de bedoelde benadering gerichte klachten zoals die van subonderdeel 4.2 slagen. 2.79 Subonderdeel 4.21 betoogt dat de klacht van subonderdeel 4.20 in elk geval opgaat voor de situatie die intrad na het beschikbaar komen van het door het hof in rov. 4.33 genoemde rapport van het NLR in april
  4. Uit dat rapport bleek immers dat de door Chipshol op tekening V.2002W817bl01 voorgestelde bebouwing geen ernstige belemmeringen zou meebrengen. Chipshol had in elk geval vanaf het moment dat zij kennis nam van dit rapport de betrokken tekening door LVNL kunnen laten toetsen. Volgens het subonderdeel beschikte Chipshol vanaf dat moment over dezelfde informatie als zij zou hebben gehad indien LVNL de door het hof in rov. 4.24 bedoelde inlichtingen omtrent de mogelijkheden van bebouwing bij het weglaten van bepaalde niet vergunningplichtige elementen wel zou hebben verstrekt. 2.80 Bij de beoordeling van het subonderdeel stel ik voorop dat de omstandigheid dat Chipshol de informatie die LVNL haar (naar het oordeel van het hof) onthield, op enig moment van een derde verkreeg, niet afdoet aan de door het hof aangenomen onzorgvuldigheid van het handelen van LVNL en de door het hof aangenomen onrechtmatigheid van dat handelen niet beëindigt, maar hooguit een rol zou kunnen spelen in het kader van een op Chipshol rustende schadebeperkingsverplichting. Tegen die achtergrond zie ik geen verband met de voorgaande subonderdelen. 2.81 Subonderdeel 4.22 bestrijdt de in rov. 4.25 vervatte overweging dat LVNL in haar negatieve advies van een inmiddels achterhaald ontwerp van de inrichting van het terrein was uitgegaan. Volgens het subonderdeel is deze overweging, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. Het subonderdeel betoogt dat LVNL heeft aangevoerd dat er twee bouwplannen circuleerden, één met truckparking voor de door het hof in rov. 4.19 bedoelde kavels I en IV, in welk plan de truckparking op kavel I was geprojecteerd (de tekeningen met de nummers V.2002W813bl01A en V.2002W813bl01B) en waarvoor blijkens rov. 4.19 een bouwvergunning is verleend, en één zonder truckparking voor de kavels II, III en V (de tekening met nummer V.2002W817bl01), zonder dat Chipshol heeft aangegeven dat het plan (fase 1) voor de kavels I en IV inmiddels was achterhaald. Volgens het subonderdeel valt niet in te zien waarom sprake zou zijn van een inmiddels achterhaald ontwerp voor de kavels I en IV, nu de tekeningen met de nummers V.2002W813bl01A en V.2002W813bl01B enerzijds en de tekening met nummer V.2002W817bl01 anderzijds op verschillende te ontwikkelen kavels zagen en voor de ontwikkeling van de kavels I en IV inmiddels een bouwvergunning was verleend. Het subonderdeel tekent nog aan dat op tekening met nummer V.2002W817bl01 de truckparking weliswaar was vervallen, maar die tekening niet is overgelegd in verband met de ontwikkeling van het kavel (kavel I) waarop de truckparking was geprojecteerd, maar in verband met de bouwaanvraag voor de ontwikkeling van de kavels II, III en IV. Het op de bestreden overweging gebaseerde oordeel dat voor Chipshol geen althans onvoldoende aanleiding bestond om LVNL uit eigen beweging op de hoogte te stellen van de tekening met nummer V.2002W817bl01, is volgens het subonderdeel dan ook rechtens onjuist, althans zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk. 2.82 Het oordeel in rov. 4.25 dat LVNL bij haar negatieve advies (waarmee, naar ik aanneem, is bedoeld het negatieve advies naar aanleiding van de bouwaanvraag voor de kavels I en IV zoals omschreven in rov. 4.19) van een inmiddels achterhaald ontwerp van de inrichting van het terrein was uitgegaan en zulks voor Chipshol verborgen bleef bij gebrek aan inzicht in de redengeving van het advies, is mijns inziens in strijd met de feiten die het hof zelf heeft vastgesteld. LVNL is bij haar advies uitgegaan van de tekeningen die bij de betrokken bouwaanvraag zijn overgelegd en niet op enig moment door de tekening met nummer V.2002W817bl01 zijn vervangen. Zou dat laatste al anders zijn, dan zou chronologisch nog altijd onjuist zijn dat LVNL bij haar advies van inmiddels (op dat moment reeds) achterhaalde tekeningen is uitgegaan. Het negatieve advies van LVNL dateerde van 16 december 2002, waarna de desbetreffende bouwvergunningen op 1 februari 2003 zijn verleend (rov. 4.19). Tekening V.2002W817bl01 behoorde tot de bouwaanvraag voor de kavels II, III en V, welke bouwaanvraag eerst op 27 maart 2003 (na het negatieve advies en na de verlening van de desbetreffende bo

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.