Nr. 10/02429
(2)De tweede door het hof genoemde grond is dat de constatering van het op Nederlands grondgebied gepleegde strafbare feit in Nederland is geschied en niet in Duitsland. Aanhouding op zich van verdachte vanwege dat geconstateerde strafbare feit was dan ook niet onrechtmatig.
- In dat licht is 's Hofs oordeel, dat niet gebleken is dat er bij de aanhouding van verdachte een ernstige schending van beginselen van een goede procesorde heeft plaatsgevonden, waarbij doelbewust of met grove veronachtzaming van verdachtes belangen tekort is gedaan aan diens recht op een behoorlijke rechtspleging, niet onbegrijpelijk.
- Na het oordeel dat niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie niet aan de orde is gelet op de genoemde gronden, volgt uit 's hofs overweging inhoudende dat het "in het voorgaande geen aanleiding tot toepassing van een concreet rechtsgevolg aan dit vormverzuim" ziet, dat het hof zich heeft gebogen over de vraag of er een ander rechtsgevolg dan niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie aan het verzuim verbonden zou moeten worden, en dat het hof, gelet op de genoemde gronden, oordeelt dat volstaan kan worden met de constatering van het verzuim. In aanmerking genomen dat het hof met zijn overwegingen omtrent de twee genoemde gronden tot uitdrukking heeft gebracht dat verdachte door het verzuim niet in een rechtens te respecteren belang is geschaad, geeft 's hofs oordeel dat volstaan kan worden met de constatering van het verzuim geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is het evenmin onbegrijpelijk.