Nr. 10/03655 Mr. Vellinga Zitting: 7 februari 2012 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)7. Blijkens het bestreden arrest heeft het Hof vastgesteld dat verdachte bij de Koninklijke Marechaussee verklaringen heeft afgelegd zonder dat zij tevoren is gewezen op het recht een raadsman te raadplegen. Het Hof oordeelt vervolgens dat er sprake is van een verzuim in de zin van art. 359a Sv, maar dat aan het verzuim in het onderhavige geval geen gevolgen dienen te worden verbonden. Hierbij heeft het Hof betrokken dat verdachte ook na consultatie van een advocaat is doorgegaan met het afleggen van verklaringen, terwijl gesteld noch gebleken is dat verdachte bij de Koninklijke Marechaussee wenste terug te komen op de eerdere verklaringen en voorts dat uit de verhoren die verdachte bij de Rechtbank en het Hof heeft afgelegd niet is gebleken dat verdachte wijzigingen wilde aanbrengen in die eerdere verklaringen. 8. Gelet op hetgeen hiervoor onder 5 en 6 is vooropgesteld, geeft 's Hofs oordeel blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Dit dient tot vernietiging van het bestreden arrest te leiden nu het Hof als bewijsmiddelen 3, 4 en 5 verklaringen van de verdachte voor het bewijs heeft gebezigd waarvan het Hof heeft vastgesteld dat deze zijn afgelegd zonder dat verdachte tevoren is gewezen op het recht een raadsman te raadplegen. 9. Het middel slaagt. 10. Het tweede middel komt op tegen 's Hofs oordeel dat het niet anders kan dan dat de bij de verdachte aangetroffen geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. 11. Ten laste van verdachte is bewezenverklaard dat: "zij op 11 november 2008, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 75.360 euro, bestaande uit 8 biljetten van 500 euro en 28 biljetten van 200 euro en 206 biljetten van 100 euro en 782 biljetten van 50 euro en 303 biljetten van 20 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl zij wist dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf" 12. Het arrest bevat, voor zover relevant voor de bespreking van het middel, de volgende bewijsoverweging: "De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep op 25 februari 2010 bepleit dat de verdachte moet worden vrijgesproken van het haar ten laste gelegde omdat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat het onder haar gevonden geldbedrag van enig misdrijf afkomstig is. Het hof overweegt naar aanleiding van dit verweer het volgende. Volgens de jurisprudentie van de Hoge Raad (HR 28 september 2004, LJN: AP2124) moet op grond van doel en strekking van artikel 420bis Wetboek van Strafrecht (Sr) en mede in het licht van de geschiedenis van de totstandkoming van die bepaling worden aangenomen dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Dit betekent dus dat uit de bewijsmiddelen niet behoeft te kunnen worden afgeleid door wie, wanneer en waar dit misdrijf concreet is begaan. Wel is voor een veroordeling ter zake van artikel 420bis Sr (witwassen) vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Het hof heeft bij de bewezenverklaring gelet op de volgende feiten en omstandigheden:
- a)de verdachte werd op Schiphol aangetroffen met een totaalbedrag van EUR 75.360,00 onder zich;
- b)de verdachte verklaarde, nadat het bedrag van EUR 10.000,00 in haar handbagage werd gevonden en haar koffers nog niet waren doorzocht, dat zij niet meer geld in haar bezit had;
- c)de verdachte verklaarde later dat zij de EUR 10.000 in haar handbagage heeft gedaan omdat zij wist dat ze dit bedrag probleemloos in haar handbagage mocht meevoeren;
- d)de geldbedragen waren in verschillende hoeveelheden in aluminiumfolie verpakt en waren verstopt op verschillende plaatsen in haar handbagage en - in en tussen kledingstukken - in twee rolkoffers;
- e)de verdachte verklaarde dat zij zelf het geld in aluminiumfolie heeft verpakt en in haar spullen heeft verstopt;
- f)de verdachte heeft vrijwillig afstand gedaan van het totaalbedrag;
- g)het bij de verdachte aangetroffen geldbedrag bestond onder meer uit niet gangbare coupures;
- h)over de achtergrond en bestemming van het geld heeft de verdachte wisselende verklaringen afgelegd. Aanvankelijk heeft zij verklaard dat zij het geld voor iemand uit Düsseldorf moest meenemen, die een huis wil kopen in de Dominicaanse republiek;
- i)voor zover de verdachte heeft verklaard dat het geld afkomstig was van zes dames uit de Duitse prostitutie en bedoeld was om naar de Dominicaanse Republiek te brengen, alwaar de bedragen zouden worden opgehaald door familieleden van de dames, merkt het hof op dat de verdachte desgevraagd geen nadere gegevens heeft verstrekt met betrekking tot deze dames terwijl het -anders dan door de raadsvrouw betoogd- onder deze omstandigheden op de weg van de verdachte had gelegen om hier duidelijkheid over te verschaffen. Gelet op het voorgaande, en in het bijzonder gezien de aangetroffen zeer grote geldbedragen en de manier waarop verdachte de herkomst van het geld heeft willen verhullen door het in verschillende hoeveelheden verpakt in aluminiumfolie aan de naspeuring van justitie te onttrekken, is het hof van oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bij de verdachte aangetroffen geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf." 13. Volgens de toelichting op het middel kan uit de genoemde feiten en omstandigheden niet meer worden geconcludeerd dan dat een relatief groot bedrag bij verdachte is aangetroffen, dat zij de aanwezigheid van dat bedrag in haar bagage heeft willen verhullen en dat zij de herkomst van het geld niet nauwkeurig heeft willen noemen, hetgeen onvoldoende zou zijn om te kunnen aannemen dat het geld van misdrijf afkomstig is. 14. 's Hofs redenering over de criminele herkomst van het aangetroffen geld is geenszins onbegrijpelijk. Naast - zoals in de toelichting op het middel genoemd - het aantreffen van een groot geldbedrag in verdachtes bagage, het verstoppen van het geld en het niet noemen van de herkomst ervan heeft het Hof voor de bewezenverklaring ook van belang geacht dat verdachte wisselende verklaringen heeft afgelegd over de achtergrond en bestemming van het geld, dat het aangetroffen geldbedrag deels bestond uit niet gangbare coupures en dat verdachte, nadat het bedrag van € 10.000 in haar handbagage was aangetroffen, in strijd met de waarheid heeft verklaard dat zij niet meer dan dat bedrag aan geld bij zich had. 's Hofs oordeel dat het niet anders kan dan dat de bij de verdachte aangetroffen geldbedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf, is dan ook niet onbegrijpelijk. 15. Het middel faalt. 16. Het derde middel richt zich tegen de overweging van het Hof dat het op de weg van verdachte had gelegen om duidelijkheid te verschaffen over de zes dames van wie het geld, volgens verdachte, afkomstig zou zijn. Betoogd wordt dat het aan het Openbaar Ministerie is om te bewijzen dat het aangetroffen geld van misdrijf afkomstig is en niet aan de verdachte om te bewijzen dat dit niet zo is. 17. Het is vaste jurisprudentie dat van een verdachte mag worden gevergd dat hij een verklaring geeft voor feiten die daar om vragen.