10/05279 mr. De Vries Lentsch-Kostense Zitting 27 april 2012 Conclusie inzake Delta Lloyd Bank h.o.d.n. Ohra Bank tegen 1. [Verweerder 1] 2. [Verweerster 2] Inleiding 1. In deze effectenleasezaak gaat het om de vraag of de onderhavige effectenleaseovereenkomst 'Overeenkomst Ohra Flexbeleg' die verweerder in cassatie sub 1 (verder: [verweerder 1]) met eiseres tot cassatie (verder: Ohra) heeft gesloten, kan worden aangemerkt als een overeenkomst van huurkoop als bedoeld in art. 7A:1576h BW, waarvoor ingevolge art. 1:88 BW toestemming van 'de andere echtgenoot' is vereist. Daarbij gaat het in de eerste plaats om de vraag of de overeenkomst als een koopovereenkomst kan worden aangemerkt in het licht van de door art. 7:1 juncto art. 7:9 BW gestelde vereisten. Ohra stelt zich op het standpunt dat zij niet is opgetreden als verkoper doch uitsluitend als effectenbemiddelaar (en kredietverstrekker). Daarnaast is het de vraag of is voldaan aan het voor koop op afbetaling (en huurkoop) essentiële kenmerk van betaling van de koopprijs in termijnen waarvan twee of meer verschijnen nadat de verkochte zaak (het vermogensrecht) is afgeleverd. Ohra betoogt dat de koopsom reeds voor de aflevering in zijn geheel is voldaan uit de geldlening en dat de te betalen termijnen slechts aflossing van de geldlening betreffen. Ten slotte is aan de orde of sprake kan zijn van een huurkoopovereenkomst indien, zoals in casu, de belegger direct bij de aanvang van de overeenkomst de (vordering luidende
(2003), § 27.6. Art. 7A:1576 lid 1 en lid 3 BW en art. 7A:1576h; de strekkingsbepalingen 14. In diverse effectenlease-procedures is, evenals in de onderhavige procedure, door echtgenoten van de beleggers betoogd dat het desbetreffende product een koop op afbetaling en ook een huurkoop betrof, zodat op grond van art. 1:88 lid 1 onder d BW de toestemming van de andere echtgenoot was vereist, voor zover het gaat om huurkoop zelfs schriftelijke toestemming, die in de regel zoals ook in deze zaak ontbrak (de zgn. eega-problematiek). Over koop op afbetaling en huurkoop en in het bijzonder over de zgn. 'strekkingsbepalingen' stel ik het hierna volgende voorop. Daarbij teken ik aan dat de strekkingsbepaling van art. 7A:1567 lid 3 BW, zoals hiervoor reeds opgemerkt, een doorslaggevende rol speelde in de zaak Roozendaal/Levob waarin uw Raad op 23 december 2011 arrest wees, dat wil zeggen nadat het onderhavige cassatieberoep was ingesteld. Volledigheidshalve geef ik ook hier de belangrijkste passages uit de parlementaire geschiedenis weer. 15. Koop en verkoop op afbetaling is, aldus art. 7A:1576 lid 1 BW, "de koop en verkoop, waarbij partijen overeenkomen dat de koopprijs wordt betaald in termijnen, waarvan twee of meer verschijnen, nadat de verkochte zaak aan de koper is afgeleverd". Huurkoop is een species van koop op afbetaling, zo volgt uit art. 7A:1576h lid 1 BW, dat bepaalt dat huurkoop is "de koop en verkoop op afbetaling, waarbij partijen overeenkomen, dat de verkochte zaak niet door de enkele aflevering in eigendom overgaat, maar pas door de vervulling van de opschortende voorwaarde van algehele betaling van wat door de koper uit hoofde van de koopovereenkomst verschuldigd is". In de parlementaire geschiedenis wordt over het termijnvereiste van art. 7A:1576 lid 1 onder meer het volgende opgemerkt (memorie van toelichting, Tweede Kamer, zitting 1933-1934, 431, nr. 3, p. 8): "(..) In de definitie gegeven in art. 1576, zijn als noodzakelijke elementen dezer overeenkomst opgenomen het voldoen van den koopprijs in termijnen en het opeischbaar worden van ten minste twee termijnen, nadat de zaak aan den kooper overgedragen is. Hiermede is een overeenkomst omschreven, die van den eigenlijken huurkoop hierin verschilt, dat het eigendomsvoorbehoud ontbreekt, doch in economisch opzicht dikwijls met den huurkoop op één lijn te stellen is. De definitie sluit mitsdien uit de overeenkomsten, waarbij den kooper gedurende zekeren tijd een crediet verleend wordt, indien na het verstrijken van dien tijd de koopprijs in zijn geheel opeischbaar wordt. Het vervallen van ten minste twee termijnen na de overdracht is als eisch gesteld om buiten de regeling te houden die overeenkomsten, waarbij voor een deel van den koopprijs gewoon crediet wordt verleend.(..)" Indien een overeenkomst niet aan alle door art. 7A:1576 lid 1 BW gestelde vereisten voldoet, bestaat de mogelijkheid dat de overeenkomst toch als koop op afbetaling dient te worden aangemerkt op grond van de strekkingsbepaling van art. 7A:1576 lid 3 BW, luidende: "Alle overeenkomsten, welke dezelfde strekking hebben, onder welke vorm of onder welke benaming ook aangegaan, worden als koop en verkoop op afbetaling aangemerkt." Bij deze strekkingsbepaling is in het bijzonder gedacht aan overeenkomsten waarbij de zaak wordt verkocht tegen contante betaling, doch waarbij de koopsom door de verkoper aan de koper ter leen wordt verstrekt onder beding van terugbetaling in termijnen. De strekkingsbepaling beoogt ontduiking te voorkomen en schijnhandelingen tegen te gaan. Zie de parlementaire geschiedenis (memorie van toelichting, Tweede kamer, zitting 1933-1934, 431, nr. 3, p. 8 en 9) waar deze strekkingsbepaling als volgt wordt toegelicht: "Teneinde ontduikingen te voorkomen en schijnhandelingen tegen te gaan, worden volgens het tweede lid (thans derde lid; plv. P-G) overeenkomsten, welke dezelfde strekking hebben, als koop en verkoop op afbetaling aangemerkt. Men denke hier b.v. aan een overeenkomst of een samenstel van overeenkomsten, waarbij een zaak verkocht wordt tegen contante betaling doch de kooppenningen door den verkooper aan den kooper worden ter leen verstrekt onder beding van terugbetaling in termijnen. Dit tweede lid geeft den rechter de aanwijzing na te gaan, welke de strekking, d.i. de uit de feiten blijkende bedoeling van partijen is geweest. Weliswaar begeeft de rechter zich reeds thans bij herhaling op dezen weg, doch, daar de overeenkomsten in ons recht worden onderscheiden naar den inhoud der praestaties, waartoe partijen zich verbinden, en haar uitlegging niet geoorloofd is, indien de bewoordingen duidelijk zijn, is de theoretische grond van een beoordeling naar haar strekking niet bijzonder sterk. Dit moge weinig bezwaar opleveren, zoolang men zich bevindt op het terrein van het aanvullende recht; waar hier een groote plaats is ingeruimd aan bepalingen van dwingend recht, lijkt het gewenscht den rechter de stellige bevoegdheid te verlenen door de constructie, die partijen geven aan haar handeling heen te zien. Men mag verwachten, dat de rechterlijke macht dit voorschrift met voorzichtigheid zal hanteeren. Reeds om zijn preventieve werking heeft het waarde." 16. Huurkoop is, zoals gezegd, de koop op afbetaling waarbij partijen overeenkomen dat de verkochte zaak pas in eigendom overgaat door de vervulling van de opschortende voorwaarde van algehele betaling van hetgeen de koper verschuldigd is. In de parlementaire geschiedenis wordt over de strekking van huurkoop in algemene zin opgemerkt (memorie van toelichting, Tweede kamer, zitting 1933-1934, 431, nr. 3, p. 5): "Ook de laatste, meest voorkomende, vorm van het afbetalingscontract is immers nauwer verwant aan den koop dan aan de huur of eenige andere, in de wet geregelde overeenkomst. Ook bij huurkoop is de wilsovereenstemming van partijen gericht op overdracht van eigendom tegenover betaling van een bepaalden prijs. Het voorbehoud van eigendom, dat de verkooper maakt, het genot vóór den eigendomsovergang, dat de kooper zich bedingt, betreffen slechts een voorbijgaande faze in de afwikkeling. Het contract is gericht op eigendomsverkrijging, niet op huurgenot." Ook voor huurkoop is in art. 7A:1576h lid 2 BW een vergelijkbare strekkingsbepaling opgenomen als in art. 7A:1576 lid 3 BW voor de koop op afbetaling. Over art. 1576h lid 2 wordt in de parlementaire geschiedenis opgemerkt (memorie van toelichting, Tweede Kamer, zitting 1933-1934, 431, nr. 3, p. 12-13): "In overeenstemming met het voorgestelde in art. 1576 2e lid, worden ook volgens dit artikel overeenkomsten, welke dezelfde strekking hebben, als huurkoop aangemerkt. In het bijzonder is vermeld de huur en verhuur als vorm, waarin een huurkoop kan zijn gegoten. Het is gewenscht, dezen vorm afzonderlijk te noemen, omdat in de praktijk veel overeenkomsten worden aangegaan als huurovereenkomsten, waarbij bepaald wordt, dat de "verhuurde" zaak aan den "huurder" in eigendom zal overgaan, zoodra bepaalde "huur"termijnen zullen zijn voldaan. Bij dergelijke overeenkomsten is der partijen wil gericht op eigendomsovergang na het betalen van geldsommen, welker beloop kennelijk beïnvloed is door de gedachte van koop, niet door die van huur. Ook andere overeenkomsten, niet in den vorm van een huurkoop aangegaan, kunnen naar haar strekking als huurkoop worden aangemerkt. Daarbij zal niet de vorm of de benaming, welke men aan de overeenkomst heeft gegeven, beslissend zijn, doch zal zijn na te gaan, wat in wezen beoogd is. Ook hier is van toepassing hetgeen in de toelichting op art. 1576 werd opgemerkt. De rechter zal met voorzichtigheid geval voor geval hebben te onderzoeken." en voorts (Bijl. Hand. Tweede Kamer, zitting 1935-1936, nr. 70, Verslag, p. 7): "Het ontwerp geeft een juridische omschrijving van den huurkoop als een koop en verkoop onder bijvoeging van eenige nadere bepalingen. Zoodra een transactie dus aan deze omschrijving voldoet, is de regeling toepasselijk. Doch hiermede kan niet worden volstaan. Het economische verschijnsel van huurkoop kan zich in andere vormen dan het juridisch omschrevene voordoen. Ook deze vormen behooren onder de regeling te vallen, vooral omdat die regeling veel dwingend recht bevat en niet aan partijen de gelegenheid mag worden gelaten, door een vorm te kiezen, welke niet onder de definitie valt, zich aan deze dwingende bepalingen te onttrekken. De omschrijving van den huurkoop als een bijzonderen koop en verkoop vindt daarom haar complement in de bepaling dat alle overeenkomsten, welke dezelfde strekking hebben, als huurkoop worden aangemerkt. Die strekking is: het gericht zijn op verkrijging van eigendom eener zaak tegen betaling in termijnen, terwijl het genot der zaak reeds overgaat voor de eigendomsverkrijging. Wordt een transactie van deze strekking ondernomen, dan valt zij krachtens de strekkingsclausule onder de regeling." Vgl. in dit verband ook de toelichting in de parlementaire geschiedenis bij art. 1576i (memorie van toelichting, Tweede Kamer, zitting 1933-1934, 431, nr. 3, p. 13): "Het tweede lid is noodig om te voorkomen, dat verschillende overeenkomsten worden gesloten, welke wel ieder afzonderlijk buiten de wettelijke omschrijving van huurkoop vallen, doch in haar onderling verband gezamenlijk een huurkoop opleveren" en (Bijl. Hand. Tweede Kamer, zitting 1935-1936, nr. 70, Verslag, p. 10): "De strekkingsclausule dwingt hem (de rechter; plv. P-G), zoals het ontwerp thans luidt, al spoedig de geheele overeenkomst als een van koop en verkoop op afbetaling te beschouwen." Jurisprudentie m.b.t. effectenleaseovereenkomsten en het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 1 BW. Koop op afbetaling en huurkoop van vermogensrechten; het begrip 'aflevering'. Dexia/[Van T.] en [O]/Dexia 17. In de eerder aan uw Raad voorgelegde effectenlease-zaken Dexia/[Van T.] en [O]/Dexia (HR 28 maart 2008, LJN BC2837, NJ 2009/578 m.nt. Jac. Hijma resp. HR 9 juli 2010, LJN BM3868, NJ 2010/438) was met het oog op het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 1 sub d BW (inhoudende dat een echtgenoot toestemming van de andere echtgenoot behoeft voor overeenkomsten van koop op afbetaling (behalve van zaken die kennelijk uitsluitend of hoofdzakelijk strekken ten behoeve van de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf) aan de orde of de daar voorliggende effectenleaseovereenkomsten aangemerkt konden worden als koop op afbetaling en (tevens) als huurkoop. In dat verband stond in de eerste plaats centraal de vraag of koop op afbetaling, en dus ook huurkoop, niet alleen een zaak (stoffelijk object) als object kan hebben doch ook een vermogensrecht, niet zijnde een registergoed. Uw Raad besliste dat ook een vermogensrecht voorwerp van koop op afbetaling kan zijn voor zover dat in overeenstemming is met de aard van het recht en voorts dat de aard van de litigieuze vermogensrechten - aandelen - zich niet verzetten tegen de opvatting dat koop op afbetaling van dit recht mogelijk is. Uw Raad besliste verder dat ook voor art. 1:88 lid 1 sub d BW geldt dat de term 'koop op afbetaling' ziet op zaken én op vermogensrechten. Uw Raad overwoog in dit verband dat een uitsluiting van vermogensrechten niet verenigbaar is met de gezinsbeschermende strekking van art. 1:88 lid 1 sub d BW. Het gevaar is immers, aldus uw Raad, niet gelegen in het soort goederen dat men koopt maar in de aard van de koop op afbetaling als zodanig. In de onderhavige zaak wordt in cassatie niet meer ter discussie gesteld dat ook vermogensrechten voorwerp van een koop op afbetaling en van huurkoop kunnen zijn en dat het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 1 sub d BW ook betrekking heeft op koop op afbetaling en huurkoop van vermogensrechten. 18. In de hier genoemde zaken was voorts aan de orde wat het begrip 'aflevering' - ingevolge art. 7:9 BW een hoofdverplichting van de verkoper - inhoudt ingeval het gaat om vermogensrechten, nu voor de koop op afbetaling en derhalve ook voor huurkoop kenmerkend is dat na aflevering twee of meer betalingstermijnen verschijnen. Dexia had verdedigd dat de daar voorliggende effectenleaseovereenkomsten geen koop op afbetaling en dus ook geen huurkoop waren omdat een verplichting tot aflevering van de gekochte aandelen ontbrak. Uw Raad verwierp dit betoog in de zaak Dexia/[Van T.] met de volgende overwegingen, waarbij ik aanteken dat het in deze zaken ging om Wge-effecten. In een geval als het onderhavige, waarin het gaat om koop en verkoop van aandelen met levering onder de opschortende voorwaarde dat volledige betaling heeft plaatsgevonden, moet onder aflevering worden verstaan dat de koper het genot van de aandelen verkrijgt. De levering van aandelen geschiedt ingevolge art. 17 Wge door bijschrijving op naam van de verkrijger in de administratie van de aangesloten instelling. Het oordeel van het hof dat de aflevering is geschied door de voorwaardelijke administratie van de aandelen op naam van [Van T.] waardoor, zoals blijkt uit art. 3 Bvel (Bijzondere Voorwaarden Effecten Lease), vanaf dat moment aan hem alle baten en waardeveranderingen toekwamen, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk, ook niet als in aanmerking wordt genomen dat [Van T.] nog niet alle aan de aandelen verbonden rechten mocht uitoefenen. Door de overdracht onder opschortende voorwaarde was [Van T.] nog niet de volledig rechthebbende op de aandelen geworden, maar droeg hij wel het volledige risico van de waardeontwikkeling van de aandelen, verkreeg hij krachtens de overeenkomst recht op het uit het aandeel voortvloeiend dividend, en had hij dus in die zin ook het genot ervan. In zijn annotatie merkt Hijma op dat kern van het begrip aflevering naar zijn oordeel is dat de verkoper het goed in feitelijke zin geeft aan de koper. Bij roerende zaken komt dat, aldus Hijma, gewoonlijk neer op verschaffing van de feitelijke macht. In algemene zin echter staat 'feitelijk geven' niet aan 'macht geven' gelijk; bij aandelen bijvoorbeeld biedt een uitwerking in termen van 'genot geven' een beter - want meer helder - perspectief. Deze benadering haalt het accent weg bij de term 'macht', en faciliteert aldus het inzicht dat het feit dat de koper nog niet alle rechten kan uitoefenen het aannemen van aflevering niet blokkeert. Aldus Hijma, die hieraan toevoegt dat hij van oordeel is dat hoewel de Hoge Raad de toetssteen der genotsverkrijging casuïstisch presenteert, deze invulling van het afleveringsbegrip ook met betrekking tot (andersoortige koop van) andersoortige vermogensrechten goede diensten kan bewijzen. In de zaak [O]/Dexia had Dexia betoogd dat de daar voorliggende effectenleaseovereenkomst waarin het eveneens ging om Wge-effecten, niet kon worden aangemerkt als koop op afbetaling en derhalve evenmin als huurkoop, omdat zij niet voorzag in een verplichting tot aflevering voordat de gehele koopsom is betaald, nu ingevolge de overeengekomen aanvulling op art. 3 Bvel was bepaald dat door de belegger verschuldigde premie zal worden verrekend met de op de aandelen betaalbaar gestelde dividenden. Uw Raad verwierp dat betoog, overwegende dat [O] krachtens art. 3 Bvel alle baten van de aandelen, waaronder de dividenden, genoot terwijl ook de waardeveranderingen voor zijn rekening en risico kwamen, zodat de overeenkomst ertoe strekte aan [O] door de voorwaardelijke inschrijving van de aandelen op zijn naam in de administratie van de bank het genot daarvan te verschaffen, welke genotverschaffing valt aan te merken als een aflevering in de zin van art. 7A:1576h BW. Daaraan kan niet afdoen - aldus uw Raad - dat toekomende dividenden ingevolge art. 6 van de overeenkomst werden verrekend met de door hem aan Dexia verschuldigde premies. Vervolg jurisprudentie m.b.t. effectenleaseovereenkomsten en het toestemmingsvereiste. Roozendaal/Levob 19. In de hiervoor reeds genoemde zaak Roozendaal/Levob (HR 23 december 2011, LJN BT8457, RvdW 2012/33, JOR 2012/48, m.nt. C.W.M. Lieverse) stond - eveneens in verband met het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 1 sub d BW voor koop op afbetaling - centraal de vraag of de daar voorliggende effectenleaseovereenkomsten voldeden aan het ingevolge art. 7A:1576 lid 1 BW voor koop op afbetaling geldende vereiste van betaling van de koopprijs in termijnen waarvan twee of meer verschijnen nadat de verkochte zaak (in casu: de economische eigendom van de effecten) aan de koper is afgeleverd. Het hof ging daarbij veronderstellenderwijs ervan uit dat was voldaan aan de overige door art. 7A:1576 lid 1 BW gestelde vereisten. Bij die overige vereisten gaat het om de vereisten dat de in de overeenkomst bedoelde effecten zijn aan te merken als een "verkochte zaak" die aan de deelnemer wordt "afgeleverd" in de zin van art. 7A:1576 lid 1 BW. Daarbij teken ik aan dat in de thans aan uw Raad voorgelegde zaak door de bank in haar cassatiemiddel wordt betoogd dat zij niet is opgetreden als verkoper doch uitsluitend als effectenbemiddelaar (en kredietverstrekker). Het hof had bedoelde vraag (of sprake is van betaling in termijnen waarvan twee of meer verschijnen nadat de zaak is afgeleverd) ontkennend beantwoord, daartoe overwegende dat de betaling van de koopprijs ten tijde van de aflevering (van de economische eigendom van de effecten aan de belegger) in één termijn aan de bank werd betaald uit een door de bank op dat moment beschikbaar gestelde geldlening, en dat de belegger na de aflevering - en dus na betaling van de koopprijs - tegenover de bank gehouden is tot betaling van de maandelijkse rentetermijnen over de geldlening en, na het verstrijken van de looptijd, tot integrale aflossing van de geldlening. Het hof voegde daaraan toe dat het bepaalde in de strekkingsbepaling van art. 1576 lid 3 BW dit niet anders maakt nu dit artikel niet de strekking heeft een overeenkomst van geldlening waarmee de deelnemer aan een beleggingsproduct als het onderhavige de koopprijs van de door hem in economische eigendom te verwerven effecten in één keer wenst te financieren, op één lijn te stellen met een koop of afbetaling als bedoeld in art. 1576 lid 1 BW. Uw Raad oordeelde anders, daarbij eveneens veronderstellenderwijs ervan uitgaande dat de in de overeenkomst bedoelde effecten zijn aan te merken als een "zaak" (rov. 3.3) c.q. "verkochte zaak" (rov. 3.8) die aan de deelnemer wordt "afgeleverd" in de zin van art. 7A:1576 lid 1: "3.7 Het oordeel van het hof dat art. 7A:1576 lid 3 niet ertoe strekt beleggingsproducten als de onderhavige op één lijn te stellen met een koop op afbetaling als bedoeld in art. 7A:1576 lid 1, miskent dat genoemd lid 3 niet uit zichzelf reeds ertoe strekt een bepaalde overeenkomst op een lijn te stellen met een koop op afbetaling. De genoemde bepaling strekt ertoe te voorkomen dat de in de wettelijke regeling van koop en verkoop op afbetaling beoogde bescherming van de (huur)koper wordt ontgaan doordat de desbetreffende overeenkomst in een bepaalde vorm wordt gegoten. Daarom moet de vraag of de onderhavige overeenkomst dezelfde strekking heeft als een koop en verkoop op afbetaling, beantwoord worden in het licht van de zojuist vermelde strekking van art. 7A:1576 lid 3. Zoals bevestigd wordt door de in nr. 14 (slot) van de conclusie van de plaatsvervangend Procureur-Generaal als tweede geciteerde passage uit de parlementaire geschiedenis, komt het bij de toepassing van lid 3 erop aan dat door de constructie die de partijen aan hun handeling hebben gegeven wordt heengekeken zodat, bijvoorbeeld, een samenstel van overeenkomsten waarbij een zaak verkocht wordt tegen contante betaling doch de koopsom door de verkoper aan de koper ter leen wordt verstrekt onder beding van terugbetaling in termijnen, moet worden aangemerkt als een koop en verkoop op afbetaling. 3.8 De volgens de overeenkomst door de deelnemer te betalen rentetermijnen kunnen weliswaar, zoals het hof heeft geoordeeld, niet worden aangemerkt als termijnen van de koopsom indien men ervan uitgaat dat de koopsom al ten tijde van de aflevering wordt voldaan uit de door Levob aan de deelnemer geleende geldsom, maar het ligt anders wanneer men door de geldleenconstructie heenkijkt en de geldelijke verplichtingen in ogenschouw neemt die, onder welk etiket ook, de deelnemer door het aangaan van een overeenkomst als de onderhavige op zich neemt. Aldus bekeken verbindt de deelnemer aan de "Overeenkomst Het Levob Hefboomeffect" zich immers om, naar de kern genomen (en behoudens de bevoegdheid van Levob om ingevolge art. 6 van de overeenkomst na afloop van de "rentevaste periode" van vijf jaren een andere "rente" vast te stellen), als tegenprestatie voor de verwerving van de economische eigendom van een bundel effecten ter waarde van ƒ 15.000,-- aan Levob een totale som te betalen van ƒ 32.100,-- (ƒ 15.000,-- + 120 x ƒ 142,50), waarvan een gedeelte van (120 x ƒ 142,50 =) ƒ 17.100,-- gedurende de looptijd van tien jaren te voldoen in maandelijkse termijnen en een gedeelte van ƒ 15.000,-- aan het einde van die looptijd. Daarbij is het slechts een kwestie van constructie of de maandelijkse termijn van ƒ 142,50 is vormgegeven als rente over een lening, dan wel (zonder geldlening) als rente over de schuldig gebleven koopsom, al dan niet met een (gedeeltelijke) aflossingscomponent, met in alle gevallen een forse slotbetaling na verkoop van de aandelen na het verstrijken van de looptijd. Vooropgesteld dat de effecten zijn aan te merken als een "verkochte zaak" die aan het begin van de looptijd wordt "afgeleverd" aan de deelnemer (zie hiervoor in rov 3.3), heeft de overeenkomst derhalve, in het licht van art. 7A:1576 lid 3, onmiskenbaar dezelfde strekking als een koop en verkoop op afbetaling. In zoverre slaagt onderdeel 3.4, en daarmee ook onderdeel 4. Art. 1:88 lid 1 BW; strekking 20. Tot slot van deze algemene inleiding sta ik nog - kort - stil bij de reikwijdte van art. 1:88 lid 1 BW, dat volgens vaste jurisprudentie strekt tot bescherming van de andere echtgenoot en daarmee van het gezin waarvan deze deel uitmaakt. Zie Asser/De Boer 1* 2010, nr. 238, die aantekent dat het in art. 1:88 lid 1 BW gaat om rechtshandelingen waaraan naar het oordeel van de wetgever in het algemeen financiële risico's verbonden zijn en dat niet van belang is of dat in het concrete geval ook werkelijk zo is, doch dat omgekeerd rechtshandelingen denkbaar zijn, zoals geldlening, die niet genoemd zijn maar waaraan in het concrete geval grote risico's kleven. In de woorden van uw Raad (HR 19 november 1993, LJN AE8201, NJ 1994, 259, m.nt. WMK en HR 29 november 2002, LJN AE8201, NJ 2003, 152, m.nt WMK): "Weliswaar kunnen ook andere rechtshandelingen dan de daarin genoemde een bedreiging vormen voor de financiële positie van de andere echtgenoot, hetgeen onder omstandigheden ook het geval kan zijn met betrekking tot een overeenkomst van geldlening, maar het zou niet stroken met de vereiste zekerheid van het rechtsverkeer, indien de eis van toestemming van de andere echtgenoot ook zou gelden in een alsdan moeilijk af te grenzen groep van andere gevallen dan die waarvoor de wet dit bepaalt." Daar komt bij, zoals ook uw Raad overwoog, dat bij gelegenheid van de invoering van de Boeken 3, 5 en 6 van het huidige BW de vraag onder ogen is gezien of niet ook de overeenkomst van geldlening zou moeten worden onderworpen aan de eis dat de andere echtgenoot daarin toestemt, doch dat toen ervan is afgezien art. 1:88 BW in die zin te wijzigen (Parl. Gesch. Aanpassing BW (Inv. 3, 5 en 6), p. 27/28). De wetgever heeft in art. 1:88 BW naar een evenwicht gezocht tussen enerzijds de wens tot bescherming van de niet-handelende echtgenoot tegen haar/zijn partner en anderzijds de zekerheid die de wederpartij van de handelende echtgenoot behoeft, in samenhang met de belangen van een vlot en ongestoord verlopend rechtsverkeer, aldus HR 13 juni 2003, LJN AF6211, NJ 2003, 519. In het arrest van HR 29 november 2002 lag de vraag voor of de tussen partijen gesloten overeenkomst van geldlening en van kredietverlening in rekening-courant moet worden aangemerkt als een rechtshandeling in de zin van art. 1:88 lid 1 onder c BW, waarvoor toestemming van de andere echtgenoot is vereist. Uw Raad overwoog dat art. 1:88 lid 1 BW strekt tot bescherming van de andere echtgenoot, dat het toestemmingsvereiste slechts geldt voor rechtshandelingen die in dit artikellid met name worden genoemd, dat de omschrijving niet omvat de overeenkomst van geldlening en dat weliswaar ook andere rechtshandelingen dan de genoemde een bedreiging kunnen vormen voor de financiële positie van de andere echtgenoot, hetgeen onder omstandigheden ook het geval kan zijn met betrekking tot een overeenkomst van geldlening, doch dat het niet zou stroken met de vereiste zekerheid van het rechtsverkeer, indien de eis van toestemming van de andere echtgenoot ook zou gelden in een alsdan moeilijk af te grenzen groep van andere gevallen dan die waarvoor de wet dit bepaalt. Uw Raad zag geen grond om thans in andere zin te oordelen en overwoog dat in de in die zaak bestreden oordelen van het hof ligt besloten dat de tussen partijen gesloten overeenkomsten naar hun inhoud en strekking geen andere betekenis hadden dan die van geldlening en krediet en dat in het bijzonder niet is gebleken van feiten en omstandigheden waaruit kan volgen dat deze overeenkomsten de strekking hebben om de ingevolge art. 1:88 BW vereiste toestemming te ontgaan. In zijn hiervoor genoemde arrest Roozendaal/Levob oordeelde uw Raad (in rov. 3.9 onder verwijzing naar het zojuist genoemde arrest) dat de wetgever weliswaar ervan heeft afgezien de overeenkomst van geldlening op te nemen bij de in art. 1:88 lid 1 BW genoemde rechtshandelingen waarvoor de toestemming van de andere echtgenoot nodig is, en dat zulks gelet op de vereiste rechtszekerheid in het rechtsverkeer meebrengt dat de andere echtgenoot niet de nietigheid van de geldlening kan inroepen op de grond dat die naar haar strekking op één lijn gesteld kan worden met een wel in art. 1:88 lid 1 genoemde rechtshandeling, maar dat zulks niet in de weg staat aan het in die zaak gegeven oordeel dat de daar voorliggende effectenleaseovereenkomst een overeenkomst is waarvoor het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 1 geldt. Uw Raad overwoog dat hier immers niet de nietigheid wordt ingeroepen van een overeenkomst van geldlening, maar van een samenstel van overeenkomsten die op grond van art. 7A:1576 lid 3 naar hun strekking tezamen als een koop en verkoop op afbetaling moeten worden aangemerkt. De middelonderdelen Algemeen 21. Zoals hiervoor reeds aangegeven, is de onderhavige cassatiezaak aangebracht voordat uw Raad arrest had gewezen in de hiervoor aangehaalde zaak Roozendaal/Levob, waarin uw Raad oordeelde dat het bij de toepassing van de strekkingsbepaling van art. 7A:1576 lid 3 BW erop aankomt dat door de constructie die de partijen aan hun handeling hebben gegeven wordt heengekeken, zodat een samenstel van overeenkomsten waarbij een zaak verkocht wordt tegen contante betaling doch de koopsom door de verkoper aan de koper ter leen wordt verstrekt onder beding van terugbetaling in termijnen, moet worden aangemerkt als een koop en verkoop op afbetaling. In die zaak was veronderstellenderwijs ervan uitgegaan dat was voldaan aan de overige door art. 7A:1576 lid 1 BW gestelde vereisten. Middelonderdeel 1 strekt ten betoge dat de litigieuze effectenleaseovereenkomst niet aan deze vereisten voldoet, reeds omdat Ohra bij deze overeenkomst niet is opgetreden als verkoper. Middelonderdeel 2 betoogt dat geen sprake is van een betaling van de koopsom in termijnen. Middelonderdeel 3 strekt ten betoge dat ook niet is voldaan aan het vereiste dat de eigendom van de verkochte zaak resp. het vermogensrecht pas overgaat op de koper bij algehele betaling van hetgeen de koper verschuldigd is. Middelonderdeel 1: koop of overeenkomst van effectenbemiddeling? 22. Het eerste middelonderdeel richt zich met een reeks klachten tegen rov. 4.8 en 4.9, waarin het hof oordeelde dat de onderhavige overeenkomst aldus moet worden uitgelegd dat Ohra zich bij de overeenkomst niet alleen heeft verbonden het overeengekomen geldbedrag aan [verweerder 1] te lenen, maar ook om hem de aandelen, of preciezer, een vordering tot het beloop daarvan, te verkopen voor de aankoop waarvan dit bedrag was bestemd. Het eerste middelonderdeel richt zich, kortom, tegen 's hofs oordeel dat Ohra ten opzichte van [verweerder 1] (tevens) als verkoper van de (vordering luidende
- in)aandelen moet worden aangemerkt en niet, zoals Ohra stelt, slechts (tevens) als bemiddelaar bij de aankoop. Middelonderdeel 1.1 betoogt daartoe dat het hof door Ohra als verkoper van de aandelen aan [verweerder 1] aan te merken, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting en/of zijn oordeel ontoereikend heeft gemotiveerd, omdat voor de kwalificatie van een overeenkomst als koop op grond van art. 7:1 juncto art. 7:9 BW is vereist dat de als verkoper aan te merken partij zich verbindt tot het geven van een zaak door eigendomsoverdracht en aflevering daarvan aan de koper. Het hof heeft, aldus het middelonderdeel, in rov. 4.8-4.9 niet vastgesteld dat Ohra zich heeft verbonden tot overdracht (en aflevering) aan [verweerder 1] van de door haar ten behoeve van [verweerder 1] aan te kopen aandelen, zodat een wezenlijk element voor de kwalificatie van de overeenkomst als koop ontbreekt. Het middelonderdeel voegt daaraan toe dat, gelet op het belang van de rechtszekerheid, moet worden bedacht dat bij de kwalificatie van een overeenkomst als koop op afbetaling in de zin van art. 1:88 lid 1 onder d BW, de daarvoor relevante definitiebepalingen restrictief althans niet-extensief worden uitgelegd. De middelonderdelen 1.2-1.5 strekken ten betoge dat 's hofs kwalificatie van de overeenkomst als koop bovendien rechtens onjuist is, althans onbegrijpelijk, omdat een overeenkomst als de onderhavige volgens het financiële toezichtrecht wordt aangemerkt als effectenbemiddeling en volgens staande praktijk civielrechtelijk - zo wordt betoogd - als een overeenkomst van lastgeving die samen met de door Ohra als lasthebber te sluiten overeenkomsten tot aankoop van aandelen een voldoende titel vormt voor rechtstreekse verkrijging van de aandelen resp. een daarin luidende vordering op de Stichting door cliënten. Betoogd wordt dat 's hofs overwegingen in rov. 4.8 en 4.9 geen voldoende begrijpelijk gemotiveerde verwerping inhouden van het standpunt van Ohra dat zij behalve als kredietverstrekker uitsluitend optrad als effectenbemiddelaar. 23. Het hof is in zijn gewraakte rov. 4.8 en 4.9, die hiervoor integraal zijn geciteerd, in cassatie onbestreden ervan uitgegaan dat de onderhavige overeenkomst moet worden uitgelegd aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Het hof heeft het standpunt van Ohra verworpen dat zij ten opzichte van [verweerder 1] niet moet worden aangemerkt als verkoper van de (vordering luidende
- in)aandelen, in welk verband Ohra verdedigde dat uitsluitend een overeenkomst van geldlening tot stand is gekomen en dat zij slechts als bemiddelaar bij de aankoop van de aandelen is opgetreden. Het hof overwoog in zijn hiervoor geciteerde overwegingen, kort samengevat, dat Ohra het bedrag dat zij aan [verweerder 1] heeft geleend uitsluitend beschikbaar heeft gesteld ten behoeve van de verkrijging door [verweerder 1] van een in die aandelen luidende vordering op de Stichting (het Giraal Effectentegoed), en voorts dat in aanmerking genomen de zin die partijen onder de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het in artikel 3 van de overeenkomst bepaalde mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten, ervan moet worden uitgegaan dat Ohra zich bij de overeenkomst niet alleen heeft verbonden het overeengekomen geldbedrag aan [verweerder 1] te lenen, maar ook om hem de aandelen of, preciezer, een vordering tot het beloop daarvan, te verkopen voor de aankoop waarvan dit bedrag was bestemd. Het hof achtte daarbij onder meer van belang dat de overeenkomst geen voldoende duidelijk onderscheid maakt tussen de verbintenis van Ohra tot verstrekking van de geldlening en de verbintenis tot verkoop van (een vordering
- in)de betrokken aandelen en bovendien de uitvoering van beide verbintenissen als één geheel beschrijft, waarbij de verstrekking van de lening door Ohra vloeiend overgaat in de verkrijging van een vordering luidend in die aandelen door [verweerder 1] en uitsluitend dat doel dient. Anders dan het middelonderdeel wil betogen, heeft het hof aldus oordelend mijns inziens niet blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, en is zijn oordeel ook niet onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Ik licht dit als volgt toe. 24. Koop is, volgens de definitie van art. 7:1 BW, de overeenkomst waarbij de een zich verbindt een zaak te geven en de ander om daarvoor een prijs in geld te betalen. Zoals hiervoor al aan de orde kwam en in cassatie ook niet wordt betwist, kan de koop ingevolge art. 7:47 BW ook betrekking hebben op een vermogensrecht en zijn in dat geval de bepalingen van titel 7.1 BW van toepassing voor zover dit in overeenstemming is met de aard van het recht. In de onderhavige zaak wordt in cassatie niet meer ter discussie gesteld dat ook vermogensrechten voorwerp van een koop op afbetaling en van huurkoop kunnen zijn en dat het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 1 sub d BW ook betrekking heeft op koop op afbetaling en huurkoop van vermogensrechten. Evenmin wordt in cassatie betwist dat ook het voorwerp van de onderhavige effectenleaseovereenkomst, het Giraal Effectentegoed, of anders gezegd: de (vordering luidende
- in)aandelen, het voorwerp van koop, van koop op afbetaling en van huurkoop kan zijn. 25. De koopovereenkomst legt op de verkoper drie hoofdverplichtingen. Hij is verplicht de verkochte zaak in eigendom over te dragen en de verkochte zaak af te leveren. De afgeleverde zaak moet voorts aan de overeenkomst beantwoorden. Hijma (Asser-Hijma 5-I, 2007, nr. 269) kwalificeert de eerste hoofdverplichting van de verkoper, de verplichting de verkochte zaak/het verkochte goed in eigendom over te dragen, als een resultaatsverbintenis. De verkoper is verplicht het resultaat eigendomsovergang door overdracht tot stand te brengen. De verkoper staat evenwel niet ervoor in dat het verkochte hem in eigendom toebehoort of zal toebehoren. Hij voldoet in de regel ook aan zijn verplichting tot eigendomsoverdracht wanneer hij bewerkstelligt dat de zaak/het goed door een derde-eigenaar aan de koper wordt geleverd. Zie Hijma, a.w., nr. 271, die in dat verband verwijst naar TM, Parl. Gesch. Boek 7 (Inv. 3, 5 en 6), p. 95. Aldaar wordt in verband met het niet overnemen van art. 1507 BW (oud) welk wetsartikel inhield dat koop en verkoop van eens anders goed nietig is, opgemerkt: "Artikel 1507 BW is niet overgenomen. Het is de koper gewoonlijk onverschillig of de verkoper op het ogenblik van de koop eigenaar van de verkochte zaak was. Dikwijls, en met name in geval van koop op termijn, is de verkoper geen eigenaar. Het enige waarop het aankomt is dat de verkoper de koper de eigendom verschaft. De verkoper kan zijn verbintenis nakomen door zijn eigendom over te dragen na deze zelf verkregen te hebben, maar hij kan er ook voor zorgen dat een derde die eigenaar is, de eigendom rechtstreeks aan de koper overdraagt. Het komt alleen op het resultaat aan." Hijma betoogt in dit verband dat men bij gevallen waarin de verkoper aan zijn verplichting voldoet door ervoor te zorgen dat een derde-eigenaar het goed aan de koper overdraagt, niet alleen moet denken aan gevallen waarin het beide partijen van meet af aan duidelijk is dat het verkochte goed door een derde zal worden geleverd (bijv. ABC-constructies bij onroerende zaken), maar ook bijvoorbeeld aan middellijke vertegenwoordiging bij de verhandeling van roerende zaken, en voorts aan het geval dat de verkoper aanvankelijk tot de derde in generlei relatie staat maar hij deze niettemin (bijv. door de bewuste zaak bij hem aan te kopen) tot overdracht aan de koper weet te bewegen. In deze en dergelijke situaties verschaft de verkoper de koper wel de eigendom, maar draagt hij haar niet zelf over. In dit licht spreken sommige auteurs - aldus Hijma - liever van een verbintenis tot eigendomsverschaffing dan van een verbintenis tot eigendomsoverdracht. Zijns inziens kan zonder veel bezwaar aan de in de wet gebezigde term eigendomsoverdracht worden vastgehouden, mits men deze maar niet aldus opvat dat de verkoper steeds zelf de overdragende persoon zou moeten zijn. Volledigheidshalve zij nog opgemerkt dat Hijma in dit verband nog aantekent dat met het voorgaande niet meer dan een vuistregel is gegeven. Het blijft, aldus Hijma, mogelijk dat de uitleg van de gesloten koopovereenkomst tot het oordeel voert dat in het concrete geval alleen een overdracht uit het vermogen van de verkoper is toegelaten (een situatie die zich bijvoorbeeld zal voordoen als de koper belang heeft bij de precieze herkomst van het verkochte goed). Vergelijk ook Breken die opmerkt dat voor het verschaffen van het gebruiksrecht van aandelen niet nodig is dat de lessor rechthebbende is van de aandelen, mits hij maar in staat is het gebruiksrecht te verschaffen, en dat in feite hetzelfde geldt voor de overdracht van de aandelen aan de lessee, waartoe de lessor niet per se zelf rechthebbende hoeft te zijn, mits hij maar in staat is overdracht van de aandelen te bewerkstelligen (K. Breken, Leasing van aandelen: in Onderneming en effecten 1998, p. 625). Ik roep hier in herinnering dat de verplichting van de verkoper om de verkochte zaak af te leveren, de tweede hoofdverplichting van de verkoper, aan de orde kwam in de hiervoor besproken arresten Dexia/[Van T.] en [O]/Dexia, waarin uw Raad oordeelde dat ook vermogensrechten voorwerp van een koop op afbetaling en van huurkoop kunnen zijn en dat het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 1 sub d BW ook betrekking heeft op koop op afbetaling en huurkoop van vermogensrechten. In die arresten lag de vraag voor wat het begrip 'aflevering' inhoudt ingeval het gaat om vermogensrechten, en wel om de vermogensrechten die het voorwerp zijn van een effectenleaseovereenkomst. Dit omdat voor koop op afbetaling en huurkoop het vereiste geldt van betaling van de koopsom in termijnen waarvan er twee of meer verschijnen na de aflevering van de zaak/het goed. Uw Raad oordeelde in die zaken dat sprake was van aflevering omdat de belegger het volledige risico van de waardeontwikkeling van de aandelen droeg en hij krachtens de overeenkomst recht had op het uit het aandeel voortvloeiend dividend, zodat hij dus in die zin ook het genot ervan had. Hijma sprak in zijn annotatie van "de toetssteen der genotsverkrijging". 26. Bij de beantwoording van de vraag of de onderhavige overeenkomst, waarbij Ohra geld ter leen verstrekte aan [verweerder 1] voor de aankoop van aandelen, tevens kan worden gekwalificeerd als een overeenkomst van koop waarbij Ohra als verkoper de verplichting op zich nam aan [verweerder 1] de 'eigendom' van de (vordering luidende
- in)aandelen te verschaffen, dan wel moet worden gekwalificeerd als een overeenkomst van bemiddeling waarbij Ohra zich naast geldlening verbond als bemiddelaar op te treden bij de aankoop/verkrijging door [verweerder 1] van de (vordering luidende
- in)aandelen, komt het aan op de uitleg van de onderhavige overeenkomst aan de hand van de Haviltexmaatstaf. Het hof heeft in zijn gewraakte rechtsoverwegingen de litigieuze overeenkomst uitleggend aan de hand van de Haviltexmaatstaf, kennelijk en met juistheid tot uitgangspunt genomen dat een verkoper niet ervoor instaat dat de verkochte zaak/het verkochte goed hem in eigendom toebehoort of zal toebehoren en dat hij ook aan zijn verplichting tot eigendomsverschaffing kan voldoen wanneer hij bewerkstelligt dat de zaak/het goed door een derde-eigenaar aan de koper wordt geleverd. Het object van een verkoop hoeft niet het vermogen van de verkoper te passeren en ook hier geschiedt dat juist niet doordat de Stichting de effecten rechtstreeks ten behoeve van [verweerder 1] als koper verkreeg, welke op zijn beurt een vordering luidende in aandelen op de Stichting heeft verkregen. Het middel ziet hieraan naar het mij voorkomt voorbij. 27. In deze zaak staat in cassatie niet ter discussie dat [verweerder 1] rechthebbende op de vordering in de aandelen is geworden en daarvan aldus de 'eigendom' heeft verkregen. Dat [verweerder 1] de vordering heeft verkregen op de Stichting, doet daaraan niet af. Evenmin staat in cassatie ter discussie dat [verweerder 1] met zijn verkrijging van deze vordering het volledige risico van de waardeontwikkeling van de aandelen droeg en dat hij krachtens de overeenkomst recht had op het uit het aandeel voortvloeiend dividend, zodat hij dus in die zin ook het genot van de aandelen - en in ieder geval van de vordering - heeft verkregen, zoals het hof overwoog in rov. 4.11. Het hof heeft onder ogen gezien welke zin partijen onder de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan het in artikel 3 van de overeenkomst bepaalde (te weten dat Ohra de lening ter beschikking zal stellen door storting op een daartoe bestemd rekeningnummer bij de Stichting ter verkrijging van de vordering van [verweerder 1] op de Stichting luidend in de voor hem aangekochte aandelen) mochten toekennen en hetgeen zij te dien aanzien redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten. Het heeft geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat Ohra zich bij de overeenkomst niet alleen heeft verbonden het overeengekomen geldbedrag aan [verweerder 1] te lenen, maar ook om hem de aandelen of, preciezer, een vordering tot het beloop daarvan, te verkopen voor de aankoop waarvan dit bedrag was bestemd. Het hof achtte daarbij onder meer van belang dat de overeenkomst geen voldoende duidelijk onderscheid maakt tussen de verbintenis van Ohra tot verstrekking van de geldlening en de verbintenis tot verkoop van (een vordering
- in)de betrokken aandelen en bovendien de uitvoering van beide verbintenissen als één geheel beschrijft, waarbij de verstrekking van de lening door Ohra vloeiend overgaat in de verkrijging van een vordering luidend in die aandelen door [verweerder 1] en uitsluitend dat doel dient en waarbij het gebrek aan een duidelijk onderscheid nog wordt versterkt doordat het bedrag van de lening gelijk is aan de koopprijs van de betrokken aandelen en het geleende bedrag dadelijk bij de aankoop daarvan wordt benut. Dat het hof onder deze omstandigheden - mede in aanmerking genomen de overige door het hof in rov. 4.9 genoemde omstandigheden - tot de slotsom is gekomen dat de overeenkomst aldus moet worden uitgelegd dat Ohra moet worden geacht bij de overeenkomst jegens [verweerder 1] ook een verbintenis tot verkoop van de (vordering in aandelen) te zijn aangegaan zodat zij als verkoper daarvan moet worden aangemerkt en niet, zoals Ohra claimt, slechts als bemiddelaar, geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is evenmin onbegrijpelijk. 28. Tot een andere slotsom kan niet leiden het betoog van het middel dat een overeenkomst als de onderhavige volgens het financiële toezichtrecht wordt aangemerkt als effectenbemiddeling en volgens staande praktijk civielrechtelijk - aldus het middel - als een overeenkomst van lastgeving die samen met de door Ohra als lasthebber te sluiten overeenkomsten tot aankoop van aandelen een voldoende titel vormt voor rechtstreekse verkrijging van de aandelen resp. een daarin luidende vordering op de Stichting beleggersgiro door cliënten. Een particuliere belegger zal steeds een intermediair nodig hebben voor de aankoop van effecten, aangezien hij deze niet zelf ter beurze kan aankopen. Bij een 'eenvoudige' effectenorder zal dus minstens sprake moeten zijn van effectenbemiddeling/lastgeving, in welk geval de effecten voor rekening van de belegger maar op naam van de effectenbemiddelaar worden aangekocht. De effecten zullen moeten worden doorgeleverd aan de belegger middels de bijschrijving ex art. 17 Wge, welke daardoor een giraal effectentegoed verkrijgt. Indien de effecten worden aangekocht via een (lijdelijke) beleggersgiro zal de aanbieder van de beleggersgiro bij de aankoop als intermediair optreden, de stichting beleggersgiro de effecten verkrijgen en de belegger een giraal effectentegoed verkrijgen bij de stichting beleggersgiro. Dat er bij een rechttoe rechtaan aankooporder van effecten doorgaans slechts sprake zal zijn van effectenbemiddeling/lastgeving sluit echter geenszins uit dat er in andere gevallen bij meeromvattende financiële producten niet slechts of geen sprake is van lastgeving/effectenbemiddeling, maar van (huur)verkoop van effecten. De vraag of een tussenpersoon als opdrachtnemer/lastgever of als (door)verkoper handelt is overigens niet steeds eenvoudig te beantwoorden. In de literatuur wordt onderkend dat het onderscheid handel/doorverkoop en commissiehandel theoretisch duidelijk moge zijn, doch dat het in de praktijk niet steeds duidelijk is of partijen een overeenkomst van commissie of (door-)verkoopovereenkomst hebben willen sluiten. Zie: Asser/Tjong Tjin Tai 7-IV 2009, nr. 59; D. Busch, De middellijke vertegenwoordiging in het Europese contractenrecht, diss. 2002, p. 14; S.E. Bartels, De titel van overdracht in driepartijenverhoudingen, diss. 2004, p. 56; Asser-Hijma 5-I 2007, nr. 16. Zie ook L.D. van Setten, De commissionair in effecten, diss. 1998, p. 272 e.v. en PG Boek 3, p. 258. De onderhavige overeenkomst is, evenals de andere effectenleaseovereenkomsten, een product dat door de aanbieder, in casu Ohra, als één geheel aan het publiek is aangeboden. Het product omvat meer dan een eenvoudige effectenorder en dient dan ook in zijn geheel te worden beschouwd en beoordeeld. Als gemeenschappelijk kenmerk van de aandelenleaseproducten wordt wel genoemd dat sprake is van beleggen met geleend geld omdat de lessor, de bank, voor de lessee, de belegger, aandelen aankoopt tegen een bepaalde koerswaarde, de koopsom, voor welke koopsom de bank aan de belegger krediet verschaft gedurende een vooraf vastgestelde looptijd. Bij deze generieke omschrijving van effectenleaseproducten (waarmee vanzelfsprekend niet is gezegd dat individuele producten in uitwerking niet van elkaar zouden kunnen verschillen) zou in de aankooptransactie van de aandelen door de bank ten behoeve van de belegger - indien men deze op zichzelf beziet - ook steeds een opdracht- en lastgevingscomponent kunnen worden herkend, zoals aanwezig bij het inleggen van een eenvoudige effectenorder. Dit geldt ook voor de producten in de eerdere Dexiazaken hierboven genoemd onder 17-18. Vgl. in dit verband ook Van Baalen, die betoogt dat een effectenleaseproduct een samenstel van in elk geval twee overeenkomsten is: een kredietovereenkomst en een overeenkomst van opdracht en lastgeving op basis waarvan voor rekening en risico van de belegger effecten worden gekocht (door hem "effectenovereenkomst" genoemd). In de aanwezigheid van een opdracht- en lastgevingscomponent naast een kredietcomponent in de aandelenleaseovereenkomst wordt door hem geen belemmering aanwezig geacht om het geheel uiteindelijk als een koop en verkoop op afbetaling of huurkoopovereenkomst te kwalificeren. Zie S.B. van Baalen, Het leasen van effecten; over hoogmoed en de val, WPNR 2005, in het bijzonder p. 1-2, 3-5. Zie tevens Brunner en Roelvink, Advies aan de Commissie Geschillen Aandelenlease, welke ten aanzien van het product "Winstverdriedubbelaar" van Dexia tot de conclusie kwamen dat het een koop op afbetaling betreft (§ 4). Voor de kwalificatie als koop is bepalend of in de gegeven omstandigheden, gelet op hetgeen partijen ten tijde van het sluiten van de overeenkomst voor ogen stond, de inhoud en strekking van de overeenkomst van dien aard is dat deze in zijn geheel beschouwd als koopovereenkomst kan worden aangemerkt. Blijkens de wettekst en de parlementaire geschiedenis is bij de koop en ook bij koop op afbetaling en huurkoop, de wilsovereenstemming van partijen gericht op "overdracht van eigendom" tegenover betaling van een bepaalde prijs (bij koop op afbetaling en huurkoop in termijnen). Ontdaan van alle "franje" voldoet ook de onderhavige overeenkomst daaraan. Tegenover de termijnbetalingen verkrijgt [verweerder 1] (een vordering luidende
- in)aandelen, zodat de overeenkomst als koop kan worden gekwalificeerd. De omstandigheid dat de overeenkomst bestaat uit verschillende elementen, die, op zichzelf bezien, kenmerken vertonen van een andere benoemde overeenkomst, doet daaraan niet af. Een toezichtrechtelijke kwalificatie als effectenbemiddeling van (elementen van) de (huur)koopovereenkomst evenmin. Vergelijk in dit verband ook uw eerder genoemde arrest Roozendaal/Levob waarin uw Raad eveneens het samenstel van overeenkomsten beoordeelt om die overeenkomsten vervolgens op grond van art. 7A:1576 lid 3 BW naar hun strekking tezamen als een koop en verkoop op afbetaling aan te merken. Zie tevens de hierboven (onder 15-16) aangehaalde parlementaire geschiedenis bij de strekkingsbepalingen van de koop op afbetaling en huurkoop. 29. De slotsom is dat middelonderdeel 1 faalt. Middelonderdeel 2: koop op afbetaling?; betaling koopprijs in termijnen 30. Het tweede middelonderdeel komt met een reeks klachten op tegen rov. 4.10 van 's hofs arrest, waarin het hof oordeelde dat de door [verweerder 1] verschuldigde koopprijs is betaald uit de geldlening waartoe Ohra het desbetreffende bedrag heeft overgemaakt aan de Stichting, maar dat deze storting van het geleende bedrag niet kan worden aangemerkt als betaling ineens van de koopprijs die [verweerder 1] aan Ohra was verschuldigd. Ervan uitgaande dat Ohra ten opzichte van [verweerder 1] als verkoper van (de vordering
- in)de aandelen heeft te gelden, vormen de door [verweerder 1] uit de geldlening verschuldigde termijnbedragen die strekken tot aflossing van de lening, tegelijkertijd deelbetalingen van de koopprijs, zodat daarmee vaststaat dat partijen zijn overeengekomen dat de koopprijs in twee of meer termijnen zou worden betaald. Aldus het hof, dat in rov. 4.11 overwoog dat [verweerder 1] vanaf de aankoop van de aandelen en het verkrijgen van de daarin luidende vordering, het genot van de aandelen - en in ieder geval van de vordering - heeft verkregen zodat de aandelen aan hem zijn afgeleverd in de zin van art. 7A:1576 lid 1 BW, terwijl voorts de termijnbedragen door middel waarvan [verweerder 1] de koopprijs dient te voldoen, na de aflevering opeisbaar zijn geworden en daarmee na de aflevering zijn verschenen, zoals art. 7A:1576 lid 1 BW voor de koop op afbetaling vereist. Middelonderdeel 2.1 acht het oordeel van het hof dat de door [verweerder 1] verschuldigde koopprijs weliswaar is betaald uit de geldlening, doch dat niettemin in de rechtsverhouding met Ohra geen sprake is van voldoening ineens van de koopprijs rechtens onjuist en in elk geval onbegrijpelijk want innerlijk tegenstrijdig. Middelonderdeel 2.2 klaagt dat 's hofs (overige) in rov. 4.10 gegeven overwegingen niet zijn gevolgtrekking kunnen dragen dat [verweerder 1] niet al dadelijk bij aanvang van de Overeenkomst Ohra Flexbeleg de koopprijs voor de (vordering luidende
- in)aandelen heeft betaald aan Ohra. In essentie berust 's hofs motivering uitsluitend op het doelgebonden karakter van de door Ohra aan [verweerder 1] verstrekte lening - de lening strekte tot financiering van de aankoop van aandelen ten behoeve van [verweerder 1] -, hetgeen echter niet de gevolgtrekking kan dragen dat [verweerder 1] niet (ook) aan Ohra de koopprijs voor de (vordering luidende
- in)aandelen heeft voldaan. Aldus het middelonderdeel. Middelonderdeel 2.3 strekt ten betoge dat 's hofs oordeel overigens berust op een onbegrijpelijke uitleg van de tekst van de Overeenkomst Ohra Flexbeleg. Middelonderdeel 2.4 voegt hieraan toe dat bij de voorgaande klachten dient te worden bedacht dat, gelet op het belang van de rechtszekerheid, de kwalificatie van een overeenkomst als koop op afbetaling in de zin van art. 1:88, lid 1, onder d BW, de daarvoor relevante definitiebepaling in art. 7:1 juncto art. 7:9 en art. 7A:1576h restrictief althans niet-extensief moeten worden uitgelegd. 31. Aan het slot van het middelonderdeel wordt erop gewezen dat het hof Amsterdam (nevenzittingsplaats Arnhem) in een arrest van 2 februari 2010, waarvan cassatieberoep is ingesteld, een dadelijke betaling van de koopprijs uit de lening heeft aangenomen in (voor wat betreft de vraag of sprake was van betaling in termijnen als vereist voor koop op afbetaling) niet rechtens relevant verschillende omstandigheden. Het gaat hier om de zaak Roozendaal/Levob waarin uw Raad, als gezegd, inmiddels arrest heeft gewezen nadat het onderhavige cassatieberoep aanhangig is gemaakt. Dat arrest (HR 23 december 2011, LJN BT8457, RvdW 2012/33, JOR 2012/48, m.nt. C.W.M. Lieverse) kwam hiervoor reeds uitgebreid aan de orde. In die zaak ging het overigens om een restschuldproduct, waarbij volgens de overeenkomst gedurende de looptijd alleen rente over de lening werd betaald, terwijl de onderhavige zaak een aflossingsproduct betreft waarbij niet alleen rente maar ook periodiek aflossing van de lening plaatsvindt. Zoals hiervoor reeds aangegeven, oordeelde uw Raad in genoemd arrest dat het bij de toepassing van de strekkingsbepaling van art. 7A:1576 lid 3 BW erop aankomt dat door de constructie die de partijen aan hun handeling hebben gegeven, wordt heengekeken, zodat een samenstel van overeenkomsten waarbij een zaak verkocht wordt tegen contante betaling doch de koopsom door de verkoper aan de koper ter leen wordt verstrekt onder beding van terugbetaling in termijnen, moet worden aangemerkt als een koop en verkoop op afbetaling. Uw Raad overwoog voorts dat de wetgever weliswaar ervan heeft afgezien de overeenkomst van geldlening op te nemen bij de in art. 1:88 lid 1 BW genoemde rechtshandelingen waarvoor de toestemming van de andere echtgenoot nodig is, en dat zulks gelet op de vereiste rechtszekerheid in het rechtsverkeer meebrengt dat de andere echtgenoot niet de nietigheid van de geldlening kan inroepen op de grond dat die naar haar strekking op één lijn gesteld kan worden met een wel in art. 1:88 lid 1 genoemde rechtshandeling, maar dat zulks niet in de weg staat aan het oordeel dat voor de effectenleaseovereenkomst (als daar aan de orde) het toestemmingsvereiste van art. 1:88 lid 1 geldt, nu immers niet de nietigheid wordt ingeroepen van een overeenkomst van geldlening, maar van een samenstel van overeenkomsten die op grond van art. 7A:1576 lid 3 naar hun strekking tezamen als een koop en verkoop op afbetaling moeten worden aangemerkt. 32. Met het arrest Roozendaal/Levob is het lot van de klachten van middelonderdeel 2 naar mijn oordeel bezegeld. Het hof heeft in rov. 10 in feite "door de geldleenconstructie heen gekeken". Ook in de onderhavige zaak is het slechts een kwestie van constructie of de maandelijkse termijn is vormgegeven als rente over een lening dan wel (zonder geldlening) als rente over de schuldig gebleven koopsom, al dan niet met een (gedeeltelijke) aflossingscomponent, met in alle gevallen een forse slotbetaling (zie voor het betalingsschema in de onderhavige zaak sub 2 onder iv). Het hof heeft (in de eerste volzin van rov. 4.10) tot uitdrukking gebracht dat krachtens de systematiek van de overeenkomst de koopprijs van de (vordering
- in)aandelen weliswaar uit de door Ohra aan [verweerder 1] verstrekte geldlening is voldaan door betaling van het bedrag aan de Stichting, hetgeen zonder nadere beschouwing zou impliceren dat de koopprijs op dat moment moet worden geacht te zijn voldaan zodat de latere termijnbedragen niet kunnen worden aangemerkt als termijnen van de koopprijs, maar dat zulks anders ligt (hetgeen het hof na de eerste volzin van rov. 4.10 uitlegt) wanneer men om met uw Raad te spreken "door de geldleenconstructie heenkijkt" en de geldelijke verplichtingen in ogenschouw neemt die, onder welk etiket ook, [verweerder 1] door het aangaan van een overeenkomst als de onderhavige op zich heeft genomen. Het hof kwam aldus tot de uitleg van de overeenkomst dat de termijnbedragen, voor zover zij strekken tot aflossing van de lening, (tevens) worden aangemerkt als deelbetalingen van de koopprijs die [verweerder 1] aan Ohra was verschuldigd voor de (vordering
- in)aandelen. Het oordeel van het hof is in dit licht niet onjuist, onbegrijpelijk of onvoldoende gemotiveerd. Art. 1:88 BW brengt niet mee dat de kwalificatie van een overeenkomst als een koop op afbetaling restrictief althans niet-extensief dient te geschieden. 33. Het middelonderdeel stuit in zijn geheel op het voorgaande af. Middelonderdeel 3: huurkoop?; 'eigendomsvoorbehoud' 34. Het derde middelonderdeel komt met een aantal klachten op tegen rov. 4.15-4.16 van 's hofs arrest (hiervoor geciteerd) waarin het hof de vraag beantwoordde of de onderhavige overeenkomst, die door het hof - in cassatie naar mijn oordeel tevergeefs bestreden - kan worden aangemerkt als een koop op afbetaling, tevens kan worden aangemerkt als een overeenkomst van huurkoop. Het hof stelde in rov. 4.13 voorop dat deze vraag uitsluitend nog van belang is met het oog op het derde lid van art. 1:88 BW, dat meebrengt dat de voor de koop op afbetaling ingevolge het eerste lid van art. 1:88 vereiste toestemming, schriftelijk moet worden gegeven ingeval het om huurkoop gaat, nu deze overeenkomst bij authentieke of onderhandse akte moet worden aangegaan. Bij de beantwoording van genoemde vraag heeft het hof tot uitgangspunt genomen dat partijen niet zijn overeengekomen dat [verweerder 1] pas rechthebbende op (de vordering
- in)de aandelen zou worden - en dat de "eigendom" daarvan pas zou overgaan - door vervulling van een opschortende voorwaarde zoals in art. 7A:1576h lid 1 BW bedoeld en dat zulks op zichzelf niet anders is geworden doordat in artikel 11 van de overeenkomst ten gunste van Ohra een pandrecht is gevestigd op de vordering van [verweerder 1] op de Stichting in de aandelen, welk pandrecht in hetzelfde artikel aan de Stichting is meegedeeld. Het hof heeft in zijn door het middelonderdeel gewraakte rov. vastgesteld dat de verpanding van de vordering door [verweerder 1] aan Ohra, die strekte tot zekerheid voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van [verweerder 1] aan Ohra uit hoofde van de overeenkomst, en de mededeling hiervan aan de Stichting, in wezen hetzelfde gevolg hadden als levering van (de vordering
- in)de aandelen onder de opschortende voorwaarde van volledige betaling van de verschuldigde koopprijs en rente zou hebben gehad. Een zodanige strekking wordt verder onderstreept - aldus het hof - door de artikelen 6 en 9 van de overeenkomst, waarbij Ohra heeft bedongen dat zij in de daar bedoelde gevallen - waarin nog geen volledige betaling heeft plaatsgevonden - namens [verweerder 1] de aandelen, althans aandelen overeenkomend met het beloop van diens vordering, mocht verkopen. Het hof kwam tot de slotsom dat de overeenkomst dus de strekking heeft van een overeenkomst van huurkoop, ook al bedient zij zich van een andere vorm dan levering onder een opschortende voorwaarde en ook al is zij onder een andere benaming dan huurkoop aangegaan, zodat de overeenkomst op grond van het bepaalde in het tweede lid van artikel 7A:1576h BW als een overeenkomst van huurkoop kan worden aangemerkt. 35. Het middelonderdeel klaagt dat het hof blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting omtrent art. 1:88 lid 1 onder d en lid 3 BW en/of de - mede in het licht van deze bepalingen: restrictief althans niet-extensief uit te leggen - bepalingen in art. 7A:1576h, lid 1 en lid 2, BW. Deze klacht wordt in een aantal onderdelen nader uitgewerkt. Middelonderdeel 3.1 betoogt dat een overeenkomst slechts qua strekking als huurkoop valt aan te merken indien de overeenkomst, ongeacht haar vorm of naam, ertoe leidt dat de eigendom van de verkochte zaak resp. het vermogensrecht pas overgaat op de koper bij algehele betaling van wat de koper uit hoofde van de koopovereenkomst verschuldigd is. De vestiging van een meegedeeld pandrecht door de koper bij verkrijging van het goed leidt daar niet toe. De onderhavige overeenkomst verschilt - zeker bij gebreke van een ontduikingsbedoeling bij Ohra, waarover [verweerder 1] niets heeft gesteld en waarover ook het hof terecht niets vaststelt - wezenlijk van een huurkoop zoals gedefinieerd in art. 7A:1576h, lid 1, BW, zodat niet kan worden gesproken van een slechts in vorm verschillende maar naar haar strekking aan een huurkoop gelijke overeenkomst. Aldus middelonderdeel 3.1. Middelonderdeel 3.1.2 voegt daaraan toe dat het meegedeelde pandrecht ook in samenhang met de door Ohra bedongen volmacht onvoldoende is om te kunnen spreken van een overeenkomst, die qua strekking gelijk is aan een overeenkomst die de verkoper verplicht tot levering onder opschortende voorwaarde van volledige betaling van koopprijs en rente, aangezien het eigendomsrecht (wezenlijk) meeromvattend is dan een meegedeeld pandrecht met de door Ohra bedongen volmacht. Daarbij valt bovendien te bedenken, aldus het middelonderdeel, dat [verweerder 1], zoals het hof in rov. 4.11 oordeelt, als eigenaar van (de vordering luidende
- in)aandelen aanspraak heeft op dividend en andere bedragen die op de aandelen worden uitgekeerd. Middelonderdeel 3.2 strekt ten betoge dat 's hofs oordeel voorts/althans rechtens onjuist, onbegrijpelijk en/of ontoereikend is gemotiveerd, omdat, zo al sprake kan zijn van een koop (op afbetaling), uit de rechtstreekse verkrijging door [verweerder 1] van een vordering (in aandelen) op de Stichting (ten minste een dwingende aanwijzing) volgt dat Ohra zich überhaupt geen "eigendom" van de aandelen c.q. van een daarin luidende vordering op de Stichting kón voorbehouden. 36. Ook bij de beoordeling van dit middelonderdeel is mijns inziens richtinggevend het hiervoor besproken arrest Roozendaal/Levob dat uw Raad, zoals gezegd, wees nadat in de onderhavige zaak cassatieberoep was ingesteld. In die zaak ging het in cassatie uitsluitend om de vraag of sprake was van een koop op afbetaling waarvoor het vereiste geldt van betaling van de koopsom in twee of meer termijnen, ingeval de koopsom dadelijk wordt voldaan uit een lening onder beding van terugbelang in termijnen. Zoals hiervoor reeds aangegeven, overwoog uw Raad in genoemd arrest dat art. 7A:1576 lid 3 BW ertoe strekt te voorkomen dat de in de wettelijke regeling van koop en verkoop op afbetaling beoogde bescherming van de koper wordt ontgaan doordat de desbetreffende overeenkomst in een bepaalde vorm wordt gegoten en oordeelde uw Raad dat het bij de toepassing van de strekkingsbepaling van art. 7A:1576 lid 3 BW erop aankomt dat door de constructie die de partijen aan hun handeling hebben gegeven wordt heengekeken, zodat een samenstel van overeenkomsten waarbij een zaak verkocht wordt tegen contante betaling doch de koopsom door de verkoper aan de koper ter leen wordt verstrekt onder beding van terugbetaling in termijnen, moet worden aangemerkt als een koop en verkoop op afbetaling. Uw Raad oordeelde voorts dat ingeval het gaat om een samenstel van overeenkomsten die op grond van art. 7A:1576 lid 3 naar hun strekking tezamen als een koop en verkoop op afbetaling moeten worden aangemerkt, het toestemmingsvereiste van art. 1:88 BW onverkort geldt. In de onderhavige zaak is - anders dan in de zaak Roozendaal/Levob - aan de orde of sprake kan zijn van huurkoop ingeval de eigendom van de verkochte zaak, in casu de (vordering luidende
- in)aandelen, direct op de koper is overgegaan zodat niet is voldaan aan het vereiste dat de verkochte zaak niet door enkele aflevering in eigendom overgaat maar pas door vervulling van de opschortende voorwaarde van algehele betaling. Zoals hiervoor aan de orde kwam, kent de wettelijke regeling van de huurkoop een strekkingsbepaling in art. 1576h lid 2 BW die vergelijkbaar is met die van art. 7A:1576 lid 3 BW. Volgens de hiervoor weergegeven parlementaire geschiedenis moeten ingevolge dit artikellid, in overeenstemming met art. 1576 lid 3 BW, ook overeenkomsten met dezelfde strekking als de in het eerste lid omschreven overeenkomsten als huurkoop worden aangemerkt, waarbij geldt dat niet de vorm of de benaming die men aan de overeenkomst heeft gegeven, beslissend is, doch moet worden nagegaan wat in wezen beoogd is nu het economische verschijnsel van huurkoop zich in andere vormen dan het juridisch omschrevene kan voordoen en ook die vormen onder de regeling behoren te vallen. De omschrijving van de huurkoop als een bijzondere koop en verkoop vindt daarom haar complement in de bepaling dat alle overeenkomsten, welke dezelfde strekking hebben, als huurkoop worden aangemerkt. Die strekking is, zo wordt in de parlementaire geschiedenis aangegeven, het gericht zijn op de eigendomsverkrijging tegen betaling in termijnen, terwijl het genot reeds vóór de eigendomsverkrijging overgaat. Doordat de huurverkoper zich de eigendom voorbehoudt, voorziet hij zich van een zakelijke zekerheid voor de betaling van de koopsom door de koper. 37. Tegen de achtergrond van het voorgaande kom ik tot de slotsom dat het ook bij de strekkingsbepaling van art. 7A:1576h lid 3 BW erop aankomt dat door de constructie die de partijen aan hun handeling hebben gegeven wordt heengekeken, zodat ook als huurkoop moet worden aangemerkt een koop en verkoop op afbetaling - alsook een overeenkomst als de onderhavige die volgens de strekkingsbepaling van art. 7A:1576 lid 3 BW als koop en verkoop op afbetaling moet worden aangemerkt - waarbij weliswaar reeds aanstonds de eigendom van de zaak (in casu de vordering in aandelen) op de koper overgaat, doch waarbij tot zekerheid van de betaling van de koopsom ten behoeve van de verkoper een pandrecht wordt gevestigd dat gelet op de overeengekomen voorwaarden in wezen hetzelfde gevolg heeft als levering van de zaak (in casu de vordering) onder opschortende voorwaarde van volledige betaling van de koopsom (in casu de afbetaling van de geleende som en de rente). Dat is wat het hof in zijn gewraakte overwegingen ook heeft gedaan. Het hof heeft bij de beantwoording van de vraag of een overeenkomst qua strekking als huurkoop kan worden aangemerkt, geen onjuist criterium aangelegd door de gevolgen van de constructie onder de overeenkomst te vergelijken met de levering van (de vordering
- in)aandelen onder de opschortende voorwaarde van volledige betaling van de verschuldigde koopprijs en rente en door in dat kader na te gaan of de rechten van de koper in dezelfde mate worden beknot als bij een huurkoop zoals gedefinieerd in art. 1576h lid 1 BW. Ter beantwoording van laatstgenoemde vraag heeft het hof onder verwijzing naar art. 3:246 lid 1 BW geoordeeld dat het medegedeelde pandrecht tot gevolg had dat uitsluitend Ohra inningsbevoegd was ten aanzien van de vordering van [verweerder 1] op de Stichting en aldus de aandelen van de Stichting kon opeisen en dat [verweerder 1] hierdoor niet vrijelijk over (de vordering
- in)aandelen kon beschikken. Het hof heeft voorts vastgesteld dat het pandrecht strekte tot zekerheid voor de nakoming van de betalingsverplichtingen van [verweerder 1] uit hoofde van de overeenkomst en dat het van rechtswege kwam te vervallen indien de vordering tot zekerheid waarvoor het strekte, tenietging, zoals het geval zou zijn wanneer [verweerder 1] de (aan Ohra) verschuldigde koopprijs en rente volledig had betaald (rov. 4.15). Daarnaast heeft het hof vastgesteld dat artikel 6 en artikel 9 van de overeenkomst Ohra de bevoegdheid gaven om in de daar genoemde gevallen - waarin nog geen volledige betaling heeft plaatsgevonden - namens [verweerder 1] de aandelen, althans aandelen met het beloop van diens vordering, te verkopen en dat in die gevallen Ohra - en niet [verweerder 1] - over de (vordering in
- de)aandelen kon beschikken totdat de koopprijs en rente geheel waren voldaan (rov. 4.16). Het hof is tot de slotsom gekomen dat de openbare verpanding van de vordering van [verweerder 1] op de Stichting in wezen hetzelfde gevolg had als levering van (de vordering
- in)de aandelen onder de opschortende voorwaarde van volledige betaling van koopprijs en rente zou hebben gehad indien zo'n voorwaarde zou zijn overeengekomen. In beide gevallen kon [verweerder 1] immers, aldus het hof, pas vrijelijk - naar eigen inzicht en goeddunken - over (de vordering
- in)aandelen beschikken na volledige betaling van de door hem verschuldigde bedragen. Het hof heeft geoordeeld dat hierbij geen betekenisvol verschil maakt dat sprake is van een openbaar pandrecht in plaats van levering onder opschortende voorwaarde doordat [verweerder 1]'s rechten in dezelfde mate werden beknot en dat de overeenkomst dezelfde strekking had als waren partijen overeengekomen dat aan [verweerder 1] werd geleverd onder opschortende voorwaarde van volledige betaling. Het heeft overwogen dat die strekking van de overeenkomst wordt onderstreept door het bepaalde in de artikel 6 en artikel 9 van de overeenkomst. 's Hofs oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk. Het hof heeft met zijn oordeel niet miskend dat een eigendomsrecht in het algemeen een meeromvattend karakter heeft dan een openbaar pandrecht met de door Ohra bedongen volmacht, maar het heeft geconstateerd dat het eigendomsrecht van [verweerder 1] door het pandrecht en de genoemde bepalingen uit de overeenkomst dusdanig was beknot dat de gevolgen daarvan vergelijkbaar waren met een verkrijging onder de opschortende voorwaarde van volledige betaling. De omstandigheid dat [verweerder 1] aanspraak kon maken op dividenden en andere bedragen die op de aandelen worden uitgekeerd, doet daaraan niet af. Het middelonderdeel ziet eraan voorbij dat voor koop op afbetaling en derhalve ook voor huurkoop is vereist dat sprake is van betaling in termijnen waarvan er twee of meer verschijnen nadat de zaak is afgeleverd en dat de aflevering, als het gaat om vermogensrechten, in de regel geschiedt door verschaffing van het genot van het vermogensrecht. Aan 's hofs oordeel staat niet in de weg dat uit de rechtstreekse verkrijging door [verweerder 1] van een vordering (in aandelen) op de Stichting volgt dat Ohra zich überhaupt geen "eigendom" van de aandelen c.q. van een daarin luidende vordering op de Stichting kón voorbehouden. Het gaat immers erom of de overeenkomst naar haar strekking gelijk kan worden gesteld met een overeenkomst van huurkoop, waarbij wordt heengekeken door de constructie die de partijen aan hun handeling hebben gegeven. Zoals hiervoor reeds aan de orde kwam, brengt art. 1:88 BW niet mee dat de kwalificatie van een overeenkomst als een koop op afbetaling restrictief althans niet-extensief dient te geschieden. 38. Op het voorgaande stuit middelonderdeel 3 in zijn geheel af. Middelonderdeel 4; voortbouwende klacht 39. Dit middelonderdeel bevat geen zelfstandige klacht doch bouwt voort op de klachten van de voorgaande middelonderdelen, die blijkens het voorgaande alle falen, zodat ook dit middelonderdeel faalt. Slotsom 40. De slotsom is dat de in het cassatiemiddel aangevoerde klachten falen en dat het cassatieberoep mitsdien moet worden verworpen. Conclusie De conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden