← Nederland

ECLI:NL:PHR:2012:BW5169

Nr. 11/01446 Mr. Vegter Zitting 28 februari 2012 Conclusie inzake: [Verdachte]

  1. De verdachte is door de enkelvoudige kamer van het Gerechtshof te Leeuwarden bij arrest van 4 februari 2011 niet-ontvankelijk verklaard in zijn hoger beroep.
  2. Mr. K.E. Wielinga, advocaat te Leeuwarden, heeft cassatie ingesteld en bij schriftuur twee middelen van cassatie voorgesteld.
  3. Het gaat in deze zaak om het volgende. Verdachte is wegens overtreding van artikel 447e Sr (niet voldoen aan identificatieverplichting) door de kantonrechter te Leeuwarden op tegenspraak veroordeeld tot een geldboete van zestig euro met vervangende hechtenis van een dag. De voorzitter heeft beoordeeld of het in het belang van de goede rechtsbedeling is om het tegen het vonnis ingestelde hoger beroep te behandelen, geoordeeld dat zulks het geval is en bevolen dat het hoger beroep ter terechtzitting aanhangig wordt gemaakt (art. 410a Sv). Ter terechtzitting van de enkelvoudige kamer van het Hof is verstek verleend tegen de niet verschenen verdachte, is met de behandeling van de zaak voortgegaan en is onmiddellijk uitspraak gedaan.
  4. De aantekening van het mondeling arrest houdt in: " Het hof stelt vast dat de verdachte geen schriftuur houdende grieven heeft ingediend, noch mondeling bezwaren tegen het vonnis van de kantonrechter d.d. 23 september 2010 heeft opgegeven. Het hof ziet hierin aanleiding - op grond van het bepaalde in artikel 416, tweede lid, Wetboek van Strafvordering - het door de verdachte ingestelde hoger beroep niet-ontvankelijk te verklaren."
  5. Beide middelen nemen als uitgangspunt dat er een discrepantie is tussen de beslissing van de voorzitter tot het verlenen van verlof en de beslissing van het Hof tot niet-ontvankelijkverklaring. Volgens het eerste middel is de niet-ontvankelijkverklaring daarom zonder nadere motivering onbegrijpelijk en volgens het tweede middel is de niet-ontvankelijkverklaring daarom in strijd met een eerlijk proces als bedoeld in artikel 6 EVRM. De middelen worden gezamenlijk besproken.
  6. Anders dan in het eerste middel lijkt te worden verondersteld is de beslissing van het Hof op basis van artikel 416, tweede lid, Sv wel nader gemotiveerd. Zie onderdeel 4 hierboven. Aan de niet-ontvankelijkverklaring ligt mede een omstandigheid ten grondslag die bij het verlenen van verlof nog geen enkele betekenis kon hebben. Het Hof neemt bij de niet-ontvankelijkverklaring immers mede in aanmerking dat verdachte ter terechtzitting van het Hof niet is verschenen en (daar dus ook) geen mondelinge bezwaren tegen het bestreden vonnis heeft opgegeven. Van discrepantie tussen de beslissing van de voorzitter en die van het Hof is daarom geen sprake. De middelen falen dus al bij gebrek aan feitelijke grondslag. Nu geen andere redenen worden opgegeven waarom het arrest van het Hof is strijd is met artikel 6 EVRM laat ik dat verder buiten beschouwing.
  7. De middelen kunnen worden afgedaan met de aan art. 81 RO ontleende motivering. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van het bestreden arrest behoren te leiden.
  8. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.