Nr. 10/03163 Mr. Silvis Zitting: 6 maart 2012 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)heeft de Hoge Raad overwogen: "Indien een aangehouden verdachte niet dan wel niet binnen redelijke grenzen de gelegenheid is geboden om voorafgaand aan het eerste verhoor door de politie een advocaat te raadplegen, levert dat in beginsel een vormverzuim op als bedoeld in art. 359a Sv, dat, na een daartoe strekkend verweer, in de regel - behoudens in het geval dat de verdachte uitdrukkelijk dan wel stilzwijgend doch in ieder geval ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van dat recht, dan wel bij het bestaan van dwingende redenen om dat recht te beperken - dient te leiden tot uitsluiting van het bewijs van de verklaringen van de verdachte die zijn afgelegd voordat hij een advocaat kon raadplegen."
- Het Hof heeft vastgesteld dat sprake is van een onherstelbaar vormverzuim als bedoeld in art. 359a Sv nu verdachte, nadat hij is aangehouden, is gehoord zonder dat hij in de gelegenheid is gesteld om een advocaat te consulteren. Uit de hiervoor genoemde uitspraak volgt dat een dergelijk verzuim, behoudens de twee genoemde uitzonderingen, zonder meer tot bewijsuitsluiting dient te leiden. Door (enkel) te overwegen dat het Hof niet zal overgaan tot bewijsuitsluiting nu de verdachte de gelegenheid heeft gehad om een advocaat te raadplegen voordat hij zich meldde bij de politie en werd aangehouden, heeft het Hof dat miskend. Uit die omstandigheid kan immers niet (zonder meer) volgen dat verdachte ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn recht op rechtsbijstand na zijn aanhouding, dan wel dat er sprake was van een dwingende reden om dat recht te beperken, terwijl het Hof evenmin uitdrukkelijk heeft vastgesteld dat van (één van) de genoemde uitzonderingen sprake is. Het middel slaagt.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het arrest waarvan beroep en tot terugwijzing van de zaak naar het Gerechtshof te Arnhem, dan wel verwijzing naar een aangrenzend hof, ten einde opnieuw recht te doen op basis van het bestaande hoger beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 HR 30 juni 2009, LJN BH3079, NJ 2009/349; HR 13 september 2011, LJN BQ8907, NJ 2011/556 m.nt. Schalken; HR 10 januari 2012, LJN BT7095.