Nr. 10/05018 Mr. Machielse Zitting 13 maart 2012 Conclusie inzake: [Verdachte] 1. Het Gerechtshof te Amsterdam heeft verdachte op 8 juli 2010 wegens "opzettelijk gebruik maken van een niet op zijn naa
Article 3of the Convention because of the applicant's conditions of detention; (...) 5.
Holds, by sixteen votes to one, that there
Article 3
of the Convention because of the applicant's living conditions in Greece; (...) 7. Holds, unanimously, that there
Article 13
taken in conjunction with Article 3 of the Convention because of the deficiencies in the asylum procedure followed in the applicant's case and the risk of his expulsion to Afghanistan without any serious examination of the merits of his asylum application and without any access to an effective remedy; (...)." Het EHRM veroordeelde ook België. Door M.S.S. naar Griekenland terug te sturen heeft België hem blootgesteld aan een asielprocedure, detentie- en leefomstandigheden die in strijd zijn met het in art. 3 EVRM gewaarborgde recht gevrijwaard te blijven van marteling en onmenselijke of vernederende behandeling of bestraffing. 3.4.
- Volgens de steller van het middel kan gelet op het oordeel van het EHRM over de detentie, de opvang en de asielprocedure van de Afghaan M.S.S. in Griekenland het beroep van verdachte op art. 31 Vluchtelingenverdrag niet afstuiten op het interstatelijk vertrouwensbeginsel. 3.4.
- Aangezien het bestreden arrest dateert van vóór de aangehaalde uitspraak van het EHRM en dus de verdediging noch het hof daarmee rekening heeft kunnen houden, begrijp ik de klacht zo, dat de steller van het middel daarmee heeft bedoeld te betogen dat het genoemde arrest uit Straatsburg meebrengt dat verdachte zich in de zomer van 2007 in Griekenland heeft bevonden in een "country where his protection, safety and security could not be assured" en hem om die reden de bescherming van art. 31 Vluchtelingenverdrag toekomt. 3.4.
- "Coming directly from a territory where their life or freedom was threatened in the sense of article 1" als bedoeld in art. 31 lid 1 Vluchtelingenverdrag betekent dat de asielzoeker arriveert uit: "- His/her home country - From another country where his/her protection, safety and security could not be assured, or - A transit country where he/she was present for a short period of time without having applied for or received asylum there."
(11)Asielzoekers die Nederland inreizen vanuit een land waar hun "protection, safety and security could not be assured" vallen dus onder het bereik van het artikel. Volgens Goodwin-Gill
(12)"Article 31 was intended to apply, and has been interpreted to apply, to persons who have briefly transited other countries, who are unable to find protection from persecution in the first country or countries to which they flee, or who have 'good cause' for not applying in such country or countries. (...) The real question is whether effective protection is available for that individual in that country. The drafters only intended that immunity from penalty should not apply to refugees who had settled, temporarily or permanently, in another country."
(13)De verwijzing naar artikel 1 in de tekst van art. 31 Vluchtelingenverdrag impliceert dat de asielzoeker in het land van waaruit hij aankomt - land van herkomst of ander land van verblijf - gegronde vrees moet hebben voor vervolging wegens ras, godsdienst, nationaliteit, het behoren tot een sociale groep of politieke overtuiging.
(14)Het vereiste is in zoverre spiegelbeeldig aan het in art. 33 Vluchtelingenverdrag opgenomen verbod een vluchteling - direct of indirect - terug te zenden naar een land "where his life or freedom would be threatened on account of his race, religion, nationality, membership of a particular social group or political opinion". Terugzenden mag alleen naar een veilig derde land, dat niet op zijn beurt een vluchteling doorzendt naar het land van vervolging. Omtrent de voorwaarden die aan de veiligheid van het derde land moeten worden gesteld schrijven Spijkerboer en Vermeulen onder meer dat "genoegzaam moet vaststaan dat de asielzoeker als hij vluchteling is niet in strijd met artikel 33 Vluchtelingenverdrag gerefouleerd zal worden (...). Uiteraard geldt daarnaast de uit artikel 3 EVRM en art. 3 AFV voortvloeiende voorwaarde, dat de asielzoeker in dat derde land niet in strijd met genoemde bepalingen behandeld wordt, of vanuit dat land doorgezonden wordt naar een land waar hij het risico loopt in strijd met die bepalingen behandeld te worden." Volgens Spijkerboer en Vermeulen is niet helder welke overige eisen - behalve veiligheid in termen van de refoulementsverboden - gelden voor de kwaliteit van het verblijf in het derde land.
(15)Griekenland is partij bij zowel het Vluchtelingenverdrag als het EVRM en het VN Anti-Folterverdrag.
(16)Het is in het asielrecht, op grond van art. 31 lid 2 onder h Vreemdelingenwet (zie hierboven onder 3.3.5), aan de vreemdeling om aannemelijk te maken dat een derde land waar hij eerder heeft verbleven ten aanzien van hem zijn verplichtingen uit het Vluchtelingenverdrag, het EVRM of het Anti-Folterverdrag niet nakomt. Daarbij geldt dat indien bekend is dat een land die verplichtingen in het algemeen niet nakomt, sneller zal kunnen worden aangenomen dat het land die verplichtingen ook ten aanzien van de betreffende vreemdeling niet nakomt.
(17)3.4.
- Terug naar de ontvankelijkheid van het OM in de vervolging van asielzoekers die na een verblijf in Griekenland Nederland inreizen en hier gebruik maken van valse of andermans reisdocumenten. Het voorgaande betekent mijns inziens dat voor een geslaagd beroep op art. 31 Vluchtelingenverdrag in die zaken onder meer is vereist dat de verdediging aannemelijk heeft gemaakt dat de verdachte tijdens zijn verblijf in Griekenland heeft moeten vrezen voor vervolging wegens één van de in art. 1 Vluchtelingenverdrag genoemde vervolgingsgronden, dat Griekenland ten aanzien van verdachte de verplichtingen voortvloeiend uit het Vluchtelingenverdrag niet nakomt of dat verdachte gegronde vrees heeft voor een schending van andere elementaire mensenrechten in Griekenland. Wordt dit niet uitdrukkelijk aangevoerd en voldoende onderbouwd, dan kan de strafrechter - al dan niet in navolging van het oordeel van de bestuursrechter in de asielprocedure van de verdachte - ervan uitgaan dat Griekenland niet een land is waar het leven of de vrijheid van de verdachte wordt bedreigd. Voor zover het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland in algemene termen heeft geoordeeld over onmenselijke aspecten van de detentie en (het gebrek aan) opvang van asielzoekers en het risico van refoulement in Griekenland, draagt dit arrest bij aan de aannemelijkheid van de stelling dat thans ten aanzien van asielzoekers in Griekenland verdragsverplichtingen niet worden nagekomen. 3.4.
- De rechter die wordt geconfronteerd met een verweer dat het OM niet-ontvankelijk is in de vervolging van de vreemdeling die is aangetroffen met valse papieren zal dienen na te gaan of de feiten waarop het verweer zich baseert aannemelijk zijn. In de onderhavige zaak heeft het hof geen rekening kunnen houden met de uitspraak van het EHRM in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland. Het hof heeft zich georiënteerd op beslissingen, verdachte betreffende, van de Raad van State uit
- Dat lijkt mij juist. Die beslissingen zijn in lijn met de beslissing van het EHRM van 2 december 2008 in de zaak K.R.S. tegen Engeland (nr. 32733/08). Het betreft een Iraniër die in 2006 via Griekenland in Engeland was terechtgekomen. Engeland wilde hem terugsturen naar Griekenland. Dat zou volgens betrokkene een schending van art. 3 EVRM opleveren. Het EHRM wees op de conclusies van onder meer de UNHCR en Amnesty International over de risico's die asielzoekers in Griekenland zouden lopen. Vervolgens overwoog het EHRM: "Despite these concerns, the Court considers that they cannot be relied upon to prevent the United Kingdom from removing the present applicant to Greece, for the following reasons. The Court notes that the present applicant is Iranian. On the evidence before it, Greece does not currently remove people to Iran (or Afghanistan, Iraq, Somalia or Sudan - see Nasseri above) so it cannot be said that there is a risk that the applicant would be removed there upon arrival in Greece, a factor which Lord Justice Laws regarded as critical in reaching his decision (see above). In reaching this conclusion the Court would also note that the Dublin Regulation, under which such a removal would be effected, is one of a number of measures agreed in the field of asylum policy at the European level and must be considered alongside Member States' additional obligations under Council Directive 2005/85/EC and Council Directive 2003/9/EC to adhere to minimum standards in asylum procedures and to provide minimum standards for the reception of asylum seekers. The presumption must be that Greece will abide by its obligations under those Directives. In this connection, note must also be taken of the new legislative framework for asylum applicants introduced in Greece and referred to in the letters provided to the Court by the Agent of the Government of Greece through the United Kingdom Agent. In addition, if Greece were to recommence removals to Iran, the Dublin Regulation itself would allow the United Kingdom Government, if they considered it appropriate, to exercise their right to examine asylum applications under Article 3.2 of the Regulation. Quite apart from these considerations, and from the standpoint of the Convention, there is nothing to suggest that those returned to Greece under the Dublin Regulation run the risk of onward removal to a third country where they will face ill-treatment contrary to Article 3 without being afforded a real opportunity, on the territory of Greece, of applying to the Court for a Rule 39 measure to prevent such. It is true that the Greek authorities, in their letters of 31 October and 4 November 2008, have not specifically addressed this matter, even though they were requested to do so. However, the Court notes in this regard that assurances were obtained by the Agent of the United Kingdom Government from the Greek "Dublin Unit" - in particular in the letter dated 11 July 2008 from the Head of Aliens Division (Asylum Section) of that unit - that asylum applicants in Greece have a right to appeal against any expulsion decision and to seek interim measures from this Court under Rule 39 of the Rules of Court. There is nothing in the materials before the Court which would suggest that returnees to Greece under the Dublin Regulation, including those whose asylum applications have been the subject of a final negative decision by the Greek authorities, have been, or might be, prevented from applying for an interim measure on account of the timing of their onward removal or for any other reason. The Court recalls in this connection that Greece, as a Contracting State, has undertaken to abide by its Convention obligations and to secure to everyone within their jurisdiction the rights and freedoms defined therein, including those guaranteed by Article
- In concrete terms, Greece is required to make the right of any returnee to lodge an application with this Court under Article 34 of the Convention (and request interim measures under Rule 39 of the Rules of Court) both practical and effective. In the absence of any proof to the contrary, it must be presumed that Greece will comply with that obligation in respect of returnees including the applicant. On that account, the applicant's complaints under Articles 3 and 13 of the Convention arising out of his possible expulsion to Iran should be the subject of a Rule 39 application lodged with the Court against Greece following his return there, and not against the United Kingdom. Finally, in the Court's view, the objective information before it on conditions of detention in Greece is of some concern, not least given Greece's obligations under Council Directive 2003/9/EC and Article 3 of the Convention. However, for substantially the same reasons, the Court finds that were any claim under the Convention to arise from those conditions, it should also be pursued first with the Greek domestic authorities and thereafter in an application to this Court." Deze overwegingen voerden het EHRM tot de conclusie dat Engeland zijn verplichtingen voortvloeiende uit art. 3 EVRM niet zou schenden door betrokkene naar Griekenland te verwijderen. De klacht werd niet-ontvankelijk verklaard. De situatie die het EHRM in deze zaak beschreef zal geacht kunnen worden ook op verdachte van toepassing te zijn geweest. Dat betekent dat het hof ervan is kunnen uitgaan dat Griekenland aan zijn verplichtingen die voortvloeien uit het Vluchtelingenverdrag en het EVRM zou voldoen en dat verdachte in Griekenland niet hoefde te vrezen voor een ongeoorloofde aanslag op leven of vrijheid. Daaraan staat niet in de weg dat thans, op basis van de uitspraak van 21 januari 2011 in de zaak M.S.S. tegen België en Griekenland, verwijdering van verdachte naar Griekenland ongeoorloofd zou zijn. Derhalve is ook de derde klacht tevergeefs voorgesteld.
- Het middel faalt in al zijn onderdelen. Ambtshalve heb ik geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Bedoeld zijn de tijdelijke maatregel d.d. 3 juni 2010, die behelst dat Nederland een Somalische familie tijdens haar klachtprocedure bij het EHRM niet mag overdragen aan Griekenland, en de brief van de minister van Justitie aan de Tweede Kamer d.d. 11 juni 2010, waarin hij aangeeft dat de bevriezingsmaatregel doorwerkt ten aanzien van alle overdrachten aan Griekenland van personen afkomstig uit Zuid- of Centraal-Somalië. 2 Het proces-verbaal behoort niet tot de kernstukken waarvan aan de steller van het middel een afschrift is verzonden. Ex art. IV lid 2 Procesreglement van de strafkamer van de Hoge Raad had hij echter ter griffie inzage kunnen krijgen in alle bij de Hoge Raad binnengekomen processtukken in deze zaak. 3 Trb. 1951, 131 en Trb. 1954,
- 4 HR 24 mei 2011, LJN BO
- 5 HR 13 oktober 2009, LJN BI1325; HR 3 januari 2012, LJN BU2863; HR 10 januari 2012, LJN BT
- 6 Zie voor een bespreking van dit artikel uit het verdrag van 1951 in relatie tot de hedendaagse mogelijkheden om per vliegtuig een land te onvluchten en elders asiel aan te vragen de Britse zaak R v Asfaw [2008] UKHL 31, gepubliceerd op www.publications.parliament.uk/pa/ld200708/ldjudgmt/jd080521/asfaw-1.htm. 7 ARRvS 3 november 2009, LJN BK
- De Afdeling vernietigde in dat arrest de uitspraak waarin de rechtbank overwoog dat, gelet op verschillende door de President van het EHRM getroffen interim measures en EHRM 11 juni 2009 S.D. tegen Griekenland, JV 2009, 343, de staatssecretaris van Justitie niet zonder nader onderzoek had kunnen volstaan met een enkele verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. 8 In zijn conclusie vóór HR 20 september 2011, LJN BQ7762, vestigde mijn ambtgenoot Vellinga reeds de aandacht op dit arrest, zonder daar echter conclusies aan te verbinden omdat in die zaak het door Griekenland gevoere asielbeleid niet aan de orde was gesteld en het hof daaromtrent ook niets had vastgesteld. 9 Verordening (EG) nr. 343/2003 van de Raad van 18 februari 2003 tot vaststelling van de criteria en instrumenten om te bepalen welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een asielverzoek dat door een onderdaan van een derde land bij een van de lidstaten wordt ingediend. De zgn. veilig-derde-land-regeling uit deze verordening houdt kort gezegd in dat een asielzoeker kan worden verwezen naar een veilig derde land waarmee hij een band heeft. Daarvoor is meer vereist dan dat hij dat land slechts op doorreis heeft aangedaan. 10 Neergelegd in art. 33 Vluchtelingenverdrag: "No Contracting State shall expel or return a refugee in any manner whatsoever to the frontiers of territories where his life or freedom would be threatened on account of his race, religion, nationality, membership of a particular social group or political opinion." 11 K. Jastram & M. Achiron. Refugee Protection: A Guide to International Refugee Law, Handbook UNHCR 2001, p.
- Te vinden op: http://www.unhcr.org/3d4aba564.html. 12 G.S. Goodwin-Gill. 'Article 31 of the 1951 Convention Relating to the Status of Refugees: non-penalization, detention, and protection'. In: E. Feller e.a., Refugee Protection in International Law, Cambridge University Press 2003, p.
- Ook te vinden op http://www.unhcr.org/419c778d4.html. 13 Zie ook de conclusie van mijn ambtgenoot Vellinga vóór HR 24 mei 2011, LJN BO1587 en het daarin aangehaalde V. Türk & F. Nicholson. 'Refugee protection in international law: an overall perspective'. In: E. Feller, a.w., p.
- Te vinden op: http://www.unhcr.org/419c73174.html. 14 A. Grahl-Madsen. Commentary on the Refugee Convention 1951, aantekening 5 bij art. 31 lid
- Te vinden op: http://www.unhcr.org/refworld/docid/4785ee9d2.html 15 T.P. Spijkerboer & B.P. Vermeulen
(2005). Vluchtelingenrecht. Nijmegen: Ars Aequi Libri, pp. 92-93. 16 Gecontroleerd aan de hand van de verdragenbank op www.minbuza.nl. 17 T.P. Spijkerboer & B.P. Vermeulen, a.w., p. 191.