← Nederland

ECLI:NL:PHR:2012:BW7190

Aanvulling op de vordering tot herziening inzake S 12/01629 H [Anil B.] S 12/01630 H [Ahmed L.] S 12/01631 H [Appie T.] S 12/01632 H [Jane H.] S 12/01633 H [Carien N.] S 12/01634 H [Jenny L.] Mr. Aben Zitting: 21 augustus 2012 1. Bij vordering(en) van 5 juni 2012 in de strafzaken van

(1). [Anil B.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer 20.002065/94) ter zake van "medeplegen van: doodslag gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren;
(2). [Ahmed L.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002063/94) wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of aan andere deelnemers aan dat feit, straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren;
(3). [Appie T.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002064/94) wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren;
(4). [Jane H.], die bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te Breda van 26 juli 1994 (parketnummer: 3176/94) wegens "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht;
(5). [Carien N.], die bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te Breda van 11 oktober 1994 (parketnummer 3208/94) ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht;
(6). [Jenny L.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.001423/94) ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te breiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaar, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, heb ik de herziening aangevraagd van de hiervoor vermelde onherroepelijke veroordelingen, met verwijzing van de strafzaken naar een gerechtshof dat daarvan nog geen kennis heeft genomen, opdat de zaken (gelijktijdig) zullen worden behandeld en afgedaan op de wijze als is voorzien in artikel 467, eerste lid Sv.
  1. Bij tussenarrest van 26 juni 2012 heeft Uw Raad het volgende overwogen: "Paragraaf 8.2.1 van de vordering van de Procureur-Generaal houdt met betrekking tot [Jenny L.], [Jane H.] en [Carien N.] in dat "geen van de drie vrouwen ook maar enige belangstelling heeft getoond voor een herziening van hun veroordelingen". De Hoge Raad acht het in het onderhavige geval van belang ten aanzien van elk van de zes betrokkenen te kunnen vaststellen dat een herzieningsprocedure niet tegen hun wil ingaat. Dienaangaande wil de Hoge Raad door de Procureur-Generaal nader worden geïnformeerd. Daartoe zal de zaak naar de rol worden verwezen."
  2. In antwoord op het door Uw Raad verzochte dient het volgende.
  3. De dag voorafgaande aan de indiening van de vordering tot herziening van 5 juni 2012 heb ik uitvoerige (al dan niet telefonische) gesprekken gevoerd met [Ahmed L.], [Jane H.], [Carien N.] en [Jenny L.], als ook (korter) met de advocaten van [Appie T.] (mr. Knoops) en [Anil B.] (mr. Loevendie). Wat betreft de standpunten van [Appie T.], [Anil B.], [Ahmed L.] en [Jenny L.] valt weinig meer op te merken dan dat aan hun mededelingen, c.q. aan die van hun advocaten valt te ontlenen dat zij zonder meer instemmen met de strekking van de vordering tot herziening.
  4. [Jane H.] heb ik 4 juni jl. (telefonisch) tweemaal uitvoerig gesproken, mede vanwege de emotionele toestand waarin zij tijdens die gesprekken verkeerde. Zij stond weliswaar positief tegenover de strekking van de vordering, maar had haar aarzelingen over de vraag of zij sterk genoeg was om bestand te zijn tegen de verwikkelingen die met een herzieningsprocedure gepaard gaan. Bovendien vreesde zij de juridische consequenties van het door haar afleggen van valse - namelijk: bekennende - verklaringen. Nadat zij zich tussen de twee gesprekken door had verzekerd van de steun van haar naasten, en nadat ik haar zei dat een vervolging voor meineed vanwege haar destijds ter zitting gedane bekentenis mij uiterst onwaarschijnlijk voor kwam, deelde zij mij ondubbelzinnig mede: "dan ga ik ervoor." 6.
  5. Wat betreft [Carien N.] stuitte ik in mijn gesprek met haar aanvankelijk op een terughoudende, kritische opstelling. Gaandeweg werd zij naar mij toe meer openhartig. Haar standpunt over herziening was niettemin afwijzend. Zij gaf als reden op dat zij bezorgd is over de bekendwording van haar veroordeling. Zij heeft haar leven nu "op orde" en in haar werkkring is niet bekend dat zij een gevangenisstraf heeft ondergaan. Ook de persoon bij wie zij in huis is getrokken (na een scheiding van haar partner) is daarvan niet op de hoogte. Ik heb van mijn kant meegedeeld dat een afsplitsing van haar zaak van die van de overige vijf veroordeelden op dit punt geen soelaas zal kunnen bieden. Bovendien, zo deelde ik mede, vind ik het principieel onjuist om in zo'n zaak een veroordeling ongemoeid te laten in het geval er goede gronden zijn voor de herziening ervan. Voor deze opvatting had zij begrip, maar het veranderde haar mening op dat moment niet. 6.
  6. Terzijde merk ik nog het volgende op. Ofschoon mijn gesprek met [Carien N.] niet strekte tot het vergaren van informatie, deelde zij mij mede wat (naar haar zeggen) de gang van zaken was in de nacht van 3 op 4 juli
  7. Zij bevestigde dat zij in de vroege ochtend van 4 juli samen met [Jane H.] was gearriveerd op de [b-straat], "waar die jongens schijnbaar stonden", en dit om het restant van de nacht door te brengen in een flatwoning aldaar. Op mijn vraag wat zij met "schijnbaar" bedoelde, antwoordde ze: "volgens de politie." In werkelijkheid had zij niemand gezien. Zij voelde zich ziek en ze kan zich nog herinneren dat zij de trap op is geholpen door [Jane H.]. Pas de volgende ochtend vernam zij van het overlijden van [mw. M.], aldus [Carien N.].
  8. Inmiddels heb ik bij mrs. Knoops en Loevendie navraag gedaan naar het actuele standpunt van hun (in totaal zes) cliënten.
  9. Van mr. Loevendie, die optreedt namens [Anil B.], [Jenny L.] en [Carien N.], ontving ik op 27 juni 2012, alsmede op 2 en 3 juli 2012 berichten. Hieraan ontleen ik de volgende mededelingen: "Inmiddels ontving ik (mr. Loevendie, D.A.) kopieën van het tussenarrest d.d. 26 juni jl. van de Hoge Raad, waarin het verzoek is geformuleerd nadere informatie te verstrekken omtrent de wens van 'de zes betrokkenen' m.b.t. het verzoek tot herziening. Ten aanzien van [Anil B.] en [Jenny L.] is dit een volmondig 'ja', zij wensen herziening van de arresten zoals deze in 1995 door het gerechtshof te 's-Hertogenbosch gewezen zijn en staan derhalve volledig achter het daartoe strekkende verzoek." "Ten aanzien van [Carien N.] ligt de wens tot herziening te komen gecompliceerder. Zij wordt niet graag herinnerd aan de tijd van detentie en de toenmalige rechtsgang. Ook zij spreekt over een in het politiebureau zeer onheuse, vernederende bejegening (douchen onder toezicht van en fouilleren door louter mannelijke bewaarders). Zij is echter tot het inzicht gekomen dat voor alle betrokkenen herziening gewenst en vooral gerechtvaardigd is, ook voor haarzelf." Bij mail van 3 juli voegde mr. Loevendie hieraan toe: "Met verwijzing naar mijn mail van gisteren deel ik u mede dat cliënte [Carien N.] mijn mail heeft beantwoord: zij staat achter het verzoek tot herziening en wenst ook herziening van het vonnis van de rechtbank Breda uit 1994." Overigens had mr. Loevendie mij al eerder bericht: "Na kennisneming van het volledige dossier is het zeer wel mogelijk dat ik namens cliënten zelfstandige - aanvullende - verzoeken tot herziening zal indienen."
  10. Van mr. Knoops kreeg ik op 27 juni 2012 het bericht dat zijn cliënten, [Appie T.], [Ahmed L.] en [Jane H.], volledig instemmen met de strekking van de vordering tot herziening, en dat zij alle drie - mede ter bevestiging van hun instemming - een separaat verzoek tot herziening zullen indienen, ter aanvulling op de daartoe strekkende vordering mijnerzijds.
  11. Ik meen op basis van een en ander te mogen concluderen dat de vordering tot herziening niet tegen de wil van de veroordeelden ingaat. De procureur-generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden Vordering tot herziening inzake S 12/01629 H [Anil B.] S 12/01630 H [Achmed L.] S 12/01631 H [Appie T.] S 12/01632 H [Jane H.] S 12/01633 H [Karin N.] S 12/01634 H [Jenny L.] Mr. Aben Zitting: 5 juni 2012 Vorderingen tot de herziening van onherroepelijke veroordelingen in de strafzaken van
(1). [Anil B.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer 20.002065/94) ter zake van "medeplegen van: doodslag gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.
(2). [Achmed L.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002063/94) wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of aan andere deelnemers aan dat feit, straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.
(3). [Appie T.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002064/94) wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren.
(4). [Jane H.], die bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te Breda van 26 juli 1994 (parketnummer: 3176/94) wegens "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht.
(5). [Karin N.], die bij onherroepelijk vonnis van de rechtbank te Breda van 11 oktober 1994 (parketnummer 3208/94) ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht.
(6). [Jenny L.], die bij onherroepelijk arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.001423/94) ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te breiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" is veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaar, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Inhoudsopgave
  1. Inleiding 1.
  2. De aanleiding 1.
  3. Het eerste opsporingsonderzoek 1.
  4. Het tweede opsporingsonderzoek 1.
  5. De onherroepelijke veroordelingen 1.
  6. Nadere ontwikkelingen 1.
  7. Het evaluatieonderzoek 1.
  8. Het dossier 1.
  9. Appendices en bijlagen
  10. Herziening 2.
  11. De wettelijke mogelijkheid van herziening 2.
  12. Nieuwe wetgeving
  13. De zaak en de veroordelingen 3.
  14. Het gewelddadige overlijden van [mw. M.] 3.
  15. De eerste onderzoeksresultaten 3.
  16. Het tweede opsporingsonderzoek en de veroordelingen
  17. Forensisch-technisch onderzoek 1993 - 1995 4.
  18. Sporen op de plaats van het delict 4.
  19. Dactyloscopische sporen 4.
  20. Schoensporen 4.
  21. Onderzoek aan celmateriaal 4.
  22. Celmateriaal in/op de kleding en een handdoek 4.
  23. Onderzoek aan veiliggestelde haren 4.
  24. Biologisch sporenonderzoek aan de bloedsporen met de nrs. 7 en 20 4.
  25. Relatie tot het delict 4.
  26. Conclusies forensisch-technisch onderzoek 1993 - 1995
  27. De bekennende verklaringen afzonderlijk beschouwd 5.
  28. De waarde van bekennende verklaringen 5.
  29. De verklaringen van [Jane H.] 5.2.
  30. Algemeen 5.2.
  31. Werd [mw. M.] opgehaald? 5.2.
  32. Waar werd [mw. M.] opgehaald? 5.2.
  33. Wie opende de deur van het restaurant 5.2.
  34. Is er gespuugd? 5.2.
  35. Conclusie 5.
  36. De verklaringen van [Karin N.] 5.3.
  37. Algemeen 5.3.
  38. Het ophalen van [mw. M.] 5.3.
  39. De auto 5.3.
  40. Conclusie 5.
  41. De verklaringen van [Jenny L.] 5.4.
  42. Algemeen 5.4.
  43. De voorbereidingen 5.4.
  44. De aanvang van de overval 5.4.
  45. Het ophalen van [mw. M.] 5.4.
  46. Het "intrekken" van de verklaringen 5.4.
  47. Conclusie 5.
  48. Conclusie over de consistentie van de verklaringen afzonderlijk beschouwd
  49. De bekennende verklaringen nader beschouwd 6.
  50. Algemeen 6.1.
  51. 6.1.
  52. Onschuldige mensen leggen geen voor zichzelf belastende verklaring af 6.1.
  53. De opmerkelijke overeenkomsten in de bekennende verklaringen 6.1.
  54. Daderwetenschap 6.1.
  55. De verklaringen stroken met externe informatie 6.1.6 6.
  56. De verklaringen in onderlinge samenhang bezien 6.2.
  57. De voorbereidende besprekingen voor de overval 6.2.
  58. Het ophalen van [mw. M.] en de aanwezigheid van [Jenny L.] 6.2.
  59. In de keuken van het restaurant en buiten op straat 6.2.
  60. De doodsoorzaak 6.2.
  61. Het spugen 6.
  62. De bekennende verklaringen afgezet tegen externe informatie 6.3.
  63. Over de verklaringen van [Lucy C.] en [Miranda H.] en over de vraag wanneer 'de jongens' voor het eerst [a-straat 1] bezochten 6.3.
  64. De voorfase 6.3.
  65. De verklaringen van [betrokkene 1] 6.3.
  66. Op het trottoir voor [de P.] 6.3.
  67. Het sporenbeeld op de PD en het gebruik van een vuurwapen 6.3.
  68. Het stoffelijk overschot van [mw. M.] 6.3.
  69. Het alibi van [Appie T.] 6.3.
  70. Het alibi van [Achmed L.] 6.3.
  71. Het alibi van [Jenny L.] en dat van [Anil B.] 6.
  72. Conclusies over de bekennende verklaringen 6.4.
  73. Samenvatting 6.4.
  74. De politieverhoren
  75. Forensisch-technisch onderzoek 2008 - 2012 857.
  76. Dactyloscopisch onderzoek 857.
  77. Schoensporenonderzoek 857.
  78. Onderzoek aan celmateriaal 7.
  79. Celmateriaal in/op de kleding en een handdoek 7.
  80. Onderzoek aan veiliggestelde haren 7.
  81. Biologisch sporenonderzoek aan de bloedsporen met de nrs. 7 en 20 7.
  82. De betekenis van de onderzoeksbevindingen 7.7.
  83. Algemeen 7.7.
  84. Interpretatie van bewijsmateriaal 7.7.
  85. Absence of evidence 7.7.
  86. Geen onderzoeksresultaten in de richting van de veroordeelden 7.7.
  87. Hebben de bloedsporen met de nrs. 7 en 20 een relatie met het delict?
  88. Het evaluatieonderzoek 2010 - 2011 8.
  89. Algemeen 8.
  90. De interviews met [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] 8.2.
  91. 8.2.
  92. [Jane H.] 8.2.
  93. [Karin N.] 8.2.
  94. [Jenny L.] 8.2.
  95. Conclusies 8.
  96. De verklaringen van [Miranda H.] en [Lucy C.] 8.3.
  97. [Miranda H.] 8.3.
  98. [Lucy C.] 8.3.
  99. Conclusies 8.
  100. De interviews met de rechercheurs 8.4.
  101. 8.4.
  102. Het verhoor van [Karin N.] 8.4.
  103. Algemeen en conclusies 8.4.
  104. [Jane H.] 8.
  105. Daderwetenschap 8.
  106. Ontbrekende stukken 8.6.
  107. Algemeen 8.6.
  108. De voorfase 8.6.
  109. Tijdslijn 8.
  110. Mededelingen van familieleden van [Anil B.] 8.
  111. De CID-informatie
  112. Conclusies en de vordering 9.
  113. Conclusies en nova 9.1.
  114. Samenvatting 9.1.
  115. Conclusie en nova 9.
  116. De vordering
  117. Inleiding 1.
  118. De aanleiding Op 4 juli 1993, omstreeks 11.00 uur, werd in de keuken van het Chinees-Indisch restaurant "[de P.]", gevestigd aan de [b-straat 1] te Breda, het stoffelijk overschot aangetroffen van de 56-jarige [mw. M.], de moeder van de eigenaar van dat restaurant. Zij bleek door geweld om het leven te zijn gebracht. 1.
  119. Het eerste opsporingsonderzoek In overleg met de officier van justitie is besloten een recherchebijstandsteam (RBT) te belasten met het onderzoek naar de toedracht van het misdrijf. Het onderzoek heeft plaatsgehad in de periode van 4 juli tot 10 september
  120. Het RBT heeft uiteenlopende aanwijzingen onderzocht. Voor een beschrijving van het onderzoek verwijs ik naar het rapport van het (nader te noemen) evaluatieteam. Het onderzoek heeft niet geresulteerd in de aanhouding en voorgeleiding van verdachten. In overleg met het openbaar ministerie is besloten om het onderzoek te beëindigen, vooralsnog zonder resultaat. 1.
  121. Het tweede opsporingsonderzoek Op 21 maart 1994 is het opsporingsonderzoek heropend naar aanleiding van een proces-verbaal van de Criminele Inlichtingen Dienst (CID) van het Regiokorps Haaglanden van 11 maart 1994.
(1)In dit CID-verbaal is onder meer vermeld: "In de maand februari 1994 werd bij genoemde dienst informatie ontvangen omtrent overvallen, inbraken en andere strafbare feiten gepleegd in Breda en omgeving door een aantal personen uit Breda en 's-Gravenhage. Het betreft de navolgende feiten. [Jenny L.] heeft begin 1993 op de uitkijk gestaan bij een inbraak c.q. overval op een chinese vrouw in Breda. De chinese vrouw is hierbij door de daders vermoord. [Achmed L.] en [Appie T.] en anderen zijn de daders van de overval c.q. inbraak begin 1993 in Breda waarbij een chinese vrouw om het leven is gebracht. (...)." Daarna volgt in dit CID-verbaal nog een opsomming van andere misdrijven waaraan [Achmed L.] en [Jenny L.] zouden hebben deelgenomen. In het proces-verbaal worden de personalia gegeven van [Achmed L.], [Jenny L.] en [Appie T.]. Ten slotte eindigt het proces-verbaal met de mededeling: "Bovenstaande informatie is afkomstig van meerdere informanten welke kunnen worden gekwalificeerd als "meestal betrouwbaar"." Door een nieuw samengesteld onderzoeksteam is gericht gerechercheerd op de personen van wie de namen in het CID-verbaal zijn vermeld. Binnen het kader van dit onderzoek zijn de aanhoudingen verricht die uiteindelijk hebben geresulteerd in de onherroepelijke veroordelingen die thans onderwerp van de beschouwingen zijn. 1.4. De onherroepelijke veroordelingen In deze zaak zijn in totaal zes personen veroordeeld voor het misdrijf. Kort gezegd zijn de drie mannelijke (gewezen) verdachten veroordeeld ter zake van het medeplegen van gekwalificeerde doodslag en zijn de drie vrouwelijke (gewezen) verdachten veroordeeld ter zake van de medeplichtigheid aan dit misdrijf. Meer specifiek betreft het de volgende zes zaken tegen de hierna te noemen zes veroordeelden.
(1). [Anil B.], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats], indertijd wonende te [woonplaats]. Bij vonnis van de rechtbank te Breda van 2 november 1994 is hij ter zake van het omschreven delict veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van veertien jaren. Bij arrest van het gerechtshof 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer 20.002065/94) is hij ter zake van "medeplegen van: doodslag gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen op 10 september 1996 (nr. 102.924).
(2). [Achmed L.], geboren op [geboortedatum] 1975 te [geboorteplaats], indertijd wonende te [woonplaats]. Bij vonnis van de rechtbank te Breda van 2 november 1994 is hij veroordeeld tot twaalf jaar gevangenisstraf. Bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002063/94) is hij wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of aan andere deelnemers aan dat feit, straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen op 10 september 1996 (nr. 102.916).
(3). [Appie T.], geboren op [geboortedatum] 1974 te [geboorteplaats], indertijd wonende te [woonplaats]. Hij is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 2 november 1994 ter zake van dit delict veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twaalf jaren. Bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.002064/94) is hij wegens "medeplegen van: doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. Het hiertegen ingestelde cassatieberoep is door de Hoge Raad verworpen op 10 september 1996 (nr. 102.915).
(4). [Jane H.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1974, en indertijd wonende te [woonplaats], [c-straat 1] te [woonplaats], c.q. [a-straat 1] te [woonplaats]. Zij is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 26 juli 1994 (parketnummer: 3176/94) wegens "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaren, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het vonnis is niet aangevuld met bewijsmiddelen.
(5). [Karin N.]
(2), geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1973, en indertijd wonende te [woonplaats]. Zij is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 11 oktober 1994 (parketnummer 3208/94) ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan doodslag, vergezeld en voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot gevangenisstraf van 15 maanden, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld. Het vonnis is niet aangevuld met bewijsmiddelen.
(6). [Jenny L.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1975, en indertijd wonende te [woonplaats]. Zij is bij vonnis van de rechtbank te Breda van 26 juli 1994 veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van twee jaar, waarvan drie maanden voorwaardelijik en met een proeftijd van twee jaren, en met als bijzondere voorwaarde - kort gezegd - reclasseringstoezicht. Bij arrest van het gerechtshof te 's-Hertogenbosch van 11 juli 1995 (parketnummer: 20.001423/94) is zij ter zake van "medeplegen van medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, gevolgd of vergezeld en/of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te breiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en andere deelnemers aan dat feit straffeloosheid te verzekeren" veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de tijd van twee jaar, waarvan drie maanden voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaren. Tegen deze uitspraak is geen cassatie ingesteld. 's Hofs arrest is, anders dan het vonnis van de rechtbank, niet aangevuld met bewijsmiddelen. Alle hier genoemde uitspraken zijn opgenomen in ordner A, die als bijlage bij deze vordering is gevoegd. In deze ordner heb ik bovendien afschriften bijgevoegd van de processen-verbaal van 's hofs terechtzittingen van 25 april 1995, 16 mei 1995 en 18 mei 1995 in de zaak tegen [Jenny L.]. Van zittingen van diezelfde datum in de niet-gevoegde doch tegelijkertijd behandelde zaak tegen [Appie T.] heb ik eveneens afschriften gevoegd. De inhoud daarvan is vrijwel gelijkluidend.
(3)In de laatstgenoemde zaak is eveneens een afschrift van het proces-verbaal van de terechtzitting van 30 juni 1995 opgenomen, inclusief pleidooi en het in alle zaken gelijkluidende requisitoir. Ten slotte heb ik als bijlage gevoegd afschriften van de processen-verbaal van 's hofs terechtzitting van 30 juni 1995 in de niet-gevoegde doch tegelijkertijd behandelde zaken tegen [Anil B.] en [Achmed L.]. 1.5. Nadere ontwikkelingen Eén van de veroordeelden, [Appie T.], heeft enige tijd na de afloop van zijn vrijheidsstraf zijn veroordeling onder de aandacht gebracht van het project "Gerede Twijfel". Dit betreft een onderzoeksproject binnen de geledingen van de juridische faculteit van de Universiteit van Maastricht en onder de noemer "Project Gerede Twijfel Antenne VU" ook van de Vrije Universiteit Amsterdam. Een projectgroep van de VU heeft zich onder begeleiding van rechtspsycholoog prof. dr. P.J. van Koppen en criminoloog prof. dr. H. Nelen gebogen over de thans besproken zaak. De door deze projectgroep getrokken conclusie hield in dat gerede twijfel bestaat aan de juistheid van de veroordeling van [Appie T.]. Het schriftelijke resultaat van het betreffende projectonderzoek d.d. 26 mei 2008
(4)is daags daarna voorgelegd aan de toegangscommissie van de Commissie evaluatie afgesloten strafzaken (CEAS). Het openbaar ministerie heeft op verzoek van de toegangscommissie forensisch-technisch onderzoek laten verrichten aan sporenmateriaal dat op de plaats van het delict was aangetroffen en dat nog in het bezit was van het NFI. Het resultaat van dat onderzoek vormde geen ondersteuning voor de in deze zaak uitgesproken veroordelingen.
(5)De voorzitter van het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie en de voorzitter van de toegangscommissie hebben zich eind 2009 gewend tot de procureur-generaal bij de Hoge Raad en hem geattendeerd op de veroordeling van [Appie T.], met het verzoek te overwegen of deze veroordeling zich leent voor een ambtshalve vordering tot herziening. Het verzoek ging vergezeld van het aanbod tot bijstand ingeval de procureur-generaal bij de Hoge Raad zou oordelen dat nader feitenonderzoek was aangewezen. De procureur-generaal heeft deze zaak in mijn handen gesteld. 1.
  1. Het evaluatieonderzoek Zoals vermeld heeft het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie in deze zaak aangeboden zo nodig bijstand te (doen) verlenen voor het verrichten van nader feitenonderzoek. Dat aanbod heeft de procureur-generaal bij de Hoge Raad aanvaard, en ik heb daarvan dankbaar gebruik gemaakt. De bijstand is verleend door een ter zake deskundige officier van justitie, de landelijke forensische officier van justitie, mw. mr. E.E. van der Bijl, en door een team van ervaren rechercheurs, onder leiding van G.J. Kapsenberg, hoofdinspecteur van politie, en Th. van der Wulp, inspecteur van politie. Dit evaluatieonderzoek kende juridische beperkingen. Het ontbreken van specifieke onderzoeksbevoegdheden voor een dergelijk feitenonderzoek belet uiteraard de toepassing van dwangmiddelen, behoudens indien onder omstandigheden de wettelijke grondslag daarvoor kan worden gevonden in een (alsnog) gerezen verdenking tegen een al dan niet bekende persoon, niet zijnde één van de veroordeelden. Het evaluatieonderzoek heeft plaatsgehad in 2010 en
  2. Het onderzoek was op zichzelf niet gericht op het vinden van (een) andere verdachte(n) dan de veroordeelden, maar op het evalueren van het indertijd verrichte onderzoek naar de maatstaven van vandaag, zulks in het besef dat die in 1993 - 1995 anders lagen. Het onderzoek stond bovendien ten dienste van het beoordelen van de mogelijkheden van herziening van de onherroepelijke veroordelingen en van de eventuele noodzaak daartoe. 1.
  3. Het dossier (...) 1.
  4. Appendices en bijlagen (...)
  5. Herziening 2.
  6. De wettelijke mogelijkheid van herziening Het "novum" als grond voor de herziening van een onherroepelijke veroordeling is verankerd in artikel 457, eerste lid onder 2 Sv. Deze bepaling luidt voor zover relevant: "Herziening van eene in kracht van gewijsde gegane einduitspraak houdende veroordeeling, kan worden aangevraagd: (...) 2° op grond van eenige omstandigheid die bij het onderzoek op de terechtzitting den rechter niet was gebleken en die op zich zelve of in verband met de vroeger geleverde bewijzen met de uitspraak niet bestaanbaar schijnt in dier voege dat ernstig vermoeden ontstaat dat ware zij bekend geweest, het onderzoek der zaak zou hebben geleid (...) tot vrijspraak van den veroordeelde (...); (...)." De toepasselijkheid van deze grond voor herziening vereist de vervulling van drie cumulatieve voorwaarden:
(1)de bekendwording van een "omstandigheid"; daarvoor komen (zonder wetswijziging) alleen omstandigheden van feitelijke aard in aanmerking;
(2)die omstandigheid is niet betrokken in het onderzoek ter terechtzitting dat tot de onherroepelijke veroordeling heeft geleid;
(3)het ernstige vermoeden is ontstaan dat het onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak ingeval de rechter met die omstandigheid bekend zou zijn geweest. Niet het enkele bestaan van een nieuwe omstandigheid van feitelijke aard is dus voldoende voor een novum. Noodzakelijk is bovendien een causaal verband tussen enerzijds de bekendwording van de (nieuwe) omstandigheid en anderzijds het ernstige vermoeden dat het rechterlijk onderzoek van de zaak zou hebben geleid tot een vrijspraak. Een omstandigheid van feitelijke aard kwalificeert als novum indien de bekendwording ervan blootlegt dat de toegepaste bewijsconstructie of een andere bewijsconstructie die in de processtukken besloten ligt (zeer vermoedelijk) niet bij machte is de bewezenverklaring te dragen. De door het novum teweeggebrachte twijfel aan de juistheid van de veroordeling vormt dus een grond voor de herziening van een onherroepelijke veroordeling. Het zich manifesteren van een nieuwe omstandigheid van feitelijke aard roept de vraag op hoe het bestaan daarvan zich laat rijmen met de onherroepelijke veroordeling. Bij de beantwoording van die vraag moet dat (potentiële) novum - naar de letter van de wet - "op zich zelve" in ogenschouw worden genomen, alsook "in verband met de vroeger geleverde bewijzen". Naar mijn inzicht brengt dit voorschrift mee dat bij de beoordeling van de mogelijkheid en de noodzaak van herziening niet alleen de relevantie en het gewicht van het potentiële novum zelf moeten worden bepaald, maar dat ook een weging moet plaatsvinden van de bewijsvoering waarop de veroordeling is gestoeld. Indien de veroordeling bijvoorbeeld wordt gedragen door meervoudig, krachtig en wederkerig onafhankelijk bewijsmateriaal (zoals eventueel een bepaalde combinatie van forensisch-technisch bewijsmateriaal, getuigenverklaringen en videobeelden) dat de veroordeelde ten tijde van het delict consistent positioneert op de plaats van het delict, zal een nieuwe getuigenverklaring die de veroordeelde in potentie alsnog een alibi verschaft niet snel kwalificeren als een novum. In het licht van de overtuigende bewijsconstructie wettigt zij immers niet het ernstige vermoeden dat de rechter bij bekendheid met die getuigenverklaring tot een vrijspraak zou zijn gekomen. Anderzijds, indien de veroordeling is gebaseerd op weinig onderscheidend bewijsmateriaal is de kans (veel) groter dat dezelfde alibiverklaring erin slaagt de toegepaste bewijsconstructie te ondermijnen. Kortom, de waardering van het potentiële novum is mede afhankelijk van de kracht van de bewijsconstructie. Zij moeten in hun onderlinge verhouding worden gewogen. De voorgaande beschouwingen brengen mij ertoe hieronder uitgebreid stil te staan bij het bewijsmateriaal dat aan de veroordelende rechters is voorgelegd en aan de bewijsconstructie die in de voorliggende zaken is toegepast, althans voor zover de onherroepelijke veroordelingen daarvan blijk geven. De terugblik heeft niet ten doel het politieonderzoek, het optreden van het openbaar ministerie, het strafproces en de uitkomst ervan naar de indertijd geldende maatstaven te toetsen op professionaliteit, integriteit en deskundigheid. Om die reden zie ik geen bezwaren om - voor zover dat binnen mijn bereik ligt - bij de beantwoording van de vraag of de onherroepelijke veroordelingen moeten worden herzien, gebruik te maken van sindsdien voortgeschreden inzichten in de rechtspsychologie en de forensische wetenschap.
(6)2.
  1. Nieuwe wetgeving Thans is bij de Eerste Kamer der Staten-Generaal aanhangig het wetsvoorstel dat strekt tot wijziging van het Wetboek van Strafvordering in verband met de hervorming van de regeling betreffende herziening ten voordele van de gewezen verdachte (Wet hervorming herziening ten voordele), in behandeling onder Kamerstuknummer 32
  2. Naar verwachting zal deze wet dit jaar in werking treden. Het wetsvoorstel voorziet in een uitbreiding van het begrip "novum" als grond voor herziening (ten voordele), in die zin dat niet slechts een nieuwe omstandigheid van feitelijke aard een novum kan constitueren, maar ieder nieuw "gegeven". Daaronder wordt mede verstaan de inmiddels voortgeschreden inzichten van ter zake deskundigen over de betekenis van feiten die de rechter op zichzelf reeds bekend waren. Enigszins vooruitlopend op de conclusie, meen ik dat de invoering van deze wetgeving niet hoeft te worden afgewacht. De vigerende bepalingen bieden een m.i. toereikende grondslag voor de vordering die ik hieronder nader zal formuleren. Niettemin is bij het onderhavige onderzoek naar de mogelijkheden van herziening in een ander opzicht wel degelijk enigszins vooruitgelopen op de invoering van deze wetgeving. Wat is het geval? De procureur-generaal bij de Hoge Raad is (thans en in de toekomst) bevoegd om herziening te vorderen in strafzaken die zich daarvoor naar zijn oordeel lenen. Op zichzelf ligt dan ook in de rede dat de procureur-generaal feitenonderzoek kan (laten) doen om vast te stellen of er gronden zijn om van die bevoegdheid gebruik te maken. Alleen zijn thans, anders dan in de voorgestelde wettelijke regeling, de mogelijkheden daartoe beperkt. Bij de inwerkingtreding van de Wet hervorming herziening ten voordele wordt in het voorgestelde artikel 463 Sv een wettelijke basis gelegd voor het verrichten van feitenonderzoek naar de mogelijkheid van herziening van een onherroepelijke veroordeling door en onder verantwoordelijkheid van de procureur-generaal bij de Hoge Raad. Bij dit onderzoek kan de procureur-generaal zich doen bijstaan door een onderzoeksteam, dat onderzoek verricht onder zijn leiding en verantwoordelijkheid. Tevens kan de procureur-generaal te zijner tijd onderzoek opdragen aan een rechter-commissaris in strafzaken. Het College van procureurs-generaal van het openbaar ministerie zal op de voet van de voorgestelde bepaling aan de procureur-generaal bij de Hoge Raad op diens verzoek de nodige bijstand verlenen bij de instelling van het onderzoeksteam en de uitvoering van het onderzoek. Een dergelijk feitenonderzoek naar de mogelijkheden en de noodzaak van herziening heeft in deze zaak plaatsgehad, ofschoon enigszins gehinderd door het ontbreken van specifieke onderzoeksbevoegdheden. Thans kom ik toe aan de bespreking van de bevindingen van het eerste opsporings-onderzoek.
  3. De zaak en de veroordelingen 3.
  4. Het gewelddadige overlijden van [mw. M.] Na een melding op zondag 4 juli 1993, omstreeks 10.55 uur, op initiatief van een kok van het Chinees-Indische restaurant "[de P.]", gevestigd aan de [b-straat 1] te Breda, is de politie ter plaatse gegaan. In de keuken van het restaurant werd het levenloze lichaam aangetroffen van [mw. M.], geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1936, de moeder van de eigenaar van het restaurant. Zij lag ruggelings op de keukenvloer, in een smalle doorgang tussen het kookeiland en een werktafel, met haar voeten richting de toegangsdeur. Een daartoe opgeroepen gemeentelijk lijkschouwer constateerde die dag omstreeks 12.15 uur dat het intreden van de dood een niet-natuurlijke oorzaak had. Het tijdstip van overlijden lag volgens deze arts "het meest waarschijnlijk" tussen acht uren en vier uren voorafgaande aan het tijdstip van zijn onderzoek. Aantekening verdient het volgende. Naar ik afleid uit het verslag, heeft de schouwarts de temperatuur van het stoffelijk overschot niet anders vastgesteld dan "voelbaar met de hand". De omgevingstemperatuur is niet gemeten. De periode waarin volgens de schouwarts het overlijden waarschijnlijk heeft plaatsgehad, is dan ook een betrekkelijk grove schatting.
(7)De volgende dag vond sectie plaats op het lichaam van [mw. M.]. De (voorlopige) sectiebevindingen van de patholoog-anatoom, dr. Voortman, luiden als volgt: "De sectiebevindingen wijzen op verstikking als doodsoorzaak, opgeleverd door inwerking van uitwendig mechanisch, hevig samendrukkend geweld op de hals (passend bij wurging of wurggreep). Daarbij had uitwendig mechanisch botsend en samendrukkend geweld op hoofd, borstkas en bovenste deel buik ingewerkt, waardoor o.m. beiderzijds verscheidene ribbreuken waren veroorzaakt. Door overstrekking van de halswervelkolom (bv doordat het hoofd heftig naar achteren slaat) was beschadiging van de halswervelkolom aan de voorzijde ontstaan." De 56-jarige [mw. M.] is waarschijnlijk door verstikking (wurging) om het leven gebracht, (vermoedelijk) nadat zij hevig was mishandeld. 3.2. De eerste onderzoeksresultaten [Mw. M.] was gekleed in vrij luchtige, informele kleding die kan worden aangemerkt als nachtkleding.
(8)Zij is aangetroffen in een lila T-shirt en een witte, dunne linnen broek met lichtblauwe en gele stipjes. Zwarte instapschoenen lagen op enige afstand van haar voeten. Vrij kostbare sieraden die zij mogelijk droeg zijn vermist.
(9)Ook haar sleutelring met sleutels van het restaurant, van haar woning en van de woning van haar middelste zoon werden vermist, evenals een blouse die zij mogelijk heeft gedragen. Er zijn geen sporen van braak aangetroffen aan de buitenzijde van het restaurant. De toegangsdeur tot het afhaalgedeelte van het restaurant was onafgesloten.
(10)Een gokkast in het halletje van het afhaalgedeelte, rechts van deze toegangsdeur, was open gewrikt met een breekwerktuig. De sporen van braak aan de gokkast betreffen een tweetal moeten van ongeveer 11 mm en 8 mm breed. Drie lege geldlades lagen naast de gokkast op de vloer. De keuken maakte overigens een vrij geordende indruk. Op de vloer lagen twee pollepels in de nabije omgeving van het stoffelijk overschot. Een kookunit lag in onderdelen op de grond. Hieronder zal blijken dat het van belang is om vast te stellen dat er op de vloer geen potten of pannen zijn aangetroffen. Voetsporen zijn gevonden op de kleding van [mw. M.], op de vloer naast haar lichaam en op het werkblad van de tafel waarnaast zij was gelegen. Opmerking verdient dat geen kogels, hulzen, kruitsporen of inslagsporen van kogels zijn aangetroffen.
(11)Het lichaam van het slachtoffer vertoonde geen schotverwondingen.
(12)[Mw. M.] woonde met haar echtgenoot, [C.L. M.] op het nabijgelegen adres [d-straat 1] te Breda. De avond van 3 juli 1993 en de daarop volgende nacht zou zij verblijven in de woning van haar middelste zoon [C.S. M.] aan de zeer nabijgelegen [e-straat 1] te Breda, waar zij op haar twee kleinkinderen paste.
(13)De middelste zoon is de eigenaar van Chinees-Indisch restaurant [de P.]. De jongste zoon [C.T. M.] woonde op het adres van zijn ouders.
(14)De beide broers zijn tezamen eigenaar van een enkele dagen tevoren geopend Chinees restaurant te Wilrijk (een district binnen de gemeente Antwerpen), alwaar beiden (samen met o.a. de vrouw van [C.S. M.]) die bewuste nacht zijn gebleven. Tot 3 juli 1993 omstreeks 20.30 uur verbleef de echtgenoot van het slachtoffer bij haar in de woning aan de [e-straat 1], waar zij samen hebben gegeten. Daarna is de [C.L. M.] naar hun eigen woning ([d-straat 1]) teruggekeerd.
(15)Op 4 juli 1993, omstreeks 0.30 uur heeft [C.S. M.] naar zijn woning gebeld ([e-straat 1]) en met zijn moeder een telefoongesprek gevoerd. Hierin vertelde zij dat zij de dagopbrengst van het restaurant uit handen van de kelner ([betrokkene 2]) had ontvangen en had verstopt in huis. In dit gesprek heeft [C.S. M.] zijn moeder gevraagd om omstreeks 9.00 uur de volgende ochtend de deur van het restaurant te openen voor [betrokkene 3], een kok van het Belgische restaurant, die vlees en saus zou komen halen. Deze kok heeft zich echter verslapen en is naar zijn zeggen niet ter plaatse geweest, maar vanuit zijn woning rechtstreeks naar het restaurant in België gereden.
(16)Niet ongebruikelijk was dat het slachtoffer 's ochtends (tussen 8 en 9 uur,
(17)soms zelfs om 6 uur
(18)) als eerste bij het restaurant arriveerde en het pand via de deur van het afhaalgedeelte betrad.
(19)Zij speelde vaak op de gokkast in het halletje van het afhaalgedeelte. Een broek, met de muntjes van ƒ 5,= die zij daarvoor gebruikte, is later in haar woning aangetroffen. Zij had die muntjes dus niet bij zich op het moment van haar overlijden. Het lichaam van [mw. M.] is ontdekt door de drie vaste koks van het restaurant, die de bewuste ochtend samen bij het restaurant arriveerden: [betrokkene 4] (chef-kok), [betrokkene 5] en [betrokkene 6]. Eén van hen ([betrokkene 6]) heeft de politie gealarmeerd door tussenkomst van de eigenaar van "[de cafetaria]", de naastgelegen snackbar. Een ander ([betrokkene 4]) heeft de echtgenoot van slachtoffer gehaald. [C.L. M] is vervolgens bij het lichaam van [mw. M.] geweest. In het restaurant bevond zich op het moment van ontdekking ook een serveerster, namelijk [betrokkene 7] (ook wel genaamd [betrokkene 7] of [betrokkene 7]), een vrouw die illegaal in Nederland verbleef. Zij was enkele minuten tevoren aangekomen. Zij is naar haar zeggen niet in de keuken geweest en ze heeft de opengebroken gokkast niet opgemerkt.
(20)Het restaurant is de avond tevoren rond 23.00 uur afgesloten door de vaste kelner, [betrokkene 2] (ook wel [betrokkene 2] of [betrokkene 2] genoemd). Hij had de dagopbrengst in enveloppen gedaan om deze te overhandigen aan [mw. M.]. [Betrokkene 2] heeft tezamen met één van de twee (illegale) hulpkoks, [betrokkene 8], het restaurant afgesloten en zij zijn in de richting van de [e-straat 1] gelopen. Onderweg kwam [mw. M.] hen tegemoet, waarschijnlijk omdat [betrokkene 2] een half uur later was dan gebruikelijk. [Betrokkene 2] heeft aan haar de dagopbrengst overhandigd. Daarna is [mw. M.] met [betrokkene 8] naar de woning aan de [e-straat] teruggekeerd.
(21)De twee illegale hulpkoks deelden in die woning een zolderkamer. 3.
  1. Het tweede opsporingsonderzoek en de veroordelingen In het eerste opsporingsonderzoek zijn een aanzienlijk aantal onderzoekslijnen uitgerechercheerd, zonder dat dit resulteerde in de aanhouding van verdachten. Het tweede opsporingsonderzoek vond aanleiding in de informatie die de politie werd aangereikt in het CID-verbaal van 11 maart
  2. Dit tweede opsporingsonderzoek concentreerde zich specifiek op de daarin neergelegde informatie, althans voor zover met betrekking tot het gewelddadige overlijden van [mw. M.]. Zoals gezegd leidde het tweede opsporingsonderzoek (onder meer) tot de aanhouding van de zes personen die later voor de moord op [mw. M.] zouden worden veroordeeld door de rechtbank en het gerechtshof. In de volgende drie hoofdstukken komen voornamelijk de onderzoeksresultaten aan de orde waaruit de rechtbank en het gerechtshof de gebruikte bewijsmiddelen hebben geput. In essentie komt het erop neer dat het bewijs van de strafbare betrokkenheid van de zes veroordeelden uitsluitend berust op de bekennende verklaringen van de drie vrouwelijke veroordeelden. Eén van hen, [Jenny L.], heeft nog voor de terechtzittingen waarop de strafzaken werden behandeld haar bekennende verklaring "ingetrokken". De mannelijke veroordeelden hebben hun betrokkenheid bij het delict van meet af aan ontkend. Technisch bewijsmateriaal waaruit de betrokkenheid van de veroordeelden zou kunnen worden afgeleid, is niet gevonden (zie hoofdstuk 4). Naast de bewijsmiddelen hebben de rechtbank en het gerechtshof in bewijsmotiveringen aandacht besteed aan de bewijsproblematiek waarover zij zich moesten buigen. Ik haal hieruit het volgende aan. Het vonnis d.d. 26 juli 1994 van de rechtbank te Breda inzake [Jenny L.] houdt onder meer in: "De rechtbank overweegt dat - mede gezien het verhoor van de betrokken verbalisanten bij de rechter-commissaris - ongeoorloofde druk op verdachte of het in de mond leggen van woorden van de kant van politie niet aannemelijk is geworden. De rechtbank is van oordeel dat de eerdere bekennende verklaringen van verdachte voor het bewijs van het onder derde subsidiair ten laste gelegde kunnen worden gebruikt, gelet op de gedetailleerdheid van deze verklaringen en de omstandigheid dat het bewijs niet alleen berust op die verklaringen, maar tevens steun vindt in andere bewijsmiddelen, meer in het bijzonder de verklaring van [Jane H.]." De nadere bewijsoverweging in het arrest van het hof (i.c. in de zaak tegen [Appie T.]) luidt als volgt: "Van de zijde van de verdediging is voorts - kort gezegd - aangevoerd dat de verklaringen van [Jenny L.], [Jane H.] en [Karin N.] niet voor het bewijs mogen worden gebezigd, omdat deze verklaringen onbetrouwbaar en tegenstrijdig zijn. [Jenny L.], [Jane H.] en [Karin N.] kunnen voorts, omdat zij de details kennen, zelf de daders van het onderhavige misdrijf zijn geweest of zouden, door zo te verklaren, wellicht andere daders in bescherming willen nemen. Deze opzet zou dan zijn geslaagd, omdat zij in hun zaken slechts zijn veroordeeld wegens medeplichtigheid aan dit misdrijf. Ook zou wraak het motief kunnen zijn voor het afleggen van dergelijke verklaringen. Daar komt bij dat [Jenny L.] haar bekennende verklaringen heeft ingetrokken. Zij heeft verklaard dat zij deze verklaringen onder druk van de verhorende rechercheurs heeft afgelegd. Zij zou hebben verteld wat deze rechercheurs wilden horen. De details zou zij hebben vernomen van deze rechercheurs. Het hof overweegt dienaangaande: [Jenny L.] is door de politie langdurig verhoord. Zij heeft in die tijd diverse verklaringen afgelegd. Zij heeft tijdens deze verhoren verklaard over tal van bijzonderheden, die later overeen bleken te komen met de inhoud van de overige bewijsmiddelen. Pas op 30 mei 1994 heeft [Jenny L.] bij de rechter-commissaris deze verklaringen ingetrokken onder de enkele mededeling dat zij die verklaring onder druk had afgelegd en dat zij slechts heeft verklaard wat verhorende rechercheurs haar zouden hebben voorgehouden. Het hof acht deze enkele mededeling van [Jenny L.] bij de rechter-commissaris onaannemelijk, gelet op het feit, dat [Jenny L.], die reeds eerder in andere zaken door de politie is verhoord en dientengevolge daarin de nodige ervaring heeft opgedaan en derhalve weet wat de gevolgen kunnen zijn van het afleggen van een bekennende verklaring, zichzelf niet ten aanzien van een feit, waarop - zelfs voor de rol als medeplichtige - een grote sanctie is gesteld, onnodig zal belasten, enkel omdat zij onder druk zou zijn gezet. Het hof acht de hiervoor voor het bewijs gebezigde verklaringen van [Jenny L.] dan ook geloofwaardig. Zoals gezegd komen de door [Jenny L.] afgelegde verklaringen op hoofdpunten onder meer overeen met die van de getuigen [Jane H.] en [Karin N.]. Ook deze - hiervoor tot bewijs gebezigde - verklaringen zijn zeer gedetailleerd en niet in strijd met de overige bewijsmiddelen. Deze getuigen hebben - onafhankelijk van elkaar - verklaringen afgelegd die over de grote lijn en over de werkelijk vitale onderdelen van het gebeuren gelijkluidend zijn en die in onderdelen met plausibele reden zijn omkleed, zoals bijvoorbeeld met betrekking tot de verlate aankomst van hen op de plaats van het misdrijf. Alle getuigen zijn onafhankelijk van elkaar met de namen van de verdachte, [Achmed L.] en [Anil B.] als de daders van dit misdrijf gekomen. Ook [Jane H.] en [Karin N.] hebben door hun verklaringen zichzelf belast. Zij zijn voor hun aandeel in de onderhavige zaak reeds onherroepelijk veroordeeld. Ter terechtzitting is gebleken dat in de verklaringen van [Jane H.] en [Karin N.] wel verschillen zitten en dat deze elementen bevatten die niet waarschijnlijk zijn en/of onmogelijk lijken te zijn, doch het hof is van oordeel dat dit niet eraan in de weg staat om deze verklaringen, die in de kern ervan onaangetast blijven, voor dat gedeelte als betrouwbaar en geloofwaardig voor het bewijs in deze zaak te gebruiken als hierboven is gedaan." Lezing van de processen-verbaal van de terechtzittingen die de rechtbank en het gerechtshof hebben gewijd aan het onderzoek van deze strafzaken, alsmede van de veroordelende vonnissen en arresten, maakt duidelijk dat de betrokken rechters en raadsheren zich het hoofd hebben gebroken over door hen waargenomen tegenstrijdigheden en ongerijmdheden in de bekennende verklaringen. De discrepanties zijn hun evident niet ontgaan. Uiteindelijk zijn de rechters en raadsheren, zo blijkt, over hun twijfels heengestapt en hebben zij de veroordelingen uitgesproken. In de veroordelende vonnissen en arresten zijn die tegenstrijdigheden en ongerijmdheden niet specifiek aangewezen. Bij de bespreking (in de hoofdstukken 5 en 6) van het tactische bewijsmateriaal waarover het openbaar ministerie, de rechtbank en het gerechtshof in 1994 en 1995 hebben beschikt, zal ik om de redenen hiervoor genoemd in 2.1 een beschrijving geven van een groot aantal tegenstrijdigheden en ongerijmdheden die aan de (bekennende) verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] kleven. Dit houdt uitsluitend verband met een juiste weging van de nova die ik in de voorliggende strafzaken zal presenteren (in de hoofdstukken 7, 8 en 9). Door de inventarisatie van twijfelpunten kan echter gemakkelijk de gedachte postvatten dat ook ten tijde van de veroordelingen reeds twijfel had moeten rijzen aan de juistheid van de verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] en dat ik een kritisch oordeel vel over de in deze strafzaken uitgesproken vonnissen en arresten. Een dergelijk oordeel is bij een vordering tot herziening niet aan de orde. De analyse van twijfelpunten is onvermijdelijk retrospectief. Ons staan thans voortgeschreden inzichten ten dienste die ik hierbij, zo goed als mogelijk, tracht te benutten. Die inzichten waren indertijd nog niet beschikbaar in de mate waarin dat heden ten dage het geval is. Ik wil bovendien wijzen op een omstandigheid waarvoor het openbaar ministerie, de rechtbank en het gerechtshof zich gesteld zagen: op de terechtzittingen in hun strafzaken hebben [Jane H.] en [Karin N.] met verve volgehouden dat zij (en anderen) schuldig waren aan een gruwelijk misdrijf. Dergelijke bekentenissen hebben onvermijdelijk invloed op de vorming van een rechterlijke overtuiging. Deze invloed heb ik niet ondervonden. Ik heb mijn inventarisatie daarentegen uitgevoerd in de wetenschap dat tegenstrijdigheden en ongerijmdheden een indicatie kunnen zijn voor de onjuistheid van bekennende verklaringen (zie hoofdstuk 6). Bovendien was ik ervan op de hoogte dat niet alleen [Jenny L.], maar ook [Jane H.] en, als ik het goed zie, [Karin N.] hun bekentenissen niet langer gestand doen (zie hoofdstuk 8). Ten slotte was mij bekend dat de resultaten van recent uitgevoerd forensisch-technisch onderzoek geen ondersteuning bieden voor de in deze zaken uitgesproken veroordelingen (zie hoofdstuk 7). In de volgende drie hoofdstukken komt, zoals gezegd, de zaak aan de orde zoals die indertijd aan de rechter is voorgelegd. Ik bespreek eerst de resultaten van het forensisch-technisch onderzoek dat indertijd is uitgevoerd (hoofdstuk 4) en vervolgens het voor de veroordeelden belastende tactische bewijsmateriaal (hoofdstukken 5 en 6).
  3. Forensisch-technisch onderzoek 1993 - 1995 4.
  4. Sporen op de plaats van het delict De plaats van het delict is indertijd aan sporenonderzoek onderworpen. Terugkijkend op de werkwijze en de resultaten daarvan dient men zich te realiseren dat in de bijna twintig jaren die sindsdien zijn verstreken de inzichten en ontwikkelingen op het terrein van forensisch-technisch onderzoek een enorme vlucht hebben genomen. Niettemin zal moeten worden nagegaan welke belemmeringen de indertijd toegepaste methoden voor het actuele onderzoeksthema hebben teweeggebracht. In dat verband maak ik melding van het volgende. Van de plaats van het delict zijn betrekkelijk weinig foto's gedocumenteerd. Detailopnames van mogelijk essentiële sporen ontbreken. De verslaglegging van het technisch onderzoek laat op uiteenlopende punten te wensen over, zodat niet alle indertijd getrokken conclusies kunnen worden geverifieerd. Dit wreekt zich in het bijzonder ten aanzien van het dactyloscopische onderzoek en het schoensporenonderzoek. Wat betreft de resultaten van het forensisch DNA-onderzoek (destijds in de kinderschoenen) kunnen contaminaties daardoor ook minder goed worden uitgesloten. Bovendien zijn enkele onderzoeksmogelijkheden onbenut gelaten, bijvoorbeeld onderzoek naar celmateriaal in nagelvuil en aan de hals van het slachtoffer, alsmede van celmateriaal aan keukengerei. Overigens waren in die tijd de mogelijkheden voor DNA-onderzoek aan contactsporen aanzienlijk geringer. Enkele dagen na de afronding van het technisch onderzoek op de plaats van het delict heeft een kok bij schoonmaakwerkzaamheden in de keuken nog een oorbel aangetroffen die afkomstig is van het slachtoffer.
(22)Veel sporenmateriaal is thans onvindbaar, mogelijk vernietigd in de veronderstelling dat de strafzaak met goed gevolg is afgesloten. Nader onderzoek met de huidige technieken behoort zodoende niet tot de mogelijkheden. Maar daarop zijn uitzonderingen. Over het forensisch-technisch onderzoek is al veel geschreven in het forensisch dossier dat in de vorm van één ordner onderdeel uitmaakt van het evaluatierapport. Ik sta stil bij de volgende forensisch-technische bevindingen uit de jaren 1993 -
  1. 4.
  2. Dactyloscopische sporen In het eerste politieonderzoek zijn 26 dactyloscopische sporen veiliggesteld, waarvan 5 zich niet bleken te lenen voor nader onderzoek. De sporen waren afkomstig van de vernielde asbak (in het afhaalgedeelte van het restaurant), van de binnen- en buitenzijde van de (glazen) toegangsdeuren van het restaurant, van de gokkast en van de geldlades. De 21 resterende sporen, betroffen 17 vingerafdruksporen en 4 handpalmsporen, waarvan één alsnog ongeschikt bleek voor vergelijking. Naar verluidt konden in de [M.]-onderzoeken 10 sporen worden "teruggebracht" op "getuigen", maar wegens gebrekkige verslaglegging en doordat het voor vergelijking gebruikte materiaal niet is achterhaald, kan deze conclusie niet worden getoetst aan de hand van het materiaal dat indertijd beschikbaar moet zijn geweest.
(23)Onbekend is wie deze één of meer "getuigen" zijn geweest. Niet kan worden nagegaan of zij op goede gronden als zodanig mochten worden aangemerkt. Van de andere (tien) afdruksporen kon de bron indertijd niet worden geïndividualiseerd. In het dossier is geen verslaglegging te vinden van het resultaat van een vergelijkend onderzoek van de op de PD gevonden afdruksporen met de signalementen van (één of meer van) de zes personen die nadien zijn veroordeeld. Dat dergelijk vergelijkend dactyloscopisch onderzoek heeft plaatsgehad mag niettemin worden aangenomen op basis van de volgende mededelingen. Technisch coördinator [betrokkene 9] heeft ter zitting van 25 april 1995 verklaard: "Er zijn geen vingerafdrukken aangetroffen, die op een van de verdachten getraceerd konden worden. Wat dat betreft heeft het dactyloscopisch onderzoek dus geen traceerbaar resultaat opgeleverd met betrekking tot verdachten en ook niet met betrekking tot de getuigen die hebben verklaard op de desbetreffende avond in het pand te zijn geweest." Technisch rechercheur [betrokkene 10] heeft verklaard dat hij alle schoensporen heeft onderzocht, "evenals de vingerafdrukken van de aangehouden verdachten."
(24)Kortom, mede op basis van deze getuigenverklaringen moet worden aangenomen dat de twintig bruikbare dactyloscopische sporen niet konden worden gerelateerd aan de zes veroordeelden. 4.3. Schoensporen Op de plaats van het delict zijn schoensporen aangetroffen, waaronder op de kleding van het slachtoffer en twee op het werkblad van de tafel waarnaast het slachtoffer op de grond liggend is aangetroffen. Een aantal schoensporen kon - volgens het proces-verbaal van sporenonderzoek - worden teruggebracht op "getuigen" die na ontdekking van het misdrijf in het pand waren geweest.
(25)Wie dat waren en of zij terecht als zodanig zijn aangemerkt kan thans niet meer worden geverifieerd. Indertijd kon geen van deze sporen worden gerelateerd aan schoenen van de veroordeelden.
(26)Zij zijn overigens pas negen à tien maanden na het misdrijf aangehouden. 4.4. Onderzoek aan celmateriaal Bij de resultaten van het onderzoek aan celmateriaal sta ik langer stil. Het betreft drie clusters van onderzoeken, namelijk
(1)onderzoek van het celmateriaal dat is aangetroffen in/op de kleding van het slachtoffer en op een handdoek,
(2)onderzoek aan haren die op de plaats van het delict zijn veiliggesteld, en
(3)onderzoek van twee nader te omschrijven bloedsporen die zijn aangetroffen op de vloer bij de gokkast en op een werktafel in de keuken. 4.5. Celmateriaal in/op de kleding en een handdoek De kleding van het slachtoffer, een lila T-shirt (spoor nr. 12) en een linnen broek (spoor nr. 14), is indertijd onderworpen aan klassiek bloedonderzoek en aan DNA-onderzoek. Bij klassiek bloedonderzoek wordt van het bloed een aantal erfelijke factoren onderzocht, waarbij specifieke, genetisch bepaalde eiwitcomponenten en enzymen worden getypeerd. Als resultaat van het in deze zaak uitgevoerde klassieke bloedonderzoek
(27)is vermeld dat de drie vastgestelde erfelijke kenmerken van bloed in drie vlekken op de kleding van het slachtoffer (sporen 12 en 14) overeenkomen met de desbetreffende kenmerken in het bloed van het slachtoffer. De vastgestelde combinatie van drie genetische kenmerken stemt niet overeen met de vergelijkbare combinaties van erfelijke kenmerken in bloed van de veroordeelden.
(28)Drie bloedvlekken op de kleding van [mw. M.] waren dus niet afkomstig van de veroordeelden. Van bloed op een handdoek (spoor 11) konden geen biologische kenmerken worden bepaald. Bovendien is specifiek gezocht naar speekselsporen. Het T-shirt (spoor 12) en de broek (spoor 14) van het slachtoffer zijn op zes, respectievelijk twee plaatsen bemonsterd. Geselecteerd zijn de plaatsen waar bij onderzoek een reactie werd verkregen voor de aanwezigheid van amylase, een kenmerkend bestanddeel van speeksel. Het daaruit verkregen celmateriaal bleek een mengsel te zijn van materiaal van twee of meer personen. Uit de verkregen DNA-profielen kon geen eenduidige conclusie worden getrokken dat met celmateriaal van het slachtoffer (bloed) ook celmateriaal van één (of meer) van de drie mannelijke veroordeelden was vermengd. Doordat in de mengsels verschillende factoren in sterk ongelijke concentraties aanwezig waren, konden geen afzonderlijke DNA-profielen voor de mengsels worden afgeleid. Hierdoor kon ook niet (absoluut) worden uitgesloten dat toch DNA-materiaal van één van de drie mannelijke veroordeelden in de mengsels aanwezig was geweest.
(29)4.
  1. Onderzoek aan veiliggestelde haren De monsters haren, genummerd 6, 9 ("afveegsel"), 10, 11 ("handdoek"), 12 ("T-shirt") en 14 ("broek") zijn onderzocht "op de aanwezigheid van relevante haren", met het volgende resultaat. Op de broek van het slachtoffer (spoor 14) werd een vijftal haren veiliggesteld die niet goed pasten in het haarpalet van het slachtoffer. Bij vergelijkend morfologisch onderzoek bleek dat zij niet pasten in het hoofdhaarpalet van de zes veroordeelden (en van dat van enkele getuigen). 4.
  2. Biologisch sporenonderzoek aan de bloedsporen met de nummers 7 en 20 Bijzondere aandacht verdienen de bloedsporen met de nummers 7 en
  3. Bloedspoor nummer 20 betreft een druppel bloed die is aangetroffen in het halletje van het afhaalgedeelte van het restaurant, en wel op de tegelvloer in de directe nabijheid van de opengebroken gokkast en de lege geldlades. Het spoor is uitsluitend afgebeeld op foto nr. 13 in de fotomap die als bijlage is gevoegd bij het proces-verbaal van technisch sporenonderzoek op de PD. Dit spoor is op bladzijde 6 van dat proces-verbaal
(30)omschreven als: "Verder werd op de tegelvloer voor de speelautomaat een gedroogde roodkleurige druppel aangetroffen." In het resumé op bladzijde 12 van datzelfde proces-verbaal
(31)is dit spoor (onder nummer 1.4) als volgt omschreven: "Monster van een deels opgedroogde druppel, met het uiterlijk van bloed, aangetroffen op de vloer voor de gokkast;" Een en ander doet de vraag rijzen of de druppel nu wel of niet ("deels") opgedroogd was. Het dossier geeft daarover geen uitsluitsel. Op de terechtzitting van het hof van 25 april 1995 heeft het verhoor plaatsgevonden van drie (van de vijf) technische rechercheurs die het sporenonderzoek op de plaats van het delict hadden uitgevoerd, te weten [betrokkene 9], [betrokkene 11] en [betrokkene 10]. Niet blijkt dat hun is gevraagd naar deze anomalie in de omschrijving van bloedspoor 20. Bij het tweede verhoor van [betrokkene 10] op de zitting van 18 mei 1995 kwam spoor 20 meer uitgebreid ter sprake. [Betrokkene 10] kon daarover toen niet veel meer kwijt dan dat het spoor hem "niet als zijnde zeer oud" oogde. Het spoor was niet door hem veiliggesteld. Bloedspoor nummer 7 is in het genoemde proces-verbaal van technisch sporenonderzoek
(32)(genummerd als 2.07a en 2.07b) als volgt omschreven: "Op het bovenblad van de naast het slachtoffer staande werktafel bevond zich op de rechterzijde van het blad, dit gezien vanuit de richting van het slachtoffer een aantal vlekjes van een rode substantie. Hiervan werd een monster veiliggesteld voor verder onderzoek." In het resumé is vermeld: "2.07 Een monster bloed (A), aangetroffen op het bovenblad van de werktafel naast het slachtoffer. 2.07 Een monster van de directe omgeving (B) van de plaats waar het bloedmonster 2.07a werd veiliggesteld." Mogelijk is deze vlek, althans één van de vlekjes te zien op foto nr. 30 van de genoemde fotomap, waarop volgens technisch-rechercheur [betrokkene 10] dit spoor "niet specifiek" wordt getoond.
(33)Andere afbeeldingen ontbreken. Deze sporen zijn aan nader forensisch onderzoek onderworpen. Bij klassiek bloedonderzoek konden van de beide sporen telkens drie genetische kenmerken worden getypeerd, waarvan twee overlappende. Schema 1 Uit de gegevens in deze tabel kan worden afgeleid dat de twee bloedsporen niet afkomstig zijn van het slachtoffer. Uit de gegevens in het NFI-rapport van 17 mei 1995 over de genetische kenmerken van het bloed van de zes veroordeelden vloeit bij vergelijking voort dat het bloedspoor onder 20 niet afkomstig kan zijn van een van de zes veroordeelden of van een van de in het rapport genoemde getuigen. Het bloedspoor met nummer 7 daarentegen kan afkomstig zijn van [Achmed L.] of van ene [betrokkene 12],
(34)aangezien de drie kenmerken die konden worden getypeerd overeenkomen met de desbetreffende kenmerken in het bloed van deze twee personen. Gelet op de geschatte (relatieve) frequentie van de combinatie van gevonden erfelijke factoren binnen de Nederlandse samenleving vormt dit een (zij het geringe) ondersteuning voor de hypothese dat spoor 7 afkomstig is van [Achmed L.] of van [betrokkene 12].
(35)Op basis van dit klassieke bloedonderzoek kan worden uitgesloten dat bloedspoor 7 afkomstig is van een van de andere (vijf) veroordeelden of van een van de andere in dat rapport genoemde getuigen. Bovendien is getracht van deze sporen DNA te extraheren. Van spoor 7 werd geen, en van spoor 20 werd wel bruikbaar DNA verkregen. Het DNA-profiel van spoor 20 was ongelijk aan het DNA-profiel van het slachtoffer en eveneens ongelijk aan dat van de drie mannelijke veroordeelden. Bloedspoor nummer 20 kan dus volgens de resultaten van dit DNA-onderzoek niet afkomstig zijn van de mannelijke veroordeelden.
(36)4.8. Relatie tot het delict De vraag is of het bloedspoor nummer 7 en/of het bloedspoor nummer 20 in relatie staan tot de moord op [mw. M.] en het openbreken van de gokkast. In het oog springt dat een bloedspoor werd aangetroffen naast het lichaam van een vrouw die met geweld om het leven is gebracht, terwijl dit bloedspoor niet van haar afkomstig is. Bovendien is een bloedspoor aangetroffen naast een gokkast die dezelfde nacht met geweld is opengebroken. Aan het sporenbeeld sec valt enige relatie met het delict niet te ontlenen. Indertijd kon niet worden vastgesteld of beide sporen van één en dezelfde persoon afkomstig zijn.
(37)Een aanwijzing voor delictgerelateerdheid kan zijn gelegen in de ouderdom van de sporen. Het dossier roept in dit verband verwarring op door wat betreft spoor 20 enerzijds melding te maken van een "gedroogde" druppel en in hetzelfde proces-verbaal op een andere bladzijde te spreken over een "deels opgedroogde" druppel. Dat laatste suggereert uiteraard dat het spoor (zeer) recent is ontstaan. Met betrekking tot de ouderdom van de sporen is de vraag naar de kwaliteit van de schoonmaakwerkzaamheden in het restaurant relevant. Indien de tegelvloer en de werktafel na afloop van de werkdag grondig (nat) zijn gereinigd valt het aantreffen van daaraan voorafgaand ontstane bloedsporen in deze vorm immers niet te verwachten. Met name het blad van de werktafel naast het slachtoffer in de keuken oogt - te beoordelen op basis van de foto - geheel schoongemaakt. Uit de verklaringen van de technisch rechercheurs valt hierover nog het een en ander op te maken. Volgens technisch rechercheur [betrokkene 10] was het restaurant een dag tevoren goed schoongemaakt, al "blijft het daar toch vettig".
(38)Ook volgens technisch coördinator [betrokkene 9] zag de keuken "er netjes uit en was de keuken niet lang daarvoor nog schoongemaakt."
(39)Volgens [betrokkene 11], technisch rechercheur, was gebleken dat "een dag voor het misdrijf de gehele keuken compleet was gesopt."
(40)Er zijn verder (op de foto) geen etensresten te bespeuren. Het lijkt niet heel waarschijnlijk dat een kok de eventueel bij zijn werkzaamheden op het werkblad ontstane bloedsporen onaangeroerd achterlaat, maar de rest van de werktafel niettemin wel schoonmaakt. Wat de tegelvloer bij de gokkast betreft: die lijkt droog schoongeveegd of gestofzuigd. Op deze en gene kwesties zal ik hieronder dieper ingaan. Voor thans volstaat de opmerking dat de veroordelende rechters niet zonder meer konden uitgaan van de delictgerelateerdheid van de sporen 7 en/of 20, doch dat de relatie met de misdrijven ook weer niet geheel onwaarschijnlijk was. Het verband tussen beide bloedsporen stond niet vast. De mogelijkheid dat beide of één van de sporen afkomstig is/zijn van het personeel van het restaurant of van rechercheurs kon bovendien niet worden uitgesloten, want die kwestie is niet onderzocht, althans zijn eventuele onderzoeksresultaten niet geboekstaafd. 4.
  1. Conclusies forensisch-technisch onderzoek 1993 - 1995 Geconcludeerd mag worden dat het sporenonderzoek in 1993 - 1995 geen aanwijzingen heeft opgeleverd voor de strafbare betrokkenheid van de zes veroordeelden, of het moet de geringe aanwijzing jegens [Achmed L.] zijn die voortvloeit uit de resultaten van het klassieke bloedonderzoek aan spoor
  2. Het hof is aan deze aanwijzing evenwel voorbij gegaan, heeft haar kennelijk van onvoldoende gewicht geacht, en/of heeft daaraan niet uitdrukkelijk aandacht besteed. Het onderzoek naar speekselsporen op acht bemonsterde locaties op de kleding van het slachtoffer heeft geen aanwijzingen opgeleverd, ofschoon ook weer niet "absoluut" kan worden uitgesloten dat het celmateriaal van één van de veroordeelden is vermengd met celmateriaal van het slachtoffer. Uitgesloten kan worden dat spoor 20 afkomstig is van het slachtoffer of van de zes veroordeelden. Dactyloscopisch onderzoek en schoensporenonderzoek heeft geen aanwijzingen jegens de veroordeelden opgeleverd. Niet duidelijk is geworden van welke getuigen (als zij dat zijn) dergelijke sporen zijn aangetroffen. Over de vraag of [Anil B.], [Appie T.] en/of [Achmed L.] tijdens het delict handschoenen droegen, hebben [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] overigens tegenstrijdig verklaard.
  3. De bekennende verklaringen afzonderlijk beschouwd 5.
  4. De waarde van bekennende verklaringen Zoals gezegd is in deze zaak het rechterlijk bewijsoordeel over het daderschap c.q. de medeplichtigheid van de zes veroordeelden uitsluitend gegrond op de bekennende verklaringen van de drie vrouwelijke veroordeelden. In dit hoofdstuk komen de verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] telkens afzonderlijk ter sprake. In hoofdstuk 6 leg ik die verklaringen, zoals die indertijd bij de veroordelende rechters bekend waren, naast elkaar en houd ik die verklaringen tegen het licht van andere onderzoeksbevindingen. Hieronder zal worden geïllustreerd dat de consistentie van de verklaringen van ieder van de vrouwen, althans zoals die zijn geverbaliseerd, afzonderlijk beschouwd zeer te wensen overlaat. Voor ieder van hen geldt dat zij hun verklaringen telkenmale hebben gewijzigd. De vraag is of dat iets zegt over de validiteit van hun mededelingen. In elk geval heeft daardoor logischerwijs te gelden dat niet alle mededelingen waarheidsgetrouw kunnen zijn. Verscheidene inconsistenties worden hieronder belicht tegen de achtergrond van een drietal hypothesen die een verklaring kunnen bieden voor het bestaan van die inconsistenties. Over de juistheid van deze hypothesen doe ik vooralsnog geen uitspraken. Ik geef alleen een globale schets van de door mij gekozen hypothesen, die ik kortweg betitel als: vergissen, opbiechten of verzinnen. Vergissen Een eerste hypothese die een verklaring kan bieden voor een discrepantie is uiteraard dat de waarneming en het geheugen van de betreffende verdachte op een bepaald punt tekort schoot. Ook ten aanzien van indrukwekkende gebeurtenissen, als de mishandeling van en moord op een oudere vrouw, kunnen de cognitieve tekortkomingen bij de waarneming, de inprenting en vervolgens het telkenmale reconstrueren en verwoorden van herinneringen bij een politieverhoor aan het licht komen. Indien deze eerste hypothese juist is, heeft de verdachte zich op enig moment op een bepaald punt vergist. Opbiechten Een tweede hypothese houdt verband met een karaktertrek die veel mensen eigen is, namelijk om zijn gedrag mooier voor te stellen dan het was en om zijn kwalijke rol zoveel mogelijk te verbloemen. Deze hypothese kan verklaren dat verdachten van misdrijven niet van meet af aan opening van zaken geven, maar pas gaandeweg tijdens de verhoren hun delict opbiechten, veelal nadat hun weerstand is "overwonnen" en hun duidelijk is geworden dat ontkennen "zinloos" is. Deze hypothese veronderstelt dat de reeks van verklaringen die een verdachte aflegt tendeert naar de waarheid. Ter terechtzitting van het hof heeft de advocaat-generaal bij dat hof (de toepasselijkheid van) dit fenomeen als volgt omschreven: "Dan moet ik er op wijzen, dat de omstandigheid, dat verdachten mondjesmaat, bij elk volgend verhoor iets meer, openheid van zaken geven, geen onbekend verschijnsel is. Het is iets heel anders dan het verschijnsel van de draaiende verdachte, die nu eens dit en dan weer dat verklaart. Dat doet zich hier niet voor; hier was het: telkens iets meer durven prijsgeven, tot het verhaal compleet is en de last van de schouders."
(41)Verzinnen Een derde hypothese voor de verklaring van waargenomen inconsistenties houdt in dat het verhoorde subject van het gespreksonderwerp geheel geen of slechts een fictief herinneringsbeeld heeft, eenvoudigweg omdat hij niet aanwezig was bij het delict. Hij is onder de gegeven omstandigheden in staat om een beschrijving te fabuleren, eventueel met gebruik van (correcte of foutieve) informatie die hij heeft verkregen, uiteraard in zo'n geval uit andere bron dan uit de eigen waarneming van het delict. Indien deze hypothese de werkelijkheid correct weergeeft, heeft een bekennende verdachte een valse bekentenis afgelegd. Dat, zoals in deze zaak, de (gewezen) verdachten successievelijk verklaringen afleggen die in toenemende mate henzelf belasten, past goed in de hierboven als tweede beschreven hypothese. Dat vond de advocaat-generaal bij het hof ook, getuige de aangehaalde passage uit zijn schriftelijk requisitoir. Daarmee staat allerminst vast dat het waargenomen fenomeen daadwerkelijk voortvloeit uit de menselijke eigenschap om zijn kwalijke rol zo veel mogelijk verhullen (de tweede hypothese). Het belastende verklaren is immers ook goed verenigbaar met de als derde naar voren gebrachte hypothese dat de verdachte een valse bekentenis heeft afgelegd. Het is niet mogelijk om op basis van uitsluitend de bekentenissen te bepalen welke van deze twee hypothesen de beste verklaring biedt voor de waargenomen progressie in het bekennen van deelneming aan een misdrijf. In zo'n geval discrimineert de betreffende inconsistentie onvoldoende tussen de twee in casu relevante hypothesen. Om deze reden heb ik uitsluitend onderzocht of een vinger kan worden gelegd op discrepanties en aanpassingen in de verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] die zich slecht laten rijmen met de eerste twee hypothesen (vergissing, resp. een alsnog opgebiechte zonde), en die alleen (goed) lijken te passen in de derde hypothese, te weten die van een gefingeerde bekentenis. Het betreft discrepanties en aanpassingen die meer lijken te getuigen van een verregaande mate van meegaandheid en inschikkelijkheid, dan dat zij als een vorm van vergissen of opbiechten kunnen worden gekenschetst. 5.
  1. De verklaringen van [Jane H.] 5.2.
  2. Algemeen Appendix C behelst een overzicht (met samenvattingen) van de verklaringen die [Jane H.] heeft afgelegd. Toen zij door de politie als verdachte werd gehoord was zij 19 jaar, gedetineerd en in beperkingen gesteld. Hierdoor mocht zij uitsluitend contacten onderhouden met haar advocaat, met het personeel van de inrichting en met de verhorende rechercheurs. Zij is in het eerste opsporingsonderzoek aanvankelijk als getuige gehoord. Als zodanig deelde zij mede dat zij de nacht van 3 op 4 juli 1993 met [Karin N.] was gaan 'stappen' in het nachtleven van Breda, dat zij en [Karin] enige tijd hebben verbleven bij haar vriend, en dat zij en [Karin] omstreeks 5.15 uur arriveerden op de [b-straat] (Breda) om te gaan slapen bij een vriendin, wonende in de [b-straat 2], een flatwoning boven de winkels aan dezelfde zijde van de [b-straat] als waar het restaurant "[de P.]" is gevestigd. Zij zag toen een drietal mannen voor de ingang van het restaurant staan, en een rode Mazda
  3. Zij herkende deze mannen niet. [Karin N.] was volgens haar te dronken om iets te zien. Als verdachte heeft zij een groot aantal verklaringen afgelegd. Zij is dus veelvuldig en intensief verhoord. Ofschoon zij diverse malen te kennen heeft gegeven "nu" de volledige waarheid te zullen vertellen, springt in het oog dat zij nadien nog wijzigingen heeft aangebracht in haar lezing van het voorgevallene. Ik zal daarvan hieronder voorbeelden bespreken, zonder pretentie van volledigheid. Juist is wel dat er op enig moment (vanaf 26 april 1994) in haar laatste verklaringen een zekere grote lijn valt te bespeuren in het door haar gegeven relaas. Die grote lijn komt neer op het volgende. Enkele weken voorafgaande aan de moord vond in de kamer van [Lucy C.] aan de [a-straat 1] te Breda met Lucy, [Anil B.], [Achmed L.] en [Appie T.] een gesprek plaats over een diefstal/beroving in een pand aan de [b-straat]. Dat betrof het Chinees-Indisch restaurant de "[de P.]". Op enig moment was [Jane H.] meegedeeld dat zij omstreeks 2.00 - 2.30 uur die nacht bij [de P.] zou moeten verschijnen "met de eigenaar van het restaurant". Wie dat was en hoe zij die zou moeten meenemen is niet duidelijk geworden. In werkelijkheid arriveerde [Jane H.] volgens haar zeggen met [Karin N.], na hun verblijf bij haar vriend
(42)niet eerder dan omstreeks 4.30 uur die nacht op de [b-straat]. Ze arriveerden zo laat omdat [Karin] ziek was geworden en omdat de auto aanvankelijk niet wilde starten. Bij [de P.] waren volgens haar al aanwezig: [Anil B.], [Appie T.] en [Achmed L.], alsook [Jenny L.]. [Jenny L.], [Karin N.] en [Jane H.] kregen de opdracht om "de eigenaar" van [de P.] van huis op te halen. [Karin N.] wist die te wonen. De drie vrouwen in het zeskoppige gezelschap zijn naar de woning van "de eigenaar" gegaan. Welk pand dat zou zijn en langs welke route dat is benaderd, betreft een kwestie waarop ik hieronder dieper zal ingaan. Na aanbellen deed [mw. M.] open. Zij werd gevraagd mee te gaan naar [de P.]. Zij haalde een jas of vest en/of de sleutels en ging mee met de drie vrouwen. Bij [de P.] aangekomen is [mw. M.] (volgens [Jane H.]) voor de deur mishandeld door twee van de drie mannen. De deur van het afhaalgedeelte is geopend met de door [mw. M.] meegenomen sleutels. [Jane H.] bleef buiten toen [Anil B.] en [Appie T.] met [mw. M.] het restaurant betraden. Geschreeuw was buiten hoorbaar. Nadat [Jane H.] na ongeveer tien minuten twee pistoolschoten hoorde is zij het restaurant en de keuken ingegaan, gevolgd door [Karin N.]. [Mw. M.] lag op de vloer tussen een werktafel en een soort aanrecht. Zij werd volgens [Jane H.] geschopt door [Anil B.] en [Appie T.]. [Anil B.] was bezig haar te wurgen. Nadat de mannen waren weggegaan heeft [Jane H.] naar haar zeggen nog gekeken of [mw. M.] in leven was, hetgeen niet het geval was. Vervolgens is zij met [Karin N.] naar de flatwoning aan de [b-straat 2] gegaan om daar het restant van de nacht door te brengen, aldus telkens [Jane H.]. Opmerkelijk is dat in deze lezing ook een rol is toebedeeld aan [Karin N.]. Zij wist als enige "de eigenaar" van het restaurant te wonen. Zij was - in de lezing van [Jane H.] - bij de voorbereidingen echter niet in het minst betrokken. [Karin N.] nam deze rol niettemin probleemloos op zich, aldus [Jane H.]. Een aantal door [Jane H.] verstrekte gegevens stemt overeen met hetgeen bekend was over de plaats van het delict, maar er zijn ook opvallende verschillen. In haar 10e verklaring als verdachte deelde [Jane H.] nog mee dat de deur naar het restaurantgedeelte door de drie mannen reeds was geopend, nog voordat [mw. M.] bij [de P.] arriveerde. Er zijn overigens geen sporen van braak aangetroffen aan de buitenzijde van het restaurant. [Mw. M.] moest in de verklaring van [Jane H.] alsnog de toegangsdeur tot het afhaalgedeelte openen. Dat is, in deze lezing, een vrij zinloze activiteit, want vanuit het restaurantgedeelte kun je met geringe moeite het afhaalgedeelte betreden. Uiteindelijk gaf [Jane H.] een beschrijving waarin het restaurant nog niet was betreden en waarin de met de sleutels van [mw. M.] geopende toegangsdeur de deur naar het afhaalgedeelte betrof, zijnde (inderdaad) de enige deur die door de politie onafgesloten is aangetroffen. Vanaf 25 april 1994 (11e verklaring) beschreef [Jane H.] dat zij de keuken van het restaurant is ingegaan. Inderdaad is [mw. M.] (conform haar beschrijving) op de vloer aangetroffen tussen een tafel en een ander keukenmeubel, geen "soort aanrecht", maar het kookeiland. Op zichzelf correct is dat [Jane H.] na de toegang tot het afhaalgedeelte naar rechts moest gaan, en nog door een andere ruimte moest om de keuken te betreden (12e verklaring: "Ik ben één of twee deuren door gegaan"). Over details, als de door [mw. M.] gedragen kleding, is vrijwel niet doorgevraagd. In haar 10e verklaring als verdachte gaf [Jane H.] een beschrijving die niet overeenkomt met de door de politie aangetroffen toestand ("donkere broek"). Over door [mw. M.] gedragen sieraden kon [Jane H.] niets verklaren. Op de volgende kwesties ga ik dieper in. 5.2.
  1. Werd [mw. M.] opgehaald? Vanaf 11 april 1994 is [Jane H.] als verdachte gehoord. Op 19 april 1994 houdt haar (inmiddels 9e) verklaring in dat ze "nu" de volledige waarheid wil vertellen. Die nacht was zij op de [b-straat], bij het restaurant [de P.], alwaar ook [Anil B.], [Appie T.] en [Achmed L.] aanwezig waren. Zij liep de brandgang in tussen [de cafetaria] en [de P.]. Ze vervolgt: "Ik zag toen dat voor de bar een vrouw op de grond van het restaurant lag. De vrouw lag met haar hoofd in de richting van de straatzijde. Ik zag dat Anil aan de hoofdzijde van de vrouw stond en [Appie] stond nabij de voeten van de vrouw. Hierna tilden beiden de vrouw op en liepen met haar weg." [Jane H.] positioneert de vrouw dus in het restaurantgedeelte van [de P.]. [Mw. M.] moet (in deze lezing) daar reeds aanwezig zijn geweest nog voor [Jane H.] ter plaatse arriveerde. De 10e verklaring van [Jane H.] houdt evenwel in: "Ik zal nu verklaren hoe het verder gelopen is." Vervolgens beschrijft zij haar aanwezigheid ter plekke voor [de P.]. [Anil B.], [Achmed L.] en [Appie T.] waren ook reeds aanwezig en hadden het restaurant al weten te openen. Dan vervolgt zij: "Na enkele minuten zag ik een Chinese vrouw lopen. Ik zag dat deze vrouw de [f-straat] over stak en in onze richting kwam lopen. Zij was gekleed in een donkere broek dan wel rok. (...). Ik herkende deze vrouw. Ik had haar in het verleden wel eens in de keuken van het Chinese restaurant gezien. Ik wist dus dat deze vrouw "iets" met het Chinese restaurant te maken had. Omdat ik dat zag heb ik Achmed gewaarschuwd dat deze Chinese vrouw naderde. Achmed vroeg aan ons of wij deze vrouw kenden. [Karin] bevestigde toen tegen Achmed dat dit een Chinese vrouw was die in "restaurant" [de P.] werkte." In de 11e verklaring van [Jane H.] licht ze deze lezing toe. Pas in de 12e verklaring als verdachte, van 26 april 1994, deelt zij mede dat [mw. M.] mede door haar is opgehaald van een woonadres. Als een vergissing (eerste hypothese) laat deze aanpassing zich m.i. slecht begrijpen, maar zij kan worden gezien als exemplarisch voor het opbiechten van een meer strafwaardige bijdrage aan de uitvoering van het delict. 5.2.
  2. Waar werd [mw. M.] opgehaald? In deze 12e verklaring kregen [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] van de drie mannen de opdracht om de eigenaar van het restaurant op te halen vanuit de woning. [Jane H.], alsook de drie mannen leefden in de (onterechte) veronderstelling dat [mw. M.] de eigenaar van [de P.] was. Zij moest thuis worden opgehaald. In deze verklaring van [Jane H.] gaat dat als volgt: "Hierna zijn [Karin N.], [Jenny L.] en ik naar de straat recht tegenover de [b-straat], aan de andere kant van de [f-straat] gelopen. Wij zijn naar een woning gelopen aan de rechterkant van deze straat, even voorbij de garageboxen. [Jenny L.] belde bij deze woning aan. Ik zag dat een Chinese vrouw open deed. Dit was dezelfde vrouw die ik wel eens bij restaurant "[de P.]" had gezien. [Karin] en ik hebben tegen de vrouw die de deur opende gezegd dat ze mee moest komen naar het restaurant. Ik zag dat de vrouw even naar binnen liep. Wat ze gedaan heeft kon ik niet zien. Ik zag wel dat ze hierna een jas of vest bij zich had. Ik weet niet precies waar, maar [Jenny L.] heeft vervolgens de vrouw vast gepakt en trok deze vrouw mee in de richting van de [f-straat]. Een stukje verder, in dezelfde straat, in de richting [f-straat], ter hoogte van de garageboxen, zag ik de rode Opel Omega staan. Ik zag dat in deze auto de mij bekende [Anil B.], [Appie T.], en [Achmed L.] zaten. Wij liepen langs deze auto. Ik zag dat Jenny de vrouw in de auto duwde. Ik hoorde dat de vrouw gilde en schreeuwde. (...). [Karin], Jenny en ik zijn vervolgens te voet naar de [b-straat] gelopen. Ik zag de rode Opel Omega weg rijden naar de [b-straat]. Ik zag deze auto stoppen voor het restaurant." In deze verklaring geeft [Jane H.] een adequate omschrijving van de ligging van de woning aan de [e-straat 1]. Dit betrof niet de woning van [mw. M.], maar die van haar middelste zoon. Naar alle waarschijnlijkheid verbleef [mw. M.] echter wel op dat adres, namelijk om op haar kleinkinderen te passen. Opvallend is ook dat [mw. M.] in de auto werd geduwd om mee te rijden richting het restaurant. Dat is een betrekkelijk overbodige exercitie, want het restaurant ligt op een steenworp afstand, zoals ook blijkt uit de - op dit punt - juiste verklaring van [Jane H.]; zij zag de auto immers ook arriveren voor het restaurant. In haar 13e verklaring als verdachte herhaalde [Jane H.] deze beschrijving van deze gang van zaken. In haar 14e verklaring gaf [Jane H.] een opvallende aanpassing van deze lezing. "Mijn vorige verklaring klopt tot op het moment dat de Chinese vrouw uit de woning kwam. Ik zag toen dat Jenny deze vrouw beet pakte bij een arm en mee trok richting [f-straat]. [Karin] en ik liepen met hen mee. Wij liepen achter Jenny en de vrouw aan. Ik zag dat Jenny en de vrouw een pad in liepen dat parallel loopt aan de [f-straat]. Dit pad liepen wij in vanuit de straat waar de woning van de eigenaar van het restaurant aan staat. (...). Ik zag dat toen wij een eind dit pad in waren gelopen, [Anil B.] ons over dit pad tegemoet liep. Ik zag dat hij naar ons toe kwam en ik zag dat hij de vrouw eveneens vastpakte. Ik zag dat Anil de vrouw twee klappen gaf. Ik zag dat hij haar in het gezicht sloeg en een keer op haar lichaam sloeg. Ik hoorde dat de vrouw gilde. Jenny en Anil trokken en duwden de vrouw verder het pad af. Aan het einde van dit pad liepen we links af. Hier stond aan de linkerzijde van de weg, met de voorzijde richting [f-straat], de rode Opel Omega. Ik zag dat het linkerachterportier van deze auto open stond. Ik zag dat bij de auto aan gekomen, Anil via het openstaande portier in de auto ging zitten. Vervolgens zag ik dat Jenny de vrouw door datzelfde portier in de auto duwde. Jenny zei tegen mij dat ik ook in de auto moest gaan zitten. Ik ben vervolgens door datzelfde portier in de auto gaan zitten. (...). [Karin] en Jenny zijn niet in de auto gestapt. (...). Wij reden vanuit de straat waar de Omega op ons had staan wachten, richting [f-straat]. Wij staken de [f-straat] recht door over, een andere straat in. Onmiddellijk in deze straat is een steeg links. Deze steeg reden wij in en wij kwamen vervolgens tussen "[de cafetaria]" en restaurant "[de P.]" door, de [b-straat] ingereden." Wat aan deze verklaring opvallend is, is dat [Jane H.] thans een andere woning aanwijst als de woning waar [mw. M.] is opgehaald. Die andere woning zou kunnen doorgaan voor de woning waar [mw. M.] werkelijk woonde, namelijk aan de [d-straat 1],
(43)maar waar zij dus - waarschijnlijk - niet verbleef. Opvallend is ook dat [Jane H.] thans in haar lezing is ingestapt en meegereden met [mw. M.] en de drie mannen in de Opel Omega, terwijl ze eerder in haar 'bekennende' verklaring aangaf te voet naar de [b-straat] te zijn gegaan. Deze twee aanpassingen laten zich m.i. moeilijk begrijpen als een correctie na een tevergeefs verbloemen van haar (meer kwalijke) bijdrage aan de uitvoering van het delict. Ik zie in dat verband namelijk geen verschil in ernst van haar bijdrage. Als een vergissing is zij m.i. ook niet goed te verstaan. [Jane H.] verklaart namelijk aanvankelijk gedetailleerd over haar wandeling naar de [e-straat 1], en de terugkeer (te voet) naar het restaurant. Twee verklaringen later deelt zij gedetailleerd mede dat zij niet is teruggelopen, maar teruggereden. En zij beschrijft een andere route naar een andere woning. [Jane H.] blijkt dus in elk geval bereid haar verklaring aan te passen. Van deze hiervoor beschreven lezing is [Jane H.] niet meer expliciet afgeweken, tot op de zitting van het gerechtshof van 18 mei 1995, alwaar zij (voor de tweede keer) als getuige werd gehoord in de strafzaken van vier van de veroordeelden. Ter zitting heeft de voorzitter haar gevraagd de route uit te tekenen die zij zou hebben afgelegd met [mw. M.]. Zij kreeg daartoe een plattegrondje waarop de woning van [mw. M.] reeds was uitgetekend. "De terugweg zijn wij weer via het gangetje gegaan en vervolgens linksaf de [g-straat] ingegaan. Wij hebben toen weer de [f-straat] overgestoken en het gangetje in de [h-straat] ingegaan, zodat wij in de [b-straat] tussen het restaurant de "[de P.]" en cafetaria [de cafetaria] uitkwamen. (...). Mij wordt voorgehouden dat ik bij de politie totaal iets anders heb verteld." Dat zij een gedeelte van deze route zou zijn meegereden in de Opel Omega is een aspect dat dan weer niet meer in haar beschrijving is teruggekeerd. 5.2.
  1. Wie opende de deur van het restaurant? Op enig moment arriveerde de auto bij [de P.] en werd [mw. M.] onder heftig verzet naar de toegangsdeur geleid. De vraag is dan hoe en door wie die toegangsdeur tot het afhaalgedeelte is geopend. In de 10e verklaring van [Jane H.] heet dat als volgt te zijn gegaan. [Mw. M.] kwam (in die lezing) aangelopen en betrapte de aanwezigen bij [de P.]. [Appie T.] zou [mw. M.] met karatetrappen hebben geraakt en op enig moment de sleutels van [mw. M.] hebben kunnen bemachtigen. Daarmee opende [Appie T.] de deur. In de 12e verklaring verliep dat anders: "Ik hoorde dat zij zeiden dat de vrouw mee moest werken. Ik zag dat de vrouw zich verzette. Ik zag dat de vrouw Achmed een klap tegen het gezicht gaf. Ik zag dat hierna Achmed een "geweer" pakte en dit tegen de slaap van de vrouw zette. Ik zag dat de vrouw vervolgens met een sleutel de deur van het "Afhaalgedeelte" opende. Ik zag dat Appie en Anil met de vrouw naar binnen gingen." In de 14e verklaring ging het weer anders: [Anil B.] slaagde er volgens [Jane H.] in om de sleutels nog in de Opel Omega van [mw. M.] af te pakken. In de verklaring van 30 mei 1994, afgelegd tegenover de rechter-commissaris, heeft [mw. M.] de toegangsdeur zelf geopend met de sleutel die zij bij zich had. Gehoord als getuige op 16 mei 1995 deelde [Jane H.] mee: "[Mw. M.] is, toen wij stilstonden, uit de auto gestapt. Er is haar toen om de sleutels gevraagd. Die wilde zij niet afgeven. Een van de jongens heeft haar toen met geweld die sleutels van haar afgepakt en daarna de deur van het restaurant opengemaakt. Als ik mij niet vergis was dat Appie." Wederom bespeur ik verschillen die m.i. het beste sporen met de hypothese dat [Jane H.] haar verklaringen aanpast aan hetgeen in haar beleving van haar wordt verlangd, en dat een authentieke herinnering ontbreekt. 5.2.
  2. Is er gespuugd? Bij het forensisch-technisch onderzoek is er de nodige moeite gestoken in het onderzoek naar speeksel op de kleding van [mw. M.]. De vraag was namelijk of [mw. M.] is bespuugd door één of meer van de mannelijke veroordeelden. [Jane H.] heeft in geen van haar vele politieverklaringen iets dergelijks beschreven. Op 30 mei 1994 vroeg de rechter-commissaris haar daarnaar nog uitdrukkelijk. Zij antwoordde: "Ik heb niet gezien of er door een van de aanwezigen in de keuken gespuugd is en ik heb ook geen gerochel gehoord." Op de terechtzitting van 16 mei 1995 luidde haar lezing evenwel: "Het is juist dat er nog gespuugd is door een of twee van de jongens. Ik heb dit gezien. Anil heeft dit zeker gedaan en ik dacht ook dat Appie dit heeft gedaan. In ieder geval een van de twee heeft haar gespuugd. Anil spuugde altijd en overal. [Mw. M.] leefde toen niet meer. [Karin] en ik hebben niet gespuugd. Ik kan ook gehoord hebben dat [mw. M.] werd gespuugd. Ik weet in ieder geval zeker dat het is gebeurd. Ik heb een keer goed gezien dat in het gezicht van [mw. M.] is gespuugd. Op de vraag of zij in haar gezicht werd geraakt, kan ik antwoorden dat dit is gebeurd omdat ik, toen ik met reanimeren bezig was, dit voelde op haar gezicht. De spuug zat aan de zijkant van haar neus. Ik vind spugen ontzettend vies. Ik heb haar neus toen met mijn handen schoongemaakt, omdat ik toen neus- en mondbeademing bij haar wilde toepassen." Overigens had [Jane H.] tot dan toe (ook) nog nooit verklaard dat zij vergeefs had getracht [mw. M.] te reanimeren. 5.2.
  3. Conclusie De verklaringen van [Jane H.] bevatten veel inconsistenties. Een groot aantal daarvan (die ik hier vrijwel niet heb besproken) zou kunnen worden toegeschreven aan vergissingen (hypothese 1) of onthullingen (hypothese 2). Niettemin resteren een aantal aanpassingen in haar beschrijving van het misdrijf die ik niet goed kan plaatsen in deze twee hypothesen, doch wel in de derde. 5.
  4. De verklaringen van [Karin N.] 5.3.
  5. Algemeen Appendix D behelst een overzicht (met samenvattingen) van de verklaringen die [Karin N.] (aanvankelijk) als getuige en (later) als verdachte heeft afgelegd. Toen zij door de politie als verdachte werd gehoord was zij 21 jaar, gedetineerd en in beperkingen. In haar vijf verklaringen als getuige hield [Karin N.] vol dat zij bij het 'stappen' in het nachtleven van Breda in de nacht van 3 op 4 juli 1993 dronken en ziek is geworden en dat er van het voornemen om 's nachts samen met [Jane H.] te zwemmen in de Galderse meren niets terecht is gekomen. Na een korte tijd van slaap in de woning van een vriend is [Karin N.] rond 04.00 uur 's nachts door [Jane H.] wakker gemaakt en zijn [Jane H.] en [Karin N.] naar de [b-straat] gereden. Daar zijn zij omstreeks 4.15 uur - 4.30 uur aangekomen. [Karin N.] persisteert gedurende vijf verhoren als getuige, met inbegrip van een volgens de verhoorders "intensief" verhoor, dat zij op de [b-straat] die nacht niets bijzonders heeft gezien. [Jane H.] en [Karin N.] zijn daar gaan slapen in de woning van de toenmalige vriend van [Karin N.], aan de [b-straat 2]. Pas bij haar 8e politieverklaring als verdachte, op 22 april 1994, maakt [Karin N.] een aanvang met verklaringen waarin er volgens haar op 4 juli 1993, omstreeks 4.15 uur 4.30 uur toch het een en ander heeft plaatsgehad op het trottoir en in het restaurant "[de P.]". Overigens heeft [Karin N.] consequent volgehouden dat zij nimmer bij voorbereidende besprekingen voor de overval aanwezig is geweest, en bij aankomst op de [b-straat] niet heeft geweten wat haar (en een ander) te wachten stond. 5.3.
  6. Het ophalen van [mw. M.] Niet eerder dan in de 12e verklaring van de verdachte [Karin N.] deelt zij mede dat [mw. M.] is opgehaald van een woonadres. [Jane H.] is in deze lezing degene die [mw. M.]s woonadres kende en die met de drie mannen is meegereden in de Opel Omega. In haar 15e verklaring is het echter niet [Jane H.] die de eigenaar van de "[de P.]" wist te wonen, maar [Karin N.] zelf. Deze aanpassing van haar rol in het geheel laat zich op zichzelf goed begrijpen binnen de tweede hypothese (onthulling eigen bijdrage), zodat ik haar verder onbesproken laat. Het zij herhaald dat daarmee niet is gezegd dat deze aanpassing ook daadwerkelijk het gevolg is van het in hypothese 2 geschetste mechanisme. Ik ga verder met de 15e politieverklaring van [Karin N.]. "Zoals gezegd vroeg [Anil B.] aan Jane en mij: "wie weet er waar de eigenaar van de "[de P.]" woont." Ik antwoordde hierop: "Die weet ik wel te wonen." Ik had namelijk tijdens mijn werk eens een gedeelte opgevangen van een gesprek tussen mijn baas [betrokkene 13] en de eigenaar van "[de P.]", [C.L. M.]. Tijdens het gesprek werd gesproken over het huis van [C.L. M.], waarbij het adres aan de [f-straat] werd genoemd. Het huisnummer werd toen wel genoemd, maar kan ik mij nu niet herinneren. Ik denk dat het Anil was die toen tegen mij en Jane zei: "Gaan jullie ze dan maar halen." Jane en ik zijn vervolgens te voet vanaf de [b-straat] gelopen naar de flat, waar de eigenaar van [de P.] woont. Ik besefte uiteraard wel dat de 3 jongens niet veel goeds van plan waren, maar stond daar verder niet bij stil. De bewuste flatwoning bevindt zich op een afstand van ongeveer 100 meter van het Chinees restaurant. Bij de flat aangekomen, kwamen Jane en ik uit bij een centrale toegangsdeur. Deze deur geeft toegang tot een ruimte, van waaruit meerdere woningen te bereiken zijn. Omdat die deur op slot was en van binnenuit geopend moest worden, zag ik dat Jane op de bel drukte van de woning die ik aanwees als de woning van [M.]. Kort na het belsignaal hoorde ik dat de centrale toegangsdeur vanuit de woning van [M.], werd geopend. Vervolgens zijn Jane en ik via de van binnenuit geopende deur de hal ingelopen. Vanuit de hal zijn wij toen volgens mij 2 trappen opgelopen. Boven aan die 2 trappen, zag ik 2 voordeuren, 1 links en 1 rechts van de trap. Ik zag dat de voordeur aan de rechterkant geopend was. Ik zag dat in de deuropening een wat oudere, Chinese vrouw in nachtkleding stond te wachten. (...). Ik sprak de vrouw aan en vroeg: "wilt u met ons meekomen". Ik zag dat de vrouw mijn vraag niet begreep. (...). Zodoende zei ik tegen de vrouw: "[de P.], [de P.]". (..). Ik zag dat de vrouw even door de hal terug de woning inliep. Ik zag dat zij korte tijd later terugkwam met in haar handen een bos met sleutels. Ik zag dat zij nog steeds dezelfde nachtkleding droeg. Zij heeft geen jas of iets dergelijks aangetrokken. Ik zag dat zij vervolgens de voordeur achter zich dichttrok. Hierna liep de vrouw met Jane en mij via de trappen naar beneden. We gingen door de centrale toegangsdeur naar buiten. Daar zag ik op het trottoir voor de flat, de goudkleurige/bruine Opel Omega stond, waarover ik eerder sprak. (...)." Deze gedetailleerde beschrijving van het ophalen van [mw. M.] bevat een opvallende onjuistheid. [Mw. M.] woonde niet in een flat en verbleef daar naar alle waarschijnlijkheid ook niet. Ook door de andere veroordeelden is nimmer meegedeeld dat [mw. M.] is opgehaald vanuit een flatwoning. Bij gelegenheid van het (inmiddels) 16e verhoor van [Karin N.] is het volgende geverbaliseerd: "Als straatnaam noemde ik in mijn vorige verklaring de [f-straat]. Dit is niet juist. De juiste straatnaam weet ik nu niet meer. (...). Ik sprak eerder over een flatwoning. De reden hiervoor is dat ik helemaal niet wilde vertellen waar de eigenaar woonde. Ik vond het voor mijzelf al een overwinning dat ik toe durfde te geven dat ik de vrouw, die het met de dood moest bekopen, van huis gehaald had." Eenieder mag hierover zelf oordelen, maar de reden waarom [Karin N.] aanvankelijk heeft 'gekozen' om melding te maken van een flatwoning in plaats van de (correcte) rijtjeswoning, acht ik niet inzichtelijk. Het roept bij mij de vraag op of [Karin N.] op basis van andere informatie dan een eigen herinneringsbeeld tot de aanpassing van haar verklaring is gekomen en of zij (al dan niet bewust) is aangemoedigd haar eerder verstrekte, gedetailleerde beschrijving te corrigeren. Met ingang van haar 16e verklaring als verdachte heeft [Karin N.] een beschrijving gegeven van het ophalen van [mw. M.] die zich als volgt laat samenvatten. [Karin N.] kende als enige het woonadres van de eigenaar van de "[de P.]". [Karin N.] is tezamen met (alleen) [Jane H.] naar (aldus begrijp ik) de woning aan de [e-straat 1] gelopen, en dit via een omweg, te weten (volgens de beschrijving van [Karin N.]): vanaf [b-straat] rechtsaf de [f-straat] in, linksaf [i-straat] in, twee keer linksaf de [e-straat] in om te eindigen bij (inderdaad) de woning van de eigenaar die vanuit deze looproute is gelegen ter linkerzijde, laatste huis voor de garages. Deze looproute is volgens [Karin N.] door haar gekozen omdat zij werden gevolgd door de Opel Omega, waarin de drie mannen waren gezeten. Zij ervoer dat als bedreigend. Dat [Karin N.] in deze beschrijving van de looproute en van diegene(n) met wie zij deze heeft afgelegd alleen staat, komt pas in het volgende hoofdstuk aan de orde. 5.3.
  7. De auto Over de auto die door [Anil B.], [Appie T.] en [Achmed L.] werd gebruikt, heeft [Karin N.] het volgende verklaard. In haar 12e verhoor als verdachte deelt zij mede: "Op de [b-straat] aangekomen, zag ik dat er voor het Chinees restaurant een goudkleurige of bruinkleurige personenauto staat van het merk Opel Omega. (...). Tijdens het oversteken liep ik langs de voorzijde van de Opel Omega en zag daarbij het nummerbord van de auto. Ik zag dat het kenteken in ieder geval bestond uit de combinatie [AA-00-??]. De laatste 2 cijfers of letters kan ik mij niet herinneren. De andere combinaties van het kenteken kan ik me goed herinneren. Toen ik dit kenteken zag, wist ik dat deze auto van de mij bekende Turk, [betrokkene 14] was. (...). Ik kan me dit kenteken zo goed herinneren omdat ik de Opel Omega met dat kenteken een keer heb aangetroffen achter de woning aan de [a-straat]. [betrokkene 14] was toen bij Lucy op bezoek (...)." Uiteraard heeft deze mededeling voor het rechercheteam indertijd het nodige werk opgeleverd en voor [betrokkene 14] de nodige gevolgen gehad.
(44)Bij gelegenheid van haar 16e verhoor als verdachte deelde [Karin N.] nog mede: "Met betrekking tot de auto die gebruikt werd om de Chinese vrouw naar restaurant "[de P.]" te vervoeren, blijf ik erbij dat dit de Opel Omega, eigendom van [betrokkene 14], was. Ik weet dat deze auto op de achterzijde is voorzien van een spoiler. Deze spoiler is aangebracht op de kofferdeksel. In mijn ogen is het onmogelijk dat er een rode Opel Omega in het spel is. Ik ben pertinent zeker van het feit dat de gebruikte auto, de bruin/goudkleurige Opel Omega is zoals omschreven." Nadat het rechercheteam had achterhaald dat de door [Karin N.] bedoelde auto niet de auto van [betrokkene 14] kon zijn, deelde zij in haar 17e verklaring het volgende mee: "Ik heb u tijdens een eerder afgelegde verklaring verteld over de auto van [betrokkene 14], de goudkleurige/bruine Opel Omega. Ik wil daar op terug komen. Toen ik met Jane bij de [b-straat] aankwam, zag ik een groot model Opel, ik dacht van het type Omega, bij Chinees restaurant "[de P.]" staan. Ik ken maar 1 persoon die zo'n auto heeft, namelijk [betrokkene 14]. Ik wist ook dat [betrokkene 14] veel met Anil, "Appie" en Achmed optrok. Daarom heb ik maar verteld dat de auto die bij [de P.] stond, de auto van [betrokkene 14] betrof. Dit is echter niet juist. Ik heb van de auto die ik zag staan helemaal geen kenteken gezien." Over hoe ze aan het woonadres van de eigenaar van het restaurant is gekomen varieert [Karin N.] in drie verklaringen. Ik laat dat verder maar onbesproken, evenals het gegeven dat ze niet eerder dan in haar 19e verklaring melding maakt van een pistool dat zij in de keuken zou hebben zien liggen en dat zij (zelfs) enig moment had vastgepakt. 5.3.
  1. Conclusie Van de inconsistenties die in groten getale zijn terug te vinden in de verklaringen van [Karin N.] past een aantal alleen goed in de derde hypothese. 5.
  2. De verklaringen van [Jenny L.] 5.4.
  3. Algemeen Appendix E behelst een overzicht (met samenvattingen) van de verklaringen die [Jenny L.] als verdachte heeft afgelegd. Toen zij door de politie als verdachte werd gehoord was zij 18 jaar, gedetineerd en in beperkingen. Van de drie veroordeelde vrouwen is [Jenny L.] als laatste aangehouden. In haar eerste verklaringen, van 27 en 28 april 1994, heeft zij iedere betrokkenheid bij de moord op [mw. M.] ontkend. 5.4.
  4. De voorbereidingen Op 29 april 1994 heeft zij toegegeven betrokken te zijn geweest bij een voorbereidende bespreking van een overval op het Chinese restaurant [de P.]. Bij die voorbereidingen zouden aanwezig zijn geweest: [Appie T.], [Anil B.] en [Achmed L.], alsook [betrokkene 15] ("blonde Mo"), [betrokkene 16], [Lucy C.], [Miranda H.] en [Jane H.]. Bij de uitvoering is [Jenny L.] volgens haar verklaring van die dag niet betrokken geweest. Op 3 mei 1994 wijzigde [Jenny L.] haar lezing in die zin dat zij thans wel had bijgedragen aan de uitvoering van het delict. Zij schetst in die verklaring wederom de voorbereidingen voor dit delict en maakt melding van een bijeenkomst op de kamer van [Lucy C.] aan de [a-straat 1] te Breda, één á twee weken voor de dag van de overval. Nadien is nog meermalen gesproken over de overval. [Jenny L.] hierover: "Uiteindelijk zijn de volgende personen serieus met de voorbereiding verder gegaan: ikzelf, [Miranda H.], [Lucy C.], [Jane H.], [Karin], [Appie T.], [Anil B.] en [Achmed L.]. Gezamenlijk hebben we toen de voorbereidingen voortgezet. Jane en [Karin] waren in die tijd werkzaam bij snackbar "[de cafetaria]", eveneens gevestigd in de [b-straat] te Breda. Het was voor Jane en [Karin] dus eenvoudig om het restaurant in de gaten te houden." 5.4.
  5. De aanvang van de overval De overval is in de lezing van [Jenny L.] vervolgens gepleegd door de genoemde acht personen, die om 2 uur 's nachts in twee auto's naar de [b-straat] zijn gereden. Zij hebben ter plaatse een sigaretje gerookt, waarna [Jane H.], [Karin N.] en [Achmed L.] met de auto [mw. M.] zouden hebben opgehaald. In haar volgende verklaring, die van 4 mei 1994, is de lezing van [Jenny L.] gewijzigd in die zin dat op zaterdag 3 juli 1993 is besloten om de overval te plegen en dat de deelnemers elkaar daartoe omstreeks 2.00 uur 's nachts zouden treffen bij het restaurant: "Op zaterdag 3 juli bevond ik mij op de kamer van Lucie. (...). [Appie T.], [Achmed L.], [Anil B.], Jane, [Karin] en ik hebben toen besloten samen de overval te gaan plegen. De andere aanwezigen hebben toen afgehaakt. Ik weet niet waarom. We hebben toen om twee uur 's morgens bij restaurant "[de P.]" afgesproken. Omstreeks dit tijdstip ben ik met [Appie T.], [Achmed L.] en [Anil B.] in een donkerkleurige auto gestapt. (...). Vervolgens zijn we met z'n vieren naar de [b-straat] gereden. (...). Aangekomen op de [b-straat] heeft Achmed de auto geparkeerd op een parkeerterreintje recht tegenover het restaurant "[de P.]". Vervolgens zijn we uitgestapt. We hebben toen ruim anderhalf tot twee uur gewacht op Jane en [Karin]. Zij kwamen namelijk op eigen gelegenheid naar "[de P.]". (...). De jongens raakte geïrriteerd omdat Jane en [Karin] hun afspraak niet waren nagekomen. Tegen 4 uur kwamen Jane en [Karin] aangereden. (..)." Niet duidelijk is geworden om welke reden [Jenny L.] haar verklaring op dit punt heeft aangepast en waarom [Jenny L.] zich thans wel meent te kunnen herinneren dat [Jane H.] en [Karin N.] op eigen gelegenheid en veel te laat ter plekke arriveerden. 5.4.
  6. Het ophalen van [mw. M.] Vervolgens beschrijft [Jenny L.] een ander aspect, namelijk het ophalen van [mw. M.], waarin zij zichzelf een meer belastende rol toedicht. Het gaat mij echter om de vraag waar [mw. M.] is opgehaald: "Ik ben vervolgens met Jane en [Karin] de Chinese vrouw gaan halen. Jane en [Karin] wisten de vrouw te wonen. We zijn te voet naar de vrouw gelopen. Vanaf het restaurant zijn we rechtdoor de [f-straat] overgestoken. We zijn toen de straat ingelopen welke is gelegen recht tegenover de [b-straat]. Ik weet de naam van de straat niet. We hebben het trottoir aan de rechterzijde van deze straat gevolgd. We zijn vervolgens naar de woning van de Chinese vrouw gelopen. Ik weet niet meer waar dat was. Het was een gewoon huis. (...). Het was gelegen aan de rechterzijde van deze straat, gezien vanuit de richting [b-straat]. (...). Aangekomen bij het huis heeft [Karin] aangebeld. [Karin] heeft daarbij meerdere keren op de bel gedrukt. Ik stond op een afstand van één a' twee meter van deze deur. Jane stond naast [Karin]. Het Chinese vrouwtje opende vervolgens de voordeur. Ze keek erg slaperig en suf. Ik hoorde [Karin] zeggen "Mag ik even bellen". Het vrouwtje was gekleed in nachtkleding. Vervolgens zijn Jane en [Karin] met het vrouwtje naar binnen gegaan. (..). Ik ben buiten bij de voordeur blijven staan. Jane en [Karin] zijn ongeveer tien minuten binnen geweest. Vervolgens kwamen ze naar buiten met het Chinese vrouwtje. (..)." Indien [Jenny L.] hiermee een beschrijving heeft willen geven van de looproute naar de verblijfplaats van [mw. M.], op de [e-straat 1], is die beschrijving accuraat. In dit onderdeel beschrijft zij ook de wijze waarop het aanspreken van [mw. M.] in z'n werk zou zijn gegaan. Ik citeer deze passage reeds nu vanwege discrepanties met latere verklaringen. In haar 7e verklaring, van 5 mei 1994, geeft [Jenny L.] om redenen die voor mij niet inzichtelijk zijn een wijziging van haar lezing over de locatie waar [mw. M.] is opgehaald. De rechercheurs zijn met [Jenny L.] langs de woning aan de [d-straat 1] gereden. Deze woning staat vanuit de [f-straat], de [j-straat] in, vervolgens linksaf de [d-straat] in, en dan direct aan de linkerzijde van die straat. [Jenny L.] verklaarde hierover: "Ik herken deze woning aan de overhangende boom die bij de woning staat. Bij deze woning hebben wij de Chinese vrouw opgehaald. Hoe we aan het adres van de Chinese vrouw zijn gekomen weet ik niet. Ik denk dat dit afkomstig is van Jane, [Karin] of Lucy. In de voorbesprekingen hierover is altijd over het Chinese vrouwtje gesproken die erbij gehaald zou worden. Er werd nooit over de eigenlijke eigenaar gesproken. (...). [Karin] en Jane zijn rechtstreeks naar het adres van de Chinese vrouw gelopen. [Karin] en Jane hebben daar aangebeld. Ik zelf ben aan straat blijven staan. Ik weet niet precies wat er door hen gezegd is. Beiden werden wel binnengelaten. Ik schat dat ze ongeveer 15 tot 20 minuten binnen zijn geweest. Ze kwamen toen buiten samen met de Chinese vrouw." Op 6 mei 1995 (8e verhoor) verklaarde [Jenny L.] weer anders. De reden daarvoor is niet te ontlenen aan de verklaring zelf. "Op woensdag 4 en donderdag 5 mei 1994 heb ik U reeds uitvoerig verklaard over mijn aandeel met betrekking tot gewelddadige dood van de Chinese vrouw. Deze verklaringen zijn voor het grootste gedeelte juist. Het ophalen van de oude Chinese vrouw is echter wat anders gegaan. Op de dag van de moord ben ik met [Karin] en Jane omstreeks 04:00 uur naar het huis van het Chinese vrouwtje gelopen. Dit huis was gelegen vlak bij het restaurant "[de P.]". Op donderdag 5 mei ben ik met u naar de omgeving van het restaurant "[de P.]" gereden. We zijn toen dicht langs dit huis gereden. Ik heb toen bewust mijn mond dicht gehouden. Als je voor het restaurant "[de P.]" staat heb je zicht op dit huis. Het ligt op zeer korte afstand van "[de P.]". Het huis staat rechts vooraan in de straat tegenover de [b-straat]. We zijn er onmiddellijk na aankomst bij het restaurant "[de P.]" naar toe gegaan. Zoals reeds eerder verklaard waren we namelijk al te laat. [Karin] en Jane wisten de weg. Uit informatie van Jane, [Karin] en Lucie was namelijk gebleken dat aldaar op dat moment een oud Chinees vrouwtje aan het oppassen was. We zijn met zijn drieën naar dit huis gelopen. De jongens zijn toen met de auto naar een afgesproken lokatie gereden. Deze lokatie was gelegen tussen de eerder genoemde woning en een tweede woning waarover ik reeds eerder heb verklaard. Aangekomen bij de eerste woning heeft [Karin] enkele keren aangebeld. Na korte tijd werd er opengedaan door een oud Chinees vrouwtje. [Karin], Jane en de Chinese vrouw kenden elkaar. (...). Nadat de vrouw had opengedaan vertelde [Karin] haar dat er iets aan de hand was met een persoon die woonachtig was in het tweede huis. (...). De oude vrouw schrok van het verhaal van [Karin]. (...). Het vrouwtje is vervolgens snel naar binnen gegaan. Ik geloof dat ze toen een jas of iets dergelijks heeft aangedaan. Direct daarna kwam ze weer naar buiten. Ze is toen alleen in de richting van het tweede huis gelopen. De vrouw had een bos sleutels in haar hand. (...). Wij volgden de vrouw ongemerkt op een afstand van tien á vijftien meter." Kortom, naar ik begrijp is [mw. M.] in deze derde lezing weer wel opgehaald in de woning aan de [e-straat 1]. [Mw. M.] is vervolgens te voet onderweg gegaan richting de (haar) woning aan de [d-straat 1]. Halverwege die route is zij van haar vrijheid beroofd en in de auto 'gewerkt'. Dat vond plaats op de [g-straat].
(45)In deze lezing is [Jenny L.] helemaal niet meer aan de [d-straat] geweest en kan zij die woning dus ook niet "herkennen" (aan de overhangende boom) als de locatie waar [mw. M.] is opgehaald. Ik wijs er bovendien op dat de woorden die [Karin N.] zou hebben gebruikt om [mw. M.] mee te lokken anders zijn dan de bewoordingen die [Jenny L.] eerder had omschreven. Hetzelfde geldt voor de beschrijving van het voorgevallene na het aanbellen. Dit keer zijn [Jane H.] en [Karin N.] niet de woning ingegaan en is [mw. M.] kort na het aanbellen op weg gegaan, en dus niet pas na vijftien tot twintig minuten. In de verklaringen van [Jenny L.] is zij tijdens de gebeurtenissen in het restaurant buiten op de uitkijk gaan staan. Zij is het restaurant naar haar zeggen niet binnen geweest. 5.4.
  1. Het "intrekken" van de verklaringen Op 30 mei 1994 is [Jenny L.] verhoord door de rechter-commissaris, als getuige in de strafzaken tegen [Appie T.], [Achmed L.] en [Anil B.]. Zij heeft toen medegedeeld: "Ik wil alle verklaringen die ik bij de politie heb afgelegd intrekken (...). Ik ben onder druk gezet door de rechercheurs, ik heb verteld wat ze wilde horen. Ze hebben een stukje van de verklaring van [Jane H.] voorgelezen, waarin zij vertelt, dat ik [mw. M.] zou hebben vastgepakt en ik heb toen gezegd dat dat niet klopte. Ik ben er helemaal niet bij geweest. Wat ik weet, weet ik van de rechercheurs, niet van anderen. Ik heb wel via mijn advocaat een aantal verklaringen van anderen gelezen. Ik weet niet waarom Jane heeft gezegd, dat ik erbij was op 4 juli 1993." Op de terechtzitting van de rechtbank te Breda van 12 juli 1994 heeft zij, gehoord als verdachte in haar eigen zaak, volhard bij haar intrekking van deze verklaringen, doch heeft zij echter nog wel gesproken over haar aanwezigheid bij voorbereidende besprekingen voor een overval op [de P.]. 5.4.
  2. Conclusie De bekennende verklaringen van [Jenny L.] bevatten een aantal inconsistenties die niet goed te begrijpen zijn indien wordt aangenomen dat zij zich uitsluitend heeft vergist, dan wel indien wordt aangenomen dat zij gaandeweg haar kwalijke rol in het geheel heeft opgebiecht. 5.
  3. Conclusie over de consistentie van de verklaringen van de drie vrouwelijke veroordeelden afzonderlijk beschouwd De verklaringen van [Jane H.], [Karin N.] en [Jenny L.] bevatten elk een aantal discrepanties die zich naar mijn mening alleen goed laten begrijpen als uitingen van meegaandheid jegens de verhorende rechercheurs. Benadrukt zij dat aanwijzingen voor deze vorm van meegaandheid van de ondervraagde personen niet tevens aanwijzingen zijn dat de verhoorders welbewust hebben aangestuurd op het verkrijgen van verklaringen die bezijden de waarheid zijn. In het volgende hoofdstuk bespreek ik de onderlinge consistentie van de verklaringen, tegen de achtergrond van de bevindingen van het opsporingsonderzoek.
  4. De bekennende verklaringen nader beschouwd 6.
  5. Algemeen 6.1.
  6. Eén van de advocaten van de drie mannelijke veroordeelden pleitte op 30 juni 1995 ten overstaan van het hof als volgt: "Natuurlijk geloof ik er ook niet in dat de dames eenvoudig een verhaal op gaan lepelen, waarbij ze zich zelf ook belasten. Dit is niet logisch en niet aannemelijk." De vraag rijst vervolgens wel hoe "onlogisch" en hoe "onaannemelijk" het is dat drie onschuldige individuen in zeer grote lijnen eenzelfde voor hen belastende verklaring afleggen en in de door hen omschreven toedracht ook anderen betrekken. Daarover kom ik thans te spreken. Eveneens breng ik ter sprake een aantal van de andere overwegingen die in uiteenlopende bewoordingen zijn te traceren in het requisitoir, de vonnissen en de arresten, en waarmee kennelijk is beoogd de geloofwaardigheid van de bekennende verklaringen te beargumenteren. Ik begrijp deze argumenten (kort samengevat) als volgt:
  7. Met het afleggen van hun verklaringen belasten de drie vrouwen ook zichzelf in ernstige mate. Een onschuldig persoon doet zoiets niet.
  8. De verklaringen van de drie vrouwen bevatten weliswaar inconsistenties maar stemmen in grote lijnen overeen. Dat kan geen toeval zijn.
  9. Bepaalde onderdelen van de bekennende verklaringen bevatten informatie die alleen bij de dader(s) bekend kan zijn.
  10. Hetgeen door de drie vrouwen is verklaard is zeer wel mogelijk. De globale toedracht die de vrouwen hebben geschetst past goed in wat wij weten van de plaats van het delict en de omgeving ervan. Eerst komen deze argumenten in algemene zin aan de orde. Daarna bespreek ik het een en ander in de context van de zaak. 6.1.
  11. Onschuldige mensen leggen geen voor zichzelf belastende verklaring af Wie dit na de Schiedammer parkmoord en de Puttense moordzaak nog gelooft, beveel ik van harte "Convicting the innocent: where criminal prosecutions go wrong" van Brandon Garrett aan.
(46)In dit boek analyseert Garrett de eerste 250 (!) gerechtelijke dwalingen die in de V.S. door middel van 'DNA-exonerations' zijn blootgelegd. Hij trof in 40 van de 250 zaken gefingeerde bekentenissen aan. De gedachte dat een valse bekentenis uitsluitend onder zware en/of ongeoorloofde druk van politiezijde tot stand komt, is allang achterhaald.
(47)De jeugdige leeftijd van de verdachte
(48)en de wijze van verhoren (bijvoorbeeld veelvuldig en langdurig)
(49)betreffen in elk geval twee van de factoren waarvan bekend is dat zij de kans op een valse bekentenis vergroten. Garrett schrijft onder meer over de 40 door hem geanalyseerde gerechtelijke dwalingen waarin een valse bekentenis was afgelegd: "(...) almost all of these interrogotations were prolonged affairs, lasting many hours or even days. (.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.