Nr. 10/04000 Zitting: 3 april 2012 Mr. Knigge Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Met de vaststelling dat de verdachte voldoende tijd had om zich te beraden is de voorbedachte raad nog niet gegeven. Die vaststelling vormt slechts "een belangrijke objectieve aanwijzing" voor de aanwezigheid van voorbedachte raad. Er kunnen contra-indicaties zijn waaraan een zwaarder gewicht toekomt. De contra-indicaties die de Hoge Raad bij wijze van voorbeeld noemt, lijken voor de onderhavige zaak niet zonder belang. Het Hof heeft kennelijk niet willen uitsluiten dat de verdachte niet handelde volgens een vooropgezet plan, maar in een plotselinge gemoedsopwelling. Dat betekent dat de gelegenheid tot beraad in dit geval eerst tijdens de uitvoering van het besluit is ontstaan. Gelet daarop komt het mij niet verantwoord voor het Hof als oordeel toe te dichten dat de gelegenheid tot beraad die er is geweest nadat de verdachte de eerste klappen had uitgedeeld op zich al voorbedachte raad oplevert. Dat oordeel zou misschien niet zonder meer begrijpelijk zijn. Daar komt bij dat het Hof overweegt dat de verdachte gedurende de hele periode die de uitvoering van het besluit in beslag nam, "minst genomen één moment tijd heeft gehad om zich te beraden". Daarin kan gelezen worden dat het oordeel van het Hof is gebaseerd op de gelegenheid tot beraad die er gedurende de hele periode is geweest, zodat een uitsplitsing in twee afzonderlijk te beoordelen "momenten" geen recht zou doen aan het oordeel van het Hof. 4.
- Ik heb lang geaarzeld of het voorgaande moet leiden tot de conclusie dat de gesignaleerde tegenstrijdigheid moet leiden tot vernietiging van de bestreden uitspraak. Uiteindelijk meen ik dat dit niet het geval is. De bewijsoverweging van het Hof maakt mijns inziens duidelijk van welke versie van de gebeurtenissen het Hof is uitgegaan bij zijn oordeel dat sprake is van voorbedachte raad. Dat is de versie die ook door de verdachte ter terechtzitting is gepresenteerd. Op de vraag van de advocaat-generaal of hij één arm vrij had toen hij [slachtoffer 1] bij de arm pakte, antwoordde hij: "Ik pakte [slachtoffer 1] bij de arm. Zij trok haar armen weg en gaf mij een stoot". Ik merk daarbij op dat de verdachte daarmee onderbouwde dat hij in een opwelling handelde: "Ik was daardoor verbouwereerd en ik schrok". Zoals gezegd heeft het Hof kennelijk niet uitgesloten dat inderdaad sprake was van een opwelling. Gelet op dit alles kan het er mijns inziens voor gehouden worden dat het gebruik van de integrale verklaring van [slachtoffer 2] als bewijsmiddel 7 op een kennelijke misslag berust. Dat de verdachte [slachtoffer 1] nog steeds vasthield toen hij het mes pakte en haar daarmee de eerste keer sloeg, is met andere woorden kennelijk als gevolg van een slordigheid bij het uitwerken van het arrest niet uit die verklaring "weggeknipt". Aldus kan gezegd worden dat de gesignaleerde tegenstrijdigheid aan de begrijpelijkheid van de bewijsmotivering in haar geheel beschouwd geen afbreuk doet, zodat de klacht om die reden faalt. 4.
- Het middel faalt ook voor het overige. Gelet op de hiervoor geciteerde overweging uit HR 28 februari 2012, LJN BR2342 is duidelijk sprake van een grensgeval. De afweging van de objectieve aanwijzingen tegen de aanwezige contra-indicaties is in een dergelijk geval echter voorbehouden aan de feitenrechter en kan in cassatie maar in beperkte mate worden getoetst. Het Hof heeft daarbij, zoals de Hoge Raad eist, in zijn bewijsoverweging aan de voorbedachte raad "nadere aandacht" gegeven. Zijn oordeel dat sprake is van voorbedachte raad is, mede gelet op het feit dat door of namens de verdachte niet is aangevoerd dat hij in grote, plotselinge drift handelde (waarvoor ook weinig aanleiding lijkt te hebben bestaan), denk ik niet onbegrijpelijk te noemen. 4.
- Het lot van het middel hangt uiteindelijk af van de materieelrechtelijke invulling die de Hoge Raad aan de voorbedachte raad "nieuwe stijl" geeft en de mate waarin hij daarbij het oordeel van de feitenrechter wenst te toetsen. Daarom meen ik dat het middel niet met art. 81 RO kan worden afgedaan.
- Het tweede middel 5.
- Het middel komt op tegen de door het Hof bepaalde proeftijd van vijf jaar. 5.
- Het Hof heeft met betrekking tot de strafoplegging onder meer het volgende overwogen: "Het hof heeft hij de strafoplegging voorts acht geslagen op de volgende feiten en omstandigheden. Het hof heeft kennis genomen van de inhoud van een Voorlichtingsrapport van de reclassering Nederland van 24 maart 2009, opgemaakt door [betrokkene 1], reclasseringswerker, en van een Psychologisch rapport pro justitia van 12 maart 2009, opgemaakt door H.M. de groot, klinisch psycholoog. Uit beide rapporten komt naar voren dat de verdachte als volledig toerekeningsvatbaar te beschouwen is en in beide rapporten wordt geadviseerd om naast een onvoorwaardelijk strafdeel een voorwaardelijk strafdeel op te leggen met bijzondere voorwaarden en reclasseringstoezicht. De raadsman van de verdachte heeft ten aanzien van de strafoplegging ter terechtzitting in hoger beroep bepleit voormelde adviezen op te volgen en heeft daarnaast aangevoerd dat naar zijn mening in de strafmaat rekening dient te worden gehouden met de lopende detentiefasering. Het hof is van oordeel dat de lopende detentiefasering een omstandigheid is waarmee bij de strafoplegging in beginsel in belangrijke mate rekening dient te worden gehouden. Het hof is zich bewust van het zwaarwegende persoonlijke belang van de verdachte nu hij zich reeds in de detentiefasering bevindt, maar laat het algemeen (maatschappelijk) belang, het belang van het slachtoffer daaronder begrepen, zwaarder wegen en vindt dientengevolge een gecombineerde straf van aanzienlijke duur op zijn plaats. Het hof is op grond van de ernst van de bewezen verklaarde feiten van oordeel dat oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf van aanzienlijke duur, zoals door de advocaat-generaal gevorderd, op zijn plaats is. Het hof heeft daarbij de adviezen zoals vermeld in de hiervoor weergegeven rapportages opgevolgd. Het hof heeft daarbij ten nadele van de verdachte mee laten wegen dat hij, blijkens een hem betreffend uittreksel Justitiële Documentatie van 27 juli 2010, reeds eerder ter zake van het plegen van geweldsdelicten is veroordeeld, hetgeen hem er kennelijk niet van heeft weerhouden zich hieraan wederom schuldig te maken. Het hof ziet hierin aanleiding om een proeftijd, behorende bij het voorwaardelijk deel van de op te leggen straf, van na te noemen aanzienlijke duur op te leggen." 5.
- De tweede volzin van art. 14b lid 2 Sr zoals dat luidde ten tijde van het plegen van het feit houdt in dat de proeftijd ten hoogste tien jaren kan bedragen "indien er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de veroordeelde wederom een misdrijf zal begaan dat gericht is tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen". Uit de overwegingen van het Hof blijkt niet dat het Hof heeft vastgesteld dat aan deze voorwaarde is voldaan. Voor zover het middel daarover klaagt, is het gegrond. Dat brengt mee dat de overige klachten geen bespreking behoeven. 5.
- Het middel slaagt. Om doelmatigheidsredenen zou de Hoge Raad, opnieuw rechtdoende, de proeftijd op twee jaar kunnen bepalen. De vernietiging van de bestreden uitspraak zal in dat geval beperkt moeten blijven tot de daarin bepaalde proeftijd.
- Het eerste middel faalt. Het tweede middel slaagt.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen, heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak ten aanzien van de strafoplegging, in zoverre tot zodanige op art. 440 Sv gebaseerde beslissing als de Hoge Raad gepast zal voorkomen en tot verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden, AG 1 Vermelding verdient dat daarvoor door de raadsman in zijn pleidooi bij het Hof een lans werd gebroken. Hij beriep zich daarbij op R.S.T. Gaarthuis, 'Voorbedachte raad: een objectief vereiste?', D.D. 2009, p. 1142 e.v.