Nr. 11/02326 J Mr. Hofstee Zitting: 15 mei 2012 Conclusie inzake: [Verzoeker = verdachte]
(1)Daarbij neem ik in aanmerking dat als al de bestreden overweging van het Hof de schijn wekt dat de 'lege geldlade' een onderdeel van het verweer van de raadsman heeft gevormd, deze schijn van ondergeschikte betekenis is in 's Hofs motivering van de verwerping van het verweer en mitsdien de verwerping van dat verweer niet kan aantasten.
- In de toelichting op het tweede middel wordt met verwijzing naar HR 12 april 2011, LJN BN4351, NJ 2011, 358 betoogd dat het Hof zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat in geval van een deelnemingsvorm zoals medeplegen, er geen sprake meer kan zijn van vrijwillige terugtred in de zin van art. 46b Sr als de tijdig vrijwillig terugtredende medeverdachte er niet alles aan heeft gedaan de andere wel doorzettende verdachte te weerhouden van het uit te voeren misdrijf.
- In het door de steller van het middel aangehaalde arrest van 12 april 2011, LJN BN4351, NJ 2011, 358 heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bij "het medeplegen van een poging als bedoeld in art. 45 Sr de "omstandigheden van de wil van de dader afhankelijk" als bedoeld in art. 46b Sr - behoudens in bijzondere gevallen - alleen in aanmerking komen ten aanzien van hem van wiens wil die omstandigheden daadwerkelijk afhankelijk zijn en niet tevens ten aanzien van medeplegers van wie niet is komen vast te staan dat die omstandigheden (mede) van hun wil afhankelijk zijn." Met andere woorden: als een pleger vrijwillig terugtreedt, heeft dat geen invloed op zijn medeplegers (geen derdenwerking). Dat is anders ten aanzien van andere deelnemers zoals de medeplichtige en de uitlokker.
- Voor het aannemen van vrijwillige terugtred in het geval van een voltooide poging is een zodanig optreden van de verdachte vereist dat dit naar aard en tijdstip geschikt is het intreden van het gevolg te beletten.
(2)Deze hoofdregel is na HR 12 april 2011, LJN BN4351, NJ 2011, 358 niet anders komen te luiden. Dat betekent dat het Hof op juiste gronden heeft bezien of het handelen van verzoeker geschikt was om het intreden van het gevolg, dat wil zeggen de voorgenomen overval, te beletten. Het (impliciete) oordeel van het Hof dat nu de poginghandelingen al zover gevorderd waren - de medeverdachte had al met een mes in zijn hand in de cafetaria het geld uit de kassa opgeëist en de kassa was daartoe al open gedrukt -, verdachte meer, en in een eerder stadium, had moeten doen dan het roepen van de enkele woorden "rennen kom", als verzoeker deze woorden al heeft geroepen, vind ik niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
- De middelen falen en kunnen mijns inziens worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Vgl. A.J.A. van Dorst, Cassatie in strafzaken, zesde druk, 2009, p.
- 2 Zie HR 3 maart 2009, LJN BF8844, NJ 2009, 236 en HR 19 december 2006, LJN AZ2169, NJ 2007, 29.