Nr. 11/03716 Mr. Silvis Zitting: 22 mei 2012 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Wel is als adres opgenomen het eerder genoemde GBA-adres. Aan de akte van uitreiking in appel is gehecht een op 18 mei 2011 uitgedraaide ID-staat SKDB, waarin ook als GBA adres van verdachte staat vermeld [b-straat 1] te Amsterdam. Dat verdachte op het laatstgenoemde adres stond ingeschreven gedurende de door het Hof bewezen verklaarde periode is geen onderwerp van controverse.
- Het bewijs is geheel gebaseerd op stukken die in eerste aanleg verkort zijn voorgehouden, met uitzondering van bewijsmiddel 5, het schriftelijk stuk, een ID-staat SKDB waarin (bijlage 3) staat dat de verdachte op de [b-straat 1] stond ingeschreven sedert 23 februari
- In de bewijsconstructie speelt het bewijsmiddel 5 geen andere betekenis dan dat hij in of omstreeks de bewezenverklaarde periode, van 15 april 2008 tot en met 17 september 2008, stond ingeschreven op dat adres [b-straat 1], welke woning volgens bewijsmiddel 4 in feitelijke zin toen niet door verdachte werd bewoond, maar wel door hem werd onderverhuurd aan een ander. Bewijsmiddel 5 heeft dus hooguit een zeer marginale betekenis, aangezien het tenlastegelegde feit een ander adres betreft. Voor zover al niet gezegd kan worden dat geacht moet worden dat in ieder geval de op 18 mei 2011 opgemaakte ID-staat met het gba-adres zich in het dossier heeft bevonden, kan bezwaarlijk worden volgehouden dat de verdediging niet op de hoogte zou zijn geweest van het adres van inschrijving van de verdachte.
- Hoewel het middel met reden klaagt dat het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep niet inhoudt dat de opgemaakte ID-staat met verdachtes gba-adres (bewijsmiddel 5) is voorgehouden, staat voldoende vast dat de verdediging van het adres van inschrijving op de hoogte was. Bovendien kan ook met weglating van het bewijsmiddel niet gezegd worden dat de bewezenverklaring ontoereikend is gemotiveerd. Het middel mist daarom een rechtens te respecteren belang.
- Het middel faalt.
- Het tweede middel klaagt erover dat uit de bewijsmotivering niet kan volgen dat verdachte ook voordeel heeft genoten uit de door [betrokkene 1] middels misdrijf verkregen uitkeringsgelden.
- Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat [betrokkene 1] de auto van de verdachte weleens gebruikt om boodschappen te doen, zij soms samen boodschappen doen en [betrokkene 1] in ieder geval ook weleens brandstof betaalde voor verdachte. Daarmee is voldoende gemotiveerd bewezenverklaard dat verdachte ook voordeel heeft genoten uit de door [betrokkene 1] middels misdrijf verkregen uitkeringsgelden. Het middel faalt eveneens.
- Het tweede middel kan worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Ook ontbreekt een gebruikelijke, overigens weinig informatieve, standaardzin inhoudende dat de stukken die op de zaak betrekking hebben, zijn voorgelezen of verkort voorgehouden.