Nr. 10/01479 Mr. Hofstee Zitting: 12 juni 2012 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1)Het openbaar ministerie had dat kunnen en moeten voorzien. Het hof ziet geen reden om ambtshalve alsnog te bepalen dat beide broers gehoord moeten worden. Het betreft een relatief oude zaak met een - intussen - beperkt belang, nu deze zaak onderdeel is van een reeks soortgelijke feiten waarvoor verdachte wel is veroordeeld. Het hof zal verdachte vrijspreken." 5. De in cassatie voorhanden zijnde gedingstukken bevestigen het oordeel van het Hof dat de bij de politie afgelegde verklaringen van de broers [betrokkene 1 en 2] de enige bewijsmiddelen zijn waaruit de betrokkenheid van de ontkennende verdachte bij het tenlastegelegde feitencomplex rechtstreeks kan volgen. Blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal houden die verklaringen van de broers [betrokkene 1 en 2] in: a. een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 1]: "Blz. 403: [Betrokkene 2] vertelde mij dat hij een computer kon kopen voor € 150,- van die jongen met het matje. De jongen met het matje heet [verdachte]. Zijn bijnaam is Rus. Hij heeft een groene auto. Mijn broertje kwam even later terug met de computer. Voor zover ik weet heeft [betrokkene 2] de computer dus gekocht van een jongen genaamd [verdachte]. U heeft mij zojuist acht politieverdachten foto's getoond. Ik herken de eerste persoon die u mij toonde als de persoon die ik [verdachte] genoemd heb (opmerking verbalisant: De eerste foto was de foto van [verdachte])." b. een ambtsedig proces-verbaal van verhoor, voor zover inhoudende als verklaring van [betrokkene 2]: "Blz. 405: Ik heb de computer gekocht voor een bedrag van € 100,- euro van een man die als bijnaam Rus heeft. Hij rijdt in een oude Renault. De man op de eerste foto (opmerking verbalisant: dit was de foto van [verdachte]) is de man die ik ken onder de naam Rus. Dit is de man van wie ik de computer heb gekocht. Blz. 406: Ik kwam toen ook een jongen op straat tegen die door iedereen Rus genoemd wordt. Een paar dagen later kwam Rus naar mij toe. Rus reed in een auto. Het was een Renault of een Peugeot. De kleur was groen of grijs. (Opmerking verbalisant: [verdachte] heeft een groene Renault Clio op zijn naam staan). Beide keren ontmoetten we elkaar bij mij in de straat. Ik heb toen de computer gekocht voor een bedrag van € 100,-. Ergens in de middaguren werd ik benaderd door Rus met de vraag of ik geïnteresseerd was in een computer. Ik heb de computer in de middag gekocht." 6. Deze voor de verdachte belastende verklaringen hebben de broers [betrokkene 1 en 2] echter ingetrokken toen zij als getuigen werden gehoord op de terechtzittingen van de Politierechter van 20 november 2007 respectievelijk van 22 januari 2008. Kort samengevat luiden hun herroepen verklaringen dat zij tegenover de politie onder druk een valse verklaring hebben afgelegd, omdat zij dan van de politie naar huis mochten, dat zij de verdachte niet kenden en dat hun op de terechtzittingen afgelegde verklaringen de waarheid is. Daarnaast heeft [betrokkene 2] nog verklaard dat hij de computer niet van de verdachte maar zomaar van iemand op straat heeft gekocht. Op beide terechtzittingen van de Politierechter waren de verdachte en zijn raadsman aanwezig en is aan hen de gelegenheid gegeven tot het stellen van vragen aan de beide getuigen. 7. Voorts heeft de verdachte zowel in eerste aanleg als in hoger beroep verklaard onschuldig te zijn, waren de verdachte en zijn raadsman ook op de terechtzitting van het Hof van 3 december 2009 aanwezig en heeft de verdediging noch het Openbaar Ministerie verzocht om de oproeping van de broers [betrokkene 1 en 2] als getuigen op deze terechtzitting. Uit het proces-verbaal van de terechtzitting van 3 december 2009 blijkt nog dat volgens mededeling van de Advocaat-Generaal bij het Hof de broers [betrokkene 1 en 2] door de Politierechter te Utrecht zijn veroordeeld voor meineed. 8. In zijn arrest van 1 februari 1994, LJN AB7528, NJ 1994/427 m.nt. Corstens, het arrest waarnaar het Hof expliciet verwijst, heeft de Hoge Raad - om een eind te maken aan de toen bestaande onzekerheid in de rechtspraktijk hierover - grenzen getrokken aan gebruikmaking voor het bewijs van onder meer in (ambtsedig opgemaakte) processen-verbaal vervatte voor de verdachte belastende verklaringen van getuigen, die later door hen zijn ingetrokken. Voor zover hier van belang, heeft de Hoge Raad toen overwogen: "6.3.3. In de praktijk blijkt onzekerheid te bestaan of en in hoeverre de rechter in bepaalde processuele situaties gebruik mag maken van dergelijke in ambtsedige processen-verbaal vervatte verklaringen voor het bewijs. De Hoge Raad zal daarom, voor zover dit past in de onderhavige zaak, de hierna volgende grenzen aangeven zoals die thans moeten worden getrokken. Daarbij wordt, als voor deze zaak niet relevant, de kwestie van het gebruik van anonieme verklaringen voor het bewijs ter zijde gelaten. (
- i)In het licht van het EVRM is het gebruik voor het bewijs van een ambtsedig proces-verbaal voor zover inhoudende een niet ter terechtzitting afgelegde de verdachte belastende verklaring niet zonder meer ongeoorloofd en in het bijzonder niet onverenigbaar met art. 6, lid 1, en lid 3, aanhef en onder d, EVRM. (
- ii)Van onverenigbaarheid als onder (
- i)bedoeld is in ieder geval geen sprake indien de verdediging in enig stadium van het geding, hetzij op de terechtzitting hetzij daarvoor, de gelegenheid heeft gehad om een dergelijke verklaring op haar betrouwbaarheid te toetsen en aan te vechten door de persoon die de verklaring heeft afgelegd als getuige te (doen) ondervragen. Van de verdediging mag in de regel het nodige initiatief daartoe worden verwacht. De enkele omstandigheid dat een getuige die voor een rechter is opgeroepen en aldaar is verschenen, weigert een verklaring af te leggen, brengt niet mee dat inbreuk wordt gemaakt op het door art. 6, lid 3, aanhef en onder d, EVRM gewaarborgde recht. Dat de rechter geen gijzeling van die getuige heeft bevolen doet daaraan niet af. Voorts is van ongeoorloofdheid als onder (
- i)bedoeld geen sprake indien genoemde gelegenheid heeft ontbroken, doch die verklaring in belangrijke mate steun vindt in andere bewijsmiddelen. (iii-1) Afhankelijk van de omstandigheden van het geval, zoals de aard van de zaak en de omstandigheid of en in hoeverre het telastegelegde feit door de verdachte wordt ontkend, kunnen beginselen van behoorlijke procesorde meebrengen dat het openbaar ministerie bepaalde personen als getuige ter terechtzitting dient te dagvaarden of op te roepen dan wel dat de rechter zodanige dagvaarding of oproeping ambtshalve dient te bevelen bij gebreke waarvan processen-verbaal voor zover inhoudende de door die personen in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaringen niet tot het bewijs kunnen worden gebezigd. (iii-2) Het onder (iii-1) overwogene zal in ieder geval gelden indien een ambtsedig proces-verbaal, inhoudend een in het opsporingsonderzoek afgelegde belastende verklaring van een persoon, het enige bewijsmiddel is waaruit verdachtes betrokkenheid bij het telastegelegde feit rechtstreeks kan volgen en die persoon nadien door een rechter is gehoord en ten overstaan van deze die verklaring heeft ingetrokken of een op essentiële punten ontlastende nadere verklaring heeft afgelegd, dan wel heeft geweigerd te verklaren omtrent de feiten en omstandigheden waarover hij eerder verklaard heeft. Indien dit is geschied ter gelegenheid van een verhoor van de bedoelde persoon door de rechter-commissaris behoort deze persoon ter terechtzitting in eerste aanleg en in geval van appel ook ter terechtzitting in hoger beroep als getuige te worden gedagvaard of opgeroepen, opdat de rechter zich door eigen waarneming van de getuige een oordeel zal kunnen vormen omtrent de betrouwbaarheid van diens verklaringen dan wel omtrent de redenen van diens weigering aldaar een verklaring af te leggen. Bedoelde persoon zal eveneens ter terechtzitting in hoger beroep als getuige moeten worden opgeroepen indien hij ter terechtzitting in eerste aanleg voor het eerst is teruggekomen op zijn eerder in het voorbereidend onderzoek afgelegde verklaring dan wel heeft geweigerd een verklaring af te leggen. (iii-3) Indien in de onder (iii-2) omschreven gevallen een getuige, die ter terechtzitting is opgeroepen, hetzij aldaar verschijnt, hetzij aldaar niet verschijnt en verdere oproeping zinloos is gebleken, staat het de rechter vrij de in het opsporingsonderzoek afgelegde verklaring voor het bewijs te bezigen."