Nr. 11/01281 P Mr. Hofstee Zitting: 26 juni 2012 Conclusie inzake: [Betrokkene]
(1): "Geen van de veroordeelden heeft tijdens het onderzoek een verklaring afgelegd of en zo ja op welke wijze er een verdeling heeft plaatsgevonden van de, middels strafbare feiten gegenereerd vermogen. Gezien het feit dat uit de verklaringen kan blijken dat [betrokkene 1] de leidinggevende persoon binnen het criminele samenwerkingsverband was kan worden aangenomen dat aan hem het grootste deel van het wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden toegerekend. T.a.v. [betrokkene] en [betrokkene 2] is aangenomen dat deze een positie op basis van gelijkwaardigheid bekleedden binnen het criminele samenwerkingsverband. [betrokkene 3] had duidelijk een kleinere rol. Gezien het bovenstaande, waarbij is meegenomen de, door de rechtbank Groningen, opgelegde straffen wordt een toedeling voorgesteld van: [betrokkene 1] 40 % [betrokkene] 25% [betrokkene 2] 25 % [betrokkene 3] 10%"
- In het verkort arrest heeft het Hof onder meer overwogen: "Gelet op de door veroordeelde vervulde rol binnen de organisatie acht het hof redelijk dat veroordeelde 25% van het uit de overige drugstransacties behaalde voordeel wordt toegerekend, zijnde een bedrag van € 73.355,77."
- En in de aanvulling op het verkort arrest heeft het Hof daaraan toegevoegd: "In beginsel kan het genoten voordeel gelijkelijk tussen verdachte en zijn medeverdachten worden verdeeld, hetgeen zou neerkomen op toerekening van een kwart van het voordeel aan zowel [betrokkene 2], [betrokkene 1], [betrokkene] en [betrokkene 3]. Ten aanzien van [betrokkene 1] heeft het hof om redenen als voormeld in het tegen [betrokkene 1] gewezen arrest geoordeeld dat in beginsel 40% van het wederrechtelijk verkregen voordeel aan [betrokkene 1] dient te worden toegerekend. In de hierboven weergegeven verklaringen vindt het hof aanleiding 10% van het voordeel toe te rekenen aan [betrokkene 3]. Aan zowel [betrokkene 2] als [betrokkene] wordt een kwart van het voordeel toegerekend."
- Het voorgaande in ogenschouw nemend heeft het Hof enerzijds de betrokkene evenals zijn medeverdachte [betrokkene 1] een leidinggevende en coördinerende rol binnen de drugsorganisatie toegedicht en anderzijds kennelijk aangenomen dat [betrokkene 1] binnen dat criminele samenwerkingsverband het leidinggevende kopstuk was. Met betrekking daartoe heeft het Hof vastgesteld dat aan [betrokkene 1] het relatief grootste gedeelte van de drugswinsten (te weten 40%) kan worden toegerekend, en aan de betrokkene een wat minder groot gedeelte (25%). Deze vaststelling noopt naar mijn mening niet tot de conclusie dat de betrokkene geen leidinggevende en coördinerende rol binnen de criminele organisatie heeft vervuld. Hooguit kan daaruit worden afgeleid dat [betrokkene 1] binnen de hiërarchie kennelijk een hogere machtspositie dan de betrokkene innam. Dat de betrokkene in dit criminele organogram aan [betrokkene 1] ondergeschikt was, sluit echter niet uit dat ook de betrokkene (als rechterhand van [betrokkene 1]) leiding gaf en drugstransacties coördineerde.
- Anders dan de steller van het middel meen ik dat 's Hofs verwerping van het verweer - voor zover daarover in cassatie wordt geklaagd - geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, niet onbegrijpelijk is en toereikend is gemotiveerd.
- Het middel faalt.
- Het tweede middel klaagt over de verwerping van het namens de betrokkene ter terechtzitting in hoger beroep gevoerde verweer dat de kosten die gemaakt zijn in verband met het omwisselen van Duitse Marken in Nederlandse Guldens in mindering dienen te worden gebracht op het wederrechtelijk verkregen voordeel.
- Blijkens de eerder genoemde pleitnota heeft de raadsvrouw namens de betrokkene ter terechtzitting van 2 februari 2011 onder meer aangevoerd: "Wisselkoers DM: Bij een ontneming gaat het om het aannemelijkheidsvereiste. Aannemelijk is het dat cliënt de Duitse Marken heeft omgewisseld, aangezien hij belang had bij Nederlandse Guldens. Aldus dient er uit te worden gegaan van een koers waarbij rekening wordt gehouden met wisselkosten. Derhalve is het redelijk om de koers gunstig af te ronden en aldus een koers aan te houden van 1,1 zoals ook in het eerste rapport is gebeurd."
- Het Hof heeft dit verweer als volgt verworpen: "Het verweer van de raadsvrouw dat geen rekening is gehouden bij de berekening van het voordeel met de wisselkosten van de door veroordeelde ontvangen geldbedragen in Duitse Marken naar Nederlandse Guldens, wordt verworpen. Het is aan veroordeelde om aannemelijk te maken dat hij wisselkosten heeft moeten maken die in directe relatie staan tot de voltooiing van het delict, alsmede de hoogte van deze kosten. Het hof acht niet aannemelijk geworden dat veroordeelde deze kosten heeft moeten maken, ook niet op grond van hetgeen de raadsvrouw hieromtrent naar voren heeft gebracht."
- Bij de beoordeling van het middel dient te worden vooropgesteld dat de wetgever de rechter grote vrijheid heeft gelaten of en, zo ja, in welke mate hij bij het bepalen van het wederrechtelijk verkregen voordeel rekening wil houden met de kosten die de betrokkene heeft gemaakt teneinde de betreffende feiten te begaan. De beslissing daaromtrent behoeft in het algemeen geen motivering. Indien namens de betrokkene gemotiveerd en met specificatie van de desbetreffende kosten het verweer is gevoerd dat bepaalde kosten bij de schatting van het wederrechtelijk verkregen voordeel dienen te worden afgetrokken, zal de rechter bij verwerping van het verweer in zijn uitspraak gemotiveerd tot uitdrukking behoren te brengen hetzij dat de gestelde kosten niet kunnen gelden als kosten die in directe relatie staan tot het delict, hetzij dat zij wel als zodanig kunnen gelden maar dat zij - al dan niet gedeeltelijk - voor rekening van de betrokkene dienen te blijven.