Nr. 11/00464 Mr. Vellinga Zitting: 3 juli 2012 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [Verdachte]
- Verdachte is door het Gerechtshof te Amsterdam, zitting houdende te Arnhem, wegens "Medeplegen van het in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking of een tegemoetkoming, meermalen gepleegd" veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van een maand, met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 70 uur, subsidiair 35 dagen hechtenis.
- Er bestaat samenhang tussen de zaken met de nummers 11/00464 en 11/
- In beide zaken zal ik vandaag concluderen.
- Namens verdachte heeft mr. B.P. de Boer, advocaat te Amsterdam, twee middelen van cassatie voorgesteld.
- Het eerste middel klaagt over het bewijs van het weten althans redelijkerwijze moeten vermoeden dat die gegevens van belang waren voor het verstrekken van een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand.
- In aanmerking genomen dat de gebezigde bewijsmiddelen onder meer inhouden dat op de aan verdachte en zijn vrouw verstrekte formulieren (ROF) was aangekruist dat zij niet hebben gewerkt en geen inkomsten hebben genoten en zij er aldus uitdrukkelijk op zijn gewezen dat gegevens omtrent werkzaamheden en inkomsten van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een uitkering kan het bewezenverklaarde voor zover behelzende dat verdachte wist, althans redelijkerwijze moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor het verstrekken van bedoelde uitkering uit de gebezigde bewijsmiddelen worden afgeleid.
- Het middel faalt.
- Het tweede middel klaagt dat enkele onderdelen van de bewezenverklaring niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid.
- In de eerste plaats wordt geklaagd dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat verdachte werkzaamheden had verricht in een hennepkwekerij en/of inkomsten had uit een hennepkwekerij.
- In de toelichting op het middel wordt er terecht op gewezen dat in geval meerdere alternatieven zijn bewezenverklaard elk van deze alternatieven uit de gebezigde bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid.
(1)- Uit de gebezigde bewijsmiddelen (bewijsmiddelen 1 en 6, gelezen in onderling verband en samenhang) kan worden afgeleid dat verdachte werkzaamheden had verricht in een hennepkwekerij en inkomsten had uit een hennepkwekerij.
- Voor zover in dit verband wordt geklaagd dat de inhoud van het relaas van de sociaal rechercheur [verbalisant 1], anders dan het Hof heeft overwogen, geen adequate weergave is van de zich in het dossier bevindende stukken, wordt miskend dat hierover in cassatie niet voor het eerst kan worden geklaagd. In dit verband merk ik op dat noch verdachte noch zijn raadsman het relaas van [verbalisant 1] voor wat betreft de inkomsten van verdachte uit de teelt en verkoop van hennep heeft betwist.
- In de tweede plaats wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat het nalaten de benodigde gegevens te verstrekken opzettelijk is geschied. Dat is niet juist. Op de formulieren was aangekruist dat de verdachten niet werkten en geen inkomsten hadden (bewijsm. 1) en verdachte heeft de formulieren ondertekend (bewijsm. 2). Het is dus niet zo dat de benodigde gegevens per ongeluk zijn weggevallen.
- Ten slotte wordt geklaagd dat niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat het opzet van verdachtes vrouw was gericht op het nalaten de benodigde gegevens te verstrekken. Aldus wordt miskend, dat bij veroordeling van de verdachte ter zake van het onderhavige medeplegen uit de bewijsvoering niet het opzet van verdachtes mededader behoeft te kunnen worden afgeleid.
(2)- Het middel faalt.
- Beide middelen kunnen worden afgedaan met de in art. 81 RO bedoelde motivering.
- Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen waarop het bestreden arrest zou dienen te worden vernietigd.
- Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 HR 22 juni 2004, LJN AO8315, NJ 2004, 439, rov. 3.4.
- 2 Vgl. HR 6 maart 2012, LJN BQ8596, rov. 5.3.
🔗 Naar officiële bron
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.