Nr. 11/00893 Mr. Hofstee Zitting: 3 juli 2012 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [Verzoeker = verdachte]
(2)In het licht daarvan, is het bestreden oordeel van het Hof - dat niet aannemelijk is dat verzoeker een beroep toekomt op art. 31, eerste lid, Vluchtelingenverdrag - mijns inziens niet zonder meer begrijpelijk, althans ontoereikend gemotiveerd. Om tot dat oordeel te (kunnen) komen had het Hof meer moeten vaststellen over de aard en de duur van het verblijf van verzoeker in Italië (respectievelijk Griekenland). Uit de enkele vaststelling dat verzoeker gebruik maakte van een niet op zijn naam gesteld Italiaans paspoort, volgt naar mijn inzicht nog niet dat (dus) verzoeker geen beroep toekomt op art. 31, eerste lid, Vluchtelingenverdrag.
- Het middel slaagt.
- Gronden waarop de Hoge Raad gebruik zou moeten maken van zijn bevoegdheid de bestreden uitspraak ambtshalve te vernietigen heb ik niet aangetroffen.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en terugwijzing naar het Hof teneinde op het bestaande hoger beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Vgl. HR 13 oktober 2009, LJN BI1325, NJ 2009/
- 2 Zie ook HR 29 mei 2012, LJN BW6666.