Nr. 11/04073 Mr. Vellinga Zitting: 3 juli 2012 (bij vervroeging) Conclusie inzake: [Verdachte]
(3)11. Dit oordeel is niet achterhaald. In zijn arrest van 20 maart 2012, LJN BV3442, NJ 2012, 204, overwoog de Hoge Raad immers: "2.5. Opmerking verdient nog het volgende. Wanneer de rechter zich - al dan niet in reactie op een bewijsverweer - in een nadere overweging beroept op bepaalde feiten of omstandigheden die door hem redengevend worden geacht voor de bewezenverklaring, moeten deze feiten of omstandigheden zijn vervat in de gebezigde bewijsmiddelen. Indien zij niet in de bewijsmiddelen zijn vermeld, moet de rechter met voldoende mate van nauwkeurigheid in zijn overweging (
- a)die feiten of omstandigheden aanduiden, en (
- b)het wettige bewijsmiddel aangeven waaraan die feiten of omstandigheden zijn ontleend (vgl. HR 23 oktober 2007, LJN BA5858, NJ 2008/80). Een en ander heeft uitsluitend betrekking op feiten of omstandigheden die redengevend zijn voor de bewezenverklaring, en dus niet op feiten of omstandigheden en evenmin op verklaringen die de rechter in zijn nadere overweging onaannemelijk dan wel ongeloofwaardig acht. Die behoren dus niet te worden opgenomen onder de bewijsmiddelen." 12. De hiervoor aangehaalde rechtspraak, beschouwd in onderling verband en samenhang, begrijp ik als volgt: a. alleen indien niet wordt gekozen voor een verkort arrest kan aan de eis dat een vonnis of arrest de inhoud van de bewijsmiddelen, houdende de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden, bevat, worden voldaan door die redengevende feiten en omstandigheden te vermelden in een bewijsredenering onder verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend; b. bij een verkort vonnis of arrest als bedoeld in art. 365a lid 1 Sv dient de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen te worden opgenomen in de aanvulling op het verkorte vonnis of arrest; dat geldt ook voor zover de voor het bewijs redengevende feiten en omstandigheden zijn weergegeven in een bewijsoverweging onder verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend; c. slechts indien sprake is van een nadere bewijsoverweging, te weten een bewijsoverweging ter verheldering van de bewijsconstructie dan wel ter weerlegging van een door de verdachte aangevoerde, met de bewezenverklaring niet verenigbare alternatieve toedracht van de gebeurtenissen, kan steeds worden volstaan met verwijzing naar de wettige bewijsmiddelen waaraan die feiten en omstandigheden zijn ontleend.