ECLI:NL:PHR:2012:BX5798
Zaaknr. 12/00337 Mr. Huydecoper Zitting van 10 augustus 2012 Conclusie inzake [Verzoekster 1](1) en [Verzoekster 2] principaal verzoeksters tot cassatie tegen [Verweerder] principaal verweerder in cassatie Feiten(2) en procesverloop 1. De principaal verzoeksters tot cassatie, [verzoekster] c.s., zijn geregistreerd partners. [Verzoekster] c.s. hadden een kinderwens. Zij hebben contact gekregen met de principaal verweerder in cassatie, [verweerder]. Met deze is afgesproken dat hij als spermadonor zou optreden. [Verweerder] stelt dat de gemaakte afspraken er ook toe strekten dat hij in bepaalde mate bij het kind dat [verzoekster] c.s. wensten, betrokken zou zijn (en naar ik meen, heeft het hof in deze zaak geoordeeld dat zulke afspraken inderdaad gemaakt zijn).
Ingevolge de gemaakte afspraak, is bij de verzoekster [verzoekster 1] met sperma van [verweerder] door kunstmatige inseminatie een kind verwekt. Het kind - een meisje - is in augustus 2005 geboren. Zij wordt in de stukken veelal aangeduid bij haar roepnaam [het kind]; en zo zal ik haar ook noemen.
In deze zaak verzocht [verweerder], oorspronkelijk op de voet van het destijds geldende art. 1:377f BW(3), om vaststelling van een omgangsregeling waardoor hij, [verweerder], geregelde omgang zou hebben met [het kind]. [Verzoekster] c.s. hebben zich hiertegen op uiteenlopende gronden verzet.
Op het namens [verweerder] ingestelde hoger beroep oordeelde het hof, nadat daarover getuigen waren gehoord, dat wél moest worden uitgegaan van een nauwe persoonlijke betrekking van [verweerder] met [het kind]. In een vervolgens gegeven (eind)beschikking kwam het hof evenwel tot het oordeel dat - met toepassing, dus, van het inmiddels van kracht geworden art. 1:377a BW (nieuw) -, moest worden vastgesteld dat zwaarwegende belangen van [het kind] zich tegen de door [verweerder] gewenste omgang verzetten. Het hof wees het verzoek van [verweerder] dus af.
Namens [verweerder] wordt tegen dit cassatieberoep verweer gevoerd, en is tevens incidenteel cassatieberoep ingesteld. Dat richt zich, zoals voor de hand ligt, tegen het oordeel van het hof over de zwaarwegende bezwaren die zich tegen de verzochte omgang zouden verzetten. Van de kant van [verzoekster] c.s. wordt tegen het incidentele cassatieberoep verweer gevoerd.
Zijn de verzoekers in het principale beroep daarin ontvankelijk?
Er bestaat de nodige rechtsleer die ertoe strekt, dat rechtsmiddelen niet kunnen worden aangewend (althans: dat dan niet-ontvankelijkheid volgt) wanneer de aanvaarding van het rechtsmiddel tot een uitkomst leidt die inhoudelijk c.q. materieel niet verschilt van de uitkomst die de partij in kwestie in de voorafgaande instantie had verdedigd, of van de uitkomst die in die instantie werd verkregen(6).
Beoordeling van de klachten in cassatie Principaal cassatieberoep 9. In het principale cassatieberoep wordt verdedigd dat het hof op rechtens onvoldoende gronden heeft geoordeeld dat de relatie tussen [verweerder] en [het kind] voldeed aan de omschrijving "nauwe persoonlijke betrekking". De klachten doen daartoe een beroep op de rechtspraak van het EHRM en de Hoge Raad, met verwijzing naar de nodige "lagere" rechtspraak.
Voor de beoordeling of daarvan sprake is, worden in die rechtspraak als relevante omstandigheden vooral genoemd: "the nature of the relationship between the natural parents and the demonstrable interest in and commitment by the natural father to the child both before and after the birth"(10).
Uit de als laatste genoemde formulering leid ik af dat er een mogelijkheid is dat er "family life" bestaat, zonder dat er nog "close personal ties" bestaan tussen de vader in kwestie en het kind. De meest in aanmerking komende uitleg van de relevante overwegingen lijkt mij dan deze, dat er in dat geval een zekere mate van verbondenheid moet (hebben) bestaan tussen de ouders. Dat maak ik op uit de vermelding van het gegeven "close personal ties" in verband met het gegeven "the nature of the relationship between the natural parents".
Ik word hierin bevestigd door het feit dat in een zaak waarin de moeder haar relatie met de beweerde vader had beëindigd, van haar kant volhield dat een andere man (met wie zij inmiddels getrouwd was) de vader was, en alle contact tussen het kind en de beweerde vader had geweigerd, géén bestaan van "family life" werd aangenomen(11).
De Hoge Raad heeft aangenomen dat aan de bijzondere omstandigheden waardoor de relatie tussen een biologische vader en diens kind wél de status van "nauwe persoonlijke betrekking" mag worden toegekend, géén (vrij) strikte eisen hoeven te worden gesteld; en dat de beoordeling of er van "nauwe persoonlijke betrekkingen" sprake is, in sterk overwegende mate door feitelijke weging wordt bepaald(14).
Mede gezien de uiterst beperkte steun die het zojuist besproken aspect van de verhouding van partijen aan het gegeven "family life" biedt, lijkt mij dan een afspraak die op niet méér dan contacten "af en toe" gericht is, onvoldoende om te beantwoorden aan wat met dat begrip bedoeld moet zijn(18).
Ik ben mij ervan bewust dat de rechtspraak van het EHRM vermoedelijk niet betekent dat er altijd een substantiële "relationship between the natural parents" aan het beroep op "family life" ten grondslag moet liggen, en dat denkbaar is dat een zwakke feitelijke basis in dit opzicht, zou kunnen worden "goedgemaakt" door andere factoren, zoals aanwijzingen van een sterke daadwerkelijke betrokkenheid van de biologische ouder bij het desbetreffende kind anderszins. Maar ook als ik dat aanneem, levert het enige gegeven dat in deze zaak nog is vastgesteld - er ongeveer op neerkomend dat er afspraken zouden zijn gemaakt over "af en toe" te realiseren contacten -, die compenserende factor niet op.
Dat dat zo moet worden beoordeeld lijkt mij mede daarom aannemelijk, dat er rechtens vrij vergaande consequenties aan het bestaan van "family life" worden verbonden. De aanspraak op "family life" moet immers worden gerespecteerd, en op de overheid rust een positieve verplichting om ervoor te waken dat dat ook gebeurt. Dat heeft voor alle betrokkenen - potentieel - niet onaanzienlijke repercussies. Mijn betoog strekt er (mede) toe, dat die repercussies niet zouden mogen intreden als er niet een minimum aan grondslag bestaat, waardoor dat gevolg inderdaad wordt gerechtvaardigd.
Men ziet, als men zulke gevallen van nabij meemaakt, dat de herhaalde conflicten waartoe die aanleiding kunnen geven een aanmerkelijke belasting opleveren - ook hier: vaak mede ten aanzien van het kind waar het geschil om gaat. Héél kort gezegd: de égards die ten aanzien van de aanspraak op "family life" van de één in acht (moeten) worden genomen, gaan in dit opzicht nogal eens ten koste van het ongestoorde familieleven van andere betrokkenen(22). Men kan zich soms moeilijk aan de indruk onttrekken, dat dat aspect niet de aandacht krijgt die het verdient.
Ik wil daarbij niet onvermeld laten dat in de rechtspraak van het EHRM inmiddels is aanvaard, dat ook in gevallen waarin géén "family life" tussen een (beweerdelijke) natuurlijke vader en een kind bestaat, art. 8 EVRM toch van toepassing kan zijn omdat de desbetreffende kwestie het privéleven van de betrokkenen (of van één van beiden(25)) raakt(26). Of dat zich in het onderhavige geval voordoet is in deze zaak niet geopperd, en is dus ook in cassatie niet aan de orde. Het zou voor de verhouding van de in deze zaak betrokkenen, natuurlijk wel van betekenis kunnen zijn (en de beschouwingen die ik hiervóór ten beste heb gegeven zijn voor een belangrijk deel ook voor dat geval van betekenis).
Het incidentele cassatieberoep 29. Het incidentele beroep is, zoals al even bleek, gericht tegen het in de eindbeschikking van het hof neergelegde oordeel, dat zwaarwegende belangen van [het kind] er aan in de weg staan dat thans een omgangsregeling wordt vastgesteld.
De bezwaren die in dit geval door het hof als doorslaggevend zijn aangemerkt, bestaan er blijkens rov. 6 van de eindbeschikking vooral in dat tussen de (proces)partijen ernstig verschil van inzicht bestaat en dat draagvlak aan de kant van [verzoekster] c.s. ontbreekt. Dat zal leiden tot ernstige spanningen, wat een bedreiging vormt voor de stabiliteit en de rust in het leven van [het kind](27). (Het hof onderzoekt nog een aantal nadere aspecten, maar het zojuist vermelde merk ik aan als de kern van zijn oordeel.) 30. Hieruit volgt dat de klachten van het incidentele middel falen, voor zover die betogen dat de door het hof vastgestelde zwaarwegende redenen niet te maken hebben met het kind (al. 17 van het middel), of dat aan de stukken en de uitlatingen van partijen niet ontleend zou kunnen worden dat de belangen van het kind worden geschaad (al. 14 van het middel). Voor de door het hof geconstateerde verschillen van inzicht en het ontbrekende draagvlak bieden de stukken een overdaad aan aanknopingspunten; en het hof kon daaraan geredelijk de vaststelling verbinden dat er, als gevolg daarvan, met voor het welzijn van [het kind] (ernstig) nadelige spanningen rekening moest worden gehouden.
De verdere klachten van het incidentele middel strekken er vooral toe, wél heroverweging van de Hoge Raad te vragen(31), gedeeltelijk aan de hand van feitelijke stellingen die niet teruggaan op vaststellingen van het hof of rechtstreeks aan het procesdossier te ontlenen gegevens. Die klachten kunnen dus niet tot cassatie leiden.
Voor zover hier wordt geklaagd over het niet-horen van [het kind], geldt dat een oordeel hierover geheel aan de rechter in feitelijke aanleg is voorbehouden.
Kosten 37. In deze familierechtelijke rekestprocedure lijkt er mij aanleiding voor compensatie van de kosten, zoals dat ook in de feitelijke instanties is besloten.
Conclusie Ik concludeer op het principale beroep tot vernietiging van de daardoor bestreden beschikkingen; en op het incidentele beroep tot verwerping.
De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 In de in cassatie ingediende stukken wordt de eerste voornaam gespeld als "[voornaam]". Ik heb mij aangesloten bij de door het hof gebruikte spelling. Zie ook de als prod. 1 bij het verweerschrift in eerste aanleg overgelegde kopie van de akte van partnerschapsregistratie.
2 In de in cassatie bestreden beschikkingen van het hof is geen samenvatting te vinden van de als vaststaand aangemerkte feiten. Ik ontleen de feiten die ik hier weergeef aan het procesdossier, en vooral aan de in de eerste aanleg gegeven beschikking van 28 maart 2007, waarbij de beslissingen van het hof kennelijk aansluiting zoeken.
3 Het hof heeft in de appelinstantie vastgesteld dat het geschil inmiddels aan de hand van het hangende deze procedure in werking getreden art. 1:377a BW (nieuw) moest worden beoordeeld. Dat lijkt mij juist. Het wordt in cassatie ook niet bestreden.
4 De in cassatie bestreden eindbeschikking is van 12 oktober 2011. Het cassatierekest is op 12 januari 2012 ingekomen.
5 Zoals al terloops ter sprake kwam is dit oordeel gegeven in een tussenbeschikking (van 23 september 2009). Daarvan stond tegelijk met de eindbeschikking cassatieberoep open.
6 Zie bijvoorbeeld HR 28 september 2007, NJ 2007, 522, rov. 3.3; HR 7 april 2006, NJ 2007, 595 m.nt. H.J. Snijders, rov. 3.2.2; HR 4 juni 1999, NJ 1999, 535, rov. 3.2; HR 14 november 1975, NJ 1977, 96; Snijders - Wendels, Civiel Appel, 2009, nr. 81; Van der Wiel, De rechtsverhouding tussen procespartijen, diss 2004, nr. 165.
7 En dit eens temeer wanneer men ervan uitgaat dat, zoals ik hierna inderdaad zal aanbevelen, het incidentele cassatieberoep van de kant van [verweerder] als ongegrond moet worden aangemerkt. (Ware dat anders, en zou dit cassatieberoep gehonoreerd worden, dan dringt zich nader op dat [verzoekster] c.s. wél belang hebben bij beoordeling van wat zij in cassatie verdedigen.) 8 Ook "dragende" overwegingen uit beslissingen in rekestprocedures kunnen immers aanspraak maken op gezag van gewijsde, HR 30 oktober 1998, NJ 1999, 83, rov. 3.3; Burgerlijke Rechtsvordering (losbl.), Numann, art. 236, aant. 6.
9 Ik meen voor deze gedachten steun te vinden bij Asser Procesrecht/Veegens - Korthals Altes - Groen, 2005, nr. 48 (p. 113 - 114).
10 EHRM 22 maart 2012, appl. nr. 45071/09, Ahrens/Duitsland, rov. 58, waar naar een aantal eerdere beslissingen wordt verwezen; EHRM 22 maart 2012, appl. nr. 23338/09, Kautzor/Duitsland, rov. 51, eveneens met verdere verwijzingen; EHRM 15 september 2011, appl. nr. 17080/07, EHRC 2011, 159 m.nt. Gerards, Schneider/Duitsland, rov. 81.
11 EHRM 29 juni 1999, appl. nr. 27110/95, Nylund/Finland, zie in de door mij aangebrachte nummering van de rechtsoverwegingen onder "The law", rov. 20 - 22; zie ook EHRM 21 december 2010, NJ 2011, 508 m.nt. Wortmann, Anayo/Duitsland, rov. 59.
12 EHRM 21 december 2010, NJ 2011, 508 m.nt. Wortmann, Anayo/Duitsland, rov. 56; EHRM 1 juni 2004, NJ 2004, 667 m.nt. De Boer, Lebbink/Nederland, rov. 37.
13 HR 29 september 2000, NJ 2000, 654, rov. 3.3; HR 22 december 1995, NJ 1996, 419, rov. 3.3; HR 22 februari 1991, NJ 1991, 376 m.nt. EAAL, rov. 3.2; HR 26 januari 1990, NJ 1990, 630, rov. 3.3; HR 10 november 1989, NJ 1990, 628 m.nt. EAAL, rov. 3.3.
14 HR 30 november 2007, NJ 2008, 310 m.nt. De Boer, rov. 3.4.1 en 3.4.2; HR 29 september 2000, NJ 2000, 654, rov. 3.3; HR 19 mei 2000, NJ 2000, 545 m.nt. Wortmann, rov. 3.4; HR 17 december 1993, NJ 1994, 360, rov. 3.4 onder 3; HR 26 januari 1990, NJ 1990, 630, rov. 3.4; HR 15 mei 1987, NJ 1988, 654 m.nt. EAA, rov. 3.
15 O.a. EHRM 22 maart 2012, appl. nr. 45071/09, Ahrens/Duitsland, rov. 59; EHRM 29 juni 1999, appl. nr. 27110/95, Nylund/Finland.
16 Zie voor een illustratie EHRM 7 februari 2012, appl. nr. 39954/08, Axel Springer/Duitsland, en in het bijzonder de dissenting opinion bij die uitspraak.
17 Aan dat verschijnsel heb ik beschouwingen gewijd in alinea's 18 - 21 van de conclusie voor HR 9 december 2005, NJ 2006, 205 m.nt. Wortmann.
18 Ik wijs er nog op dat in HR 5 december 1986, NJ 1987, 957 m.nt. EAA, rov. 3.3 werd geoordeeld dat een als "gezinsleven" aan te merken betrekking tot een kind niet kan worden gevestigd door (alleen) een overeenkomst zoals die in dat geval was aangegaan; zie ook Asser/De Boer 1*, 2010, p. 904.
19 Ik ontleen deze formulering aan Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2011, p. 474. In die zin ook Personen- en familierecht (losbl.), Wortmann, art. 377a, aant. 9; maar (enigszins) anders dezelfde bron bij aant. 10.
20 EHRM 19 juni 2003, appl. nr. 46165/99, Nekvedavicius/Duitsland, onder "The Law", par. b).
21 Zie voor die eisen bijvoorbeeld alinea's 11 - 14 en 17 van de conclusie voor HR 9 december 2005, NJ 2006, 205 m.nt. Wortmann.
22 Het is bijvoorbeeld geen uitzondering dat men dossiers onder ogen krijgt waarin ten aanzien van kinderen die het voorwerp van conflicten van de onderhavige soort vormen, moet worden vastgesteld dat die dreigen "klem of verloren te raken" tussen de strijdende partijen en de door dezen ontplooide initiatieven.
23 De Boer noemt het in al. 2 van zijn noot bij NJ 2008, 310 goed, dat "bijzondere omstandigheden" als basis voor "family life" al gauw kunnen worden aangenomen, omdat het in het algemeen goed voor een kind wordt geacht, zijn "parents" te kennen. Ik erken dat (ook) aan dat argument gewicht toekomt; maar de omstandigheden waarvoor ik hierboven de aandacht vroeg, brengen mij per saldo toch tot een minder ruimhartige opstelling.
24 Wortmann - Van Duijvendijk-Brand, Compendium van het personen- en familierecht, 2012, nr. 148a; Vlaardingerbroek c.s., Het hedendaagse personen- en familierecht, 2011, nr. 11.3; Asser/De Boer 1*, 2010, nr. 1021; Van Mourik - Nuijten, Personen- en familierecht, huwelijksvermogensrecht en erfrecht, 2009, nr. 234.
25 De rechtspraak van het EHRM richt zich vooral op de relatie tussen de natuurlijke vader en het kind. Zoals ik in alinea 24 hiervóór aangaf, komt het echter veel voor dat beslissingen over vragen die die verhouding raken, ook het privéleven dan wel het "family life" van anderen, waaronder in de eerste plaats de verdere gezinsleden, kunnen raken; en dat dan ook met de mogelijke aantasting van het recht van dezen op respect voor deze gegevens rekening moet worden gehouden.
26 De in voetnoten 10 en 11 aangehaalde beslissingen leveren voorbeelden op. Een helder overzicht van de zich op dit punt ontwikkelende rechtsleer is te vinden in alinea's 2.6 - 2.7 van de conclusie die A - G Langemeijer op 25 mei jl. in de zaak met nr. 11/04189 heeft genomen.
27 Alinea 25 van het middel geeft een samenvatting van de door het hof gebezigde gronden. Daaraan ontbreekt het hier door mij benadrukte gegeven. Het voorbij zien aan dit wezenlijke gegeven, brengt mee dat de argumenten uit de volgende alinea's (al. 26 - 28) van het middel alle van een verkeerd uitgangspunt vertrekken, en al daarom niet doeltreffend zijn.
28 Zoals ik in voetnoot 22 opmerkte, is de kwalificatie "klem of verloren raken" hier soms zelfs op zijn plaats.
29 Zie opnieuw EHRM 19 juni 2003, appl. nr. 46165/99, Nekvedavicius/Duitsland, onder "The Law", par. b).
30 Zie ook EHRM 22 juni 2004, appl. nrs. 78028/01 en 78030/01, Pini c.s./Roemenië, rov. 151 - 153 en vergelijkbare overwegingen in EHRM 5 november 2002, NJ 2005, 34 m.nt. De Boer, Yousef/Nederland, rov. 67 - 73.
Zie voor rechtspraak van de Hoge Raad: HR 11 april 2008, NJ 2008, 555 m.nt. De Boer, rov. 3.5; HR 30 maart 2007, RvdW 2007, 361, rechtspraak.nl LJN AZ6719, rov. 3.2; HR 9 december 2005, NJ 2006, 205 m.nt. Wortmann, rov. 6.3 (en rov. 3.3).
31 Dat is in uitgesproken mate het geval bij de in alinea 23 van het middel aangevoerde argumenten.