← Nederland

ECLI:NL:PHR:2012:BX6945

Nr. 12/01624 Mr. Vegter Zitting: 28 augustus 2012 Conclusie inzake: [De opgeëiste persoon] 1. De Rechtbank Zwolle-Lelystad, zitting houdende te Groningen, heeft in haar uitspraak van 7 maart 2012 de u

Article 1, against the life, physical integrity or liberty of a person.

2. The same shall apply to a serious offence involving an act against property,

Article 1, if the act created a collective danger for persons.

  1. The same shall apply to an attempt to commit any of the foregoing offences or participation as an accomplice of a person who commits or attempts to commit such an offence.'
  2. Bij het merendeel van de feiten waarvoor de uitlevering is verzocht, is sprake van moord dat kan worden aangemerkt als 'a serious offence involging an act of violence [...] against the life, physical integrity or liberty of a person' als bedoeld in art. 2 EVT
  3. Voor het in de uiteenzetting van de feiten onder 9 genoemde toebrengen van verwondingen met een mes aan [slachtoffer 10], kan worden betwijfeld of het aan deze kwalificatie voldoet. Verder valt de onder 1, 2, 4, 5 en 6 genoemde ontvoering van het later gedode slachtoffer onder de in art. 1 sub d EVT 1977 genoemde 'offence involving kidnapping'. Met uitzondering van het onder 9 genoemde feit, moet voor de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht worden aangenomen dat daarop het bepaalde in de artt. 1 en 2 EVT 1977 van toepassing is.

(4)Alvorens de vraag te bespreken wat dit betekent voor de beslissing van de uitleveringsrechter eerst nog aandacht voor het volgende. Vallen de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht onder andere, nieuwere verdragen? 22. Inmiddels is naast het EVT 1977 een tweede verdrag in werking getreden dat relevant is voor het antwoord op de vraag of feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, als een politiek delict kunnen worden gekwalificeerd. Dit is het Europees Verdrag ter voorkoming van terrorisme dat op 16 mei 2005 te Warschau tot stand is gekomen.
(5)Het verdrag is op 1 juni 2007 in werking getreden, voor Nederland op 1 november 2010 en voor Turkije op 1 juli 2012.
(6)Dit verdrag wordt verder aangeduid als EVT
  1. De opzet van dit verdrag sluit op enkele hier relevante hoofdpunten aan bij het EVT
  2. Het depolitiseert een reeks terroristisch te noemen feiten die worden omschreven in een reeks verdragen die als bijlage bij het verdrag zijn gevoegd. Net als het EVT 1977 kan een voorbehoud worden gemaakt. De Staat verplicht zich dan dit voorbehoud per geval toe te passen op basis van een naar behoren onderbouwde beslissing (art. 20 lid 2). Anders dan het EVT 1977 biedt dit verdrag geen ijkpunten die bij het nemen van de beslissing in aanmerking moeten worden genomen. Nederland heeft een voorbehoud gemaakt.
(7)24. Van de terroristisch te noemen feiten waarop het EVT 2005 betrekking heeft, komt het aan ontvoering verwante misdrijf van gijzeling in aanmerking zoals omschreven in het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars 1979.
(8)Nederland en Turkije zijn partij bij dit verdrag dat is opgenomen onder 4 van de bijlage bij het EVT 2005.
(9)Toch kunnen de gevallen van ontvoering waarvoor de uitlevering wordt verzocht, niet (zonder meer) worden aangemerkt als gijzeling zoals omschreven in het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars
  1. Voor de toepassing van het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars 1979, wordt het misdrijf van 'gijzeling' in art. 1, eerste lid, als volgt omschreven: 'Any person who seizes or detains and treatens to kill, to injure or to continue to detain another person (hereinafter referred to as the "hostage") in order to compel a third party, namely, a State, an international intergovernmental organization, a natural or juridical person, or a group of persons, to do or abstain from doing any act as an explicit or implicit condition for the release of the hostage commits the offence of taking of hostages ("hostage-taking") within the meaning of this Convention.'
  2. Een kenmerk van dit misdrijf is het stellen van eisen aan derden.
(10)Uit de stukken kan ik niet opmaken dat de ontvoeringen hebben plaatsgevonden om aan derden eisen te stellen. De slotsom is daarmee voor wat betreft het EVT 2005, dat daaruit niet voortvloeit dat de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht als terroristiche misdrijven kunnen worden aangemerkt waarvoor art. 20 van het EVT 2005 bepaalt dat deze ten behoeve van uitlevering niet mogen worden beschouwd als een politiek delict, nog afgezien van het bij dit artikel gemaakte Nederlandse voorbehoud. Ten overvloede stip ik nog het volgende aan. Voor zover in de uiteenzetting van de feiten besloten ligt, dat deze ertoe strekten de Turkse Staat ergens toe te dwingen, moet de vraag worden beantwoord of deze zijn begaan in het kader van een gewapend conflict als bedoeld in art. 12 van het Verdrag.
(11)Indien deze politiek uiterst gevoelige vraag bevestigend zou worden beantwoord, is het Verdrag niet van toepassing op de gijzeling maar de specifiek voor gewapende conflicten geschreven regels. Verdere uitwerking van dit thema voert hier te ver. 27. Terug naar het EVT 1977 waarvoor het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars 1979 ook van belang is. Thans wordt in art. 1 onder d EVT 1977 gewezen op 'offence involving kidnapping, the taking of a hostage or serious unlawful detention'. Dit zal veranderen indien het Protocol tot wijziging van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme 2003 in werking is getreden.
(12)De artikelen 1 en 2 EVT 1977 zullen worden aangevuld c.q. gewijzigd door de artikelen 1 en 2 Protocol. Nederland en Turkije hebben het Protocol geratificeerd maar het is nog niet in werking getreden.
(13)Gelet op het feit dat 15 Staten nog moeten ratificeren voordat het Protocol in werking zal treden, valt dit niet op korte termijn te verwachten. Desondanks is de tendens die uit de voorgenomen wijziging naar voren komt, interessant bij de beoordeling van het middel.
  1. Met het Protocol, zal art. 1 onder d EVT 1977 worden vervangen door een verwijzing naar het Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars 1979 ('offence within the scope of the International Convention Against the Taking of Hostages, adopted at New York on 17 December 1979'). Daarnaast worden aan art. 1 EVT 1977 nog feiten toegevoegd die in een zestal verdragen zijn omschreven, zodat de reikwijdte op dit punt gelijk zal zijn aan het EVT 2005 dat op precies dezelfde tien verdragen betrekking heeft.
  2. Toegespitst op de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, zal het resultaat van het Protocol zijn dat het gewijzigde verdrag niet langer zal verplichten tot het depolitiseren van 'kidnapping'. In art. 1 onder d EVT 1977 resteert gijzeling zoals bedoeld in het Verdrag tegen het nemen van gijzelaars 1979 maar uit de stukken blijkt niet dat de feiten als zodanig zijn te kwalificeren, zoals ik hierboven onder reeds opmerekte.
  3. Na de wijziging van het EVT 1977 zal een feit als ontvoering nog kunnen vallen onder de feiten genoemd in het gewijzigde art. 2 lid 1: 'a serious offence involving an act of violence,

Article 1

, against the life, physical integrity or liberty of a person.' Maar de betekenis van art. 2 EVT 1977 blijft ook onder het gewijzigde verdrag voor de Nederlandse praktijk, gelet op het facultaire karakter, naar alle waarschijnlijkheid klein.

  1. Uit het bovenstaande volgt dat een deel van de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht, valt onder het toepassingsbereik van art. 1 onder d EVT 1977 maar dat deze niet vallen onder het toepassingsbereik van het EVT 2005 en dat de feiten evenmin zouden vallen onder het toepassingsbereik van art. 1 onder d EVT 1977 zoals dat zal komen te luiden na inwerkingtreding van het Protocol. De toepasselijkheid van het EVT 1977 en de beslissing van de uitleveringsrechter
  2. De betekenis van het EVT 1977 voor de Nederlandse praktijk is tamelijk beperkt. Voor wat betreft art. 2 EVT 1977 volgt dit uit de inhoud van het artikel zelf. Voor wat betreft de daarin aangewezen feiten, staat het de verdragsluitende Staten vrij deze niet te beschouwen als een politiek delict, een met een politiek delict samenhangend feit of een feit ingegeven door politieke motieven.

(14)Art. 2 EVT 1977 behelst geen verplichting om de daarin opgesomde feiten te 'depolitiseren' maar opent daartoe de mogelijkheid voor Staten die dat wenselijk achten.
(15)De bepaling heeft daarmee een facultatief karakter. Stein kwalificeert het artikel als een 'Optionsklausel'.
(16)Swart noemt het een 'merkwaardige bepaling, waarvan men zich kan afvragen welke praktische betekenis zij eigenlijk heeft.'
(17)In de Memorie van Toelichting bij de goedkeuringswet wordt art. 2 EVT 1977 gekwalificeerd als een 'intentieverklaring, een soort van richtlijn aan de verdragsstaten bij het bepalen van hun beleid.'
(18)Nu art. 2 EVT 1977 slechts de mogelijkheid biedt ('may') om de daar genoemde feiten niet als politiek delict aan te merken, 'derogeert artikel 2 niet aan de bestaande regels met betrekking tot de niet-uitlevering ter zake van politieke delicten' aldus dezelfde Memorie van Toelichting.
(19)Voor deze delicten blijft daarom alle bij het oude, concludeert Swart.
(20)
  1. De betekenis van het EVT 1977 voor de Nederlandse praktijk is gelet op het imperatieve karakter het grootst voor wat betreft de feiten genoemd in art.
  2. Hieraan doet niet af dat Nederland bij art. 1 een voorbehoud heeft gemaakt.
  3. Nederland heeft gebruik gemaakt van de in art. 13 EVT 1977 gegeven mogelijkheid een voorbehoud te maken. Het bij de ratificatie op 18 april 1985 gemaakte voorbehoud luidt als volgt: 'With due observance of Article 13, paragraph 1, of the Convention, the Kingdom of the Netherlands reserves the right to refuse extradition in respect of any offence mentioned in Article 1 of the Convention including the attempt to commit or participation in one of these offences, which it considers to be a political offence or an offence connected with a political offence.'
(21)
  1. Artikel 13, eerste lid, EVT 1977 bepaalt echter dat indien een voorbehoud wordt gemaakt, bij de waardering van het karakter van het delict een aantal gezichtspunten in de beschouwingen dienen te worden betrokken. Artikel 13, eerste lid, EVT 1977, luidt als volgt: 'Any State may, at the time of signature or when depositing its instrument of ratification, acceptance or approval, declare that it reserves the right to refuse extradition in respect of any offence mentioned in Article 1 which it considers to be a political offence, an offence connected with a political offence or an offence inspired by political motives, provided that it undertakes to take into due consideration, when evaluating the character of the offence, any particularly serious aspects of the offence, including: a. that it created a collective danger to the life, physical integrity or liberty of persons; or b. that it affected persons foreign to the motives behind it; or c. that cruel or vicious means have been used in the commission of the offence.'
  2. Met het voorbehoud heeft Nederland zich het recht voorbehouden de uitlevering voor bepaalde feiten, die behoren tot de in art. 1 EVT genoemde categorieën, te weigeren in geval het deze als politiek delict beschouwt.
(22)Helemaal vrij is de Nederlandse rechter daarbij echter niet. Swart heeft opgemerkt dat het Nederlandse voorbehoud niet zal 'toelaten' dat de in art. 1 genoemde delicten 'zonder meer als politieke delicten worden beschouwd.'
(23)Het gemaakte voorbehoud heeft niet tot gevolg dat de desbetreffende gedragingen zonder meer worden 'gedepolitiseerd', maar verplicht de Nederlandse rechter om bij de beoordeling van het politieke karakter van een strafbaar feit als bedoeld in art. 1 'kenmerken van "bijzonder gewicht" mede in acht te nemen.'
(24)
  1. Als deze uitleg juist is, dan moet de vraag worden beantwoord in hoeverre de onderhavige zaak verschilt van de zaak die ten grondslag lag aan HR 17 april 2007, LJN BA1764, NJ 2007/
  2. De Rechtbank te Roermond had de uitlevering aan de Republiek Turkije ontoelaatbaar verklaard om redenen die vergelijkbaar zijn met de overwegingen van de Rechtbank in de onderhavige zaak. De Hoge Raad verwierp het hiertegen gerichte cassatieberoep met een beroep op de uitleg van de stukken door de Rechtbank die hij niet onverenigbaar oordeelde met de bewoordingen waarin zij zijn gesteld (hierboven onder 15 geciteerd).
(25)
  1. De feiten waarvoor in die zaak de uitlevering werd gevraagd, kunnen echter niet onder art. 1 EVT 1977 worden gebracht, als ik het goed zie:
  2. afpersing (overval confectieatelier);
  3. afpersing (gewapende overval op een juwelierswinkel);
  4. afpersing (gewapende overval op een deviezenkantoor);
  5. protestbetoging houden waarbij molotow cocktails op de weg zijn geworpen;
  6. een ruit inslaan en
  7. molotow cocktails gooien in het gebouw van een politieke partij.
(26)De Rechtbank had in die zaak ambtshalve vastgesteld dat het politieke delicten betrof. De waarnemend Advocaat-Generaal Bleichrodt toetst of de feiten kunnen worden aangemerkt als politieke delicten maar betrekt daarbij niet het EVT 1977 . De verklaring daarvoor kan goed zijn dat de feiten waarop het uitleveringsverzoek betrekking heeft niet onder vallen onder het EVT 1977 en op dat verdrag in cassatie geen beroep is gedaan.
  1. In de onderhavige zaak gaat het dus niet slechts om de uitleg die de Rechtbank aan het uitleveringsverzoek heeft gegeven, maar ook om de wijze waarop de Rechtbank zich rekenschap heeft gegeven van de vraag of de feiten gelet op het EVT 1977 als delicten van politieke aard kunnen c.q. moeten worden aangemerkt.
  2. De verplichting om de in art. 1 EVT 1977 genoemde 'particularly serious aspects' in acht te nemen voor de daar genoemde delicten, is niet verder omschreven. Wellicht oordeelt Stein daarom dat voor de Staten 'ihre Entscheidungsfreiheit nicht nennenswert einschränken können' zal.
(27)41. In de zaak Nuriye Kesbir, welke eveneens een uitleveringsverzoek van de Republiek Turkije betrof, heeft de Hoge Raad overwogen dat het aan de uitleveringsrechter is om te beoordelen of bij onder art. 1 EVT 1977 vallende feiten sprake is van een politiek delict.
(28)Uit de overwegingen van de Rechtbank blijkt echter niet dat zij zich enige rekenschap heeft gegeven van de genoemde factoren. De uitspraak van de Rechtbank lijdt daarom aan een motiveringsgebrek en kan niet in stand blijven.
  1. Ik heb me nog afgevraagd of de wijze waarop de feiten waarvoor de uitlevering wordt verzocht door de Turkse autoriteiten zijn gekwalificeerd, doorslaggevend is voor het antwoord op de vraag of de uitlevering ter zake van delicten van politieke aard wordt verzocht. De Nederlandse autoriteiten hebben de Turkse autoriteiten in de gelegenheid gesteld de kwalificatie naar Turks recht uit te breiden, zoals blijkt uit het hierboven genoemde bericht afkomstig van de Ambassade van de Republiek Turkije gedateerd 5 januari 2012 waarin wordt ingegaan op de door het Nederlandse Ministerie van Veiligheid & Justitie aan de Turkse autoriteiten voorgelegde vraag of de uitlevering van [de opgeëiste persoon] enkel is verzocht ter zake van vervolging feiten die strafbaar zijn gesteld krachtens art. 146, eerste lid, Turkse Wetboek van Strafrecht. De Turkse autoriteiten hebben echter vastgehouden aan het in een uitleveringsrelatie enigszins ongemakkelijke art. 146 Turkse Wetboek van Strafrecht dat overduidelijk wijst op een absoluut politiek delict.
  2. Aan de toepasselijkheid van het EVT 1977 doet een en ander niets af, zoals blijkt uit de memorie van toelichting bij het voorstel voor de goedkeuringswet voor het EVT
  3. Als primaire bedoeling van het EVT 1977 wordt daarin onder meer opgemerkt dat niet wordt gelet op de kwalificatie van de feiten volgens het recht van de verdragsstaten: 'De primaire bedoeling van het verdrag is om, voor wat de behandeling van uitleveringsverzoeken tussen verdragsstaten betreft, uitsluitend het materiële karakter van het feit, dus bij voorbeeld wederrechtelijke vrijheidsberoving te laten meetellen, en niet te letten op de bedoeling die bij de daders heeft voorgezeten en evenmin op de kwalificatie van de feiten volgens het recht van de verdragsstaten.'
(29)Conclusie
  1. De uitkomst van de conclusie is enigszins curieus. De in cassatie opgeworpen vraag of de rechtbank een onjuiste maatstaf heeft toegepast door niet mede te toetsen aan het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme is bevestigend beantwoord gelet op artikel 1 onder d EVT
  2. Sinds de inwerkingtreding van dat verdrag is er een tendens verder te depolitiseren. Merkwaardig is dat onder het EVT 2005 de hier aan de orde zijnde feiten nu juist niet meer gedepolitiseerd zouden moeten worden omdat ontvoering niet onder het toepassingsbereik van het verdrag valt. Na toekomstige inwerkingtreding van de wijziging van het EVT 1977 door het Protocol geldt voor art. 1 EVT 1977 hetzelfde. Gelet op het imperatieve karakter van het vigerende artikel 1 onder d EVT 1977 kon de rechtbank echter niet aan de ook door het OM in feitelijke instantie opgeworpen vraag, of er niet sprake is van een terroristisch misdrijf, voorbij gaan. Gelet op het voorbehoud van Nederland bij artikel 1 EVT 1977 is de rechter gehouden daaromtrent opheldering te geven. Daaraan lijkt mij niet af te doen dat na toekomstige inwerkingtreding van de het gewijzigde artikel 1 EVT 1977 die eis niet meer van zelf spreekt.
  3. Het middel is terecht voorgesteld.
  4. Deze conclusie strekt ertoe dat de bestreden uitspraak zal worden vernietigd en dat verzoeker zal worden opgeroepen voor een nader te bepalen zitting van de Hoge Raad teneinde omtrent het verzoek tot zijn uitlevering te worden gehoord. De Procureur-Generaal Bij de Hoge Raad der Nederlanden AG 1 Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, Straatsburg 27 januari 1977, Trb. 1977, 63; in werking getreden op 4 augustus 1978, voor Nederland op 19 juli 1985, Trb. 1985, 66 p. 5 voor Turkije op 20 augustus 1981, Trb. 2012, 66, p.
  5. 2 Art. 12 Internationaal Verdrag tegen het nemen van gijzelaars (New York 17 december 1979, Trb. 1981, 53) waarover Lambert schrijft dat het waarschijnlijk is opgenomen 'to satisfy those States which wanted to emphasize that national liberation struggles can be seen as "armed conflicts" rather than as terrorist activity'. J.J. Lambert, Terrorism and Hostages in International Law - A Commentary on the Hostages Convention 1979, Cambridge: Grotius Publications Limited 1990, p.
  6. Art. 12 luidt als volgt: 'In so far as the Geneva Conventions of 1949 for the protection of war victims or the Additional Protocols to those Conventions are applicable to a particular act of hostage-taking, and in so far as States Parties to this Convention are bound under those conventions to prosecute or hand over the hostage-taker, the present Convention shall not apply to an act of hostage-taking committed in the course of armed conflicts as defined in the Geneva Conventions of 1949 and the Protocols thereto, including armed conflicts mentioned in article 1, paragraph 4, of Additional Protocol I of 1977, in which peoples are fighting against colonial domination and alien occupation and against racist regimes in the exercise of their right of self-determination, as enshrined in the Charter of the United Nations and the Declaration on Principles of International Law concerning Friendly Relations and Co-operation among States in accordance with the Charter of the United Nations.' 3 Zie over toekomstige wijzigingen van beide artikelen nader hieronder nrs. 27 e.v. 4 Na het inwerkingtreden van het Protocol tot wijziging van het Europees Verdrag tot bestrijding van terrorisme, supra noot , valt een 'offence involving kidnapping' niet langer onder art. 1 EVT 1977, zie de geconsolideerde versie <http://conventions.coe.int/Treaty/en/Treaties/Html/090-rev.htm>. Zie nader nrs. 27 e.v. 5 Trb. 2005, 2006,
  7. 6 <conventons.coe.int/Treaty/Commun/ ChercheSig.asp?NT=196&CM=8&DF=21/08/2012&CL=ENG> 7 Trb. 2010, 244, p. 5-6 'With due regard to Article 20, paragraph 2, of the Convention, the Kingdom of the Netherlands reserves the right to refuse to extradite an alleged offender for any of the offences referred to in Articles 5 to 7 and 9 of the Convention that are regarded as political offences or as offences connected with a political offence, where such offences do not relate to the offences described in the Conventions referred to under points 9 and 10 of the Appendix to the Convention.' 8 New York 17 december 1979, Trb. 1981,
  8. 9 Nederland: 5 januari 1989, Trb. 1989, 6, p. 7; Turkije: 14 september 1989, Trb. 1995, 246, p.
  9. 10 Kamerstukken II 1983/84, 18 438 (R 1261), nr. 3, p.
  10. 11 Kamerstukken II 1983/84, 18 438 (R 1261), nr. 3, p.
  11. Zie voor de tekst van art. 12 hierboven noot
  12. 12 Straatsburg 15 mei 2003, Trb. 2003,
  13. 13 <http://conventions.coe.int/Treaty/Commun/ChercheSig.asp?NT=190&CM=8&DF=10/08/2012&CL=ENG> 14 In de authentieke Engels- en Franstalige versies staat 'may' respectievelijk 'peut'. 15 M.R. Mok, 'Het Europees verdrag tot bestrijding van terrorisme', NJB 52
(1977)p. 665 e.v. op p.
  1. 16 T. Stein, Die Auslieferungsausnahme bei politischen Delikte, Berlijn-Heidelber-New York-Tokyo: Springer-Verlag 1983, p.
  2. 17 A.H.J. Swart m.m.v. K. Helder, Nederlands uitleveringsrecht, Zwolle: W.E.J. Tjeenk Willink 1986, p. 275 nr.
  3. 18 Kamerstukken II 1979/80, 15 971 (R 1133), nr. 3, p.
  4. 19 Kamerstukken II 1979/80, 15 971 (R 1133), nr. 3, p.
  5. 20 Swart, a.w., p. 278 nr.
  6. 21 Trb. 2012, 66, p.
  7. 22 HR 7 mei 2004, LJN AF6988, NJ 2007/276 rov. 3.4.
  8. 23 Swart, a.w., p. 273 nr.
  9. 24 Swart, a.w., p. 277 nr.
  10. 25 HR 17 april 2007, LJN BA1764, NJ 2007/399 rov. 3.
  11. 26 Ik volg de nummering van het uitleveringsverzoek zoals dat in het arrest sub 3.2 is weergegeven. 27 Stein, a.w., p.
  12. 28 HR 7 mei 2004, LJN AF6988, NJ 2007/276 rov. 3.4.
  13. 29 Kamerstukken II 1979/80, 15 971 (R 1132), nr. 3, p. 8.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.