← Nederland

ECLI:NL:PHR:2012:BX6965

12/02737 Mr. L. Timmerman Parket: 15 augustus 2012 Conclusie inzake: [Verzoeker] verzoeker tot cassatie (hierna: [verzoeker]) 1.1 Bij vonnis van de rechtbank 's-Gravenhage van 2 maart 2010 is ten aanzien van [verzoeker] de schuldsaneringsregeling van toepassing verklaard. Op verzoek van de bewindvoerder is de schuldsaneringsregeling bij vonnis van 17 februari 2012 beëindigd op de grond dat [verzoeker] een of meer van de uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen niet naar behoren nakomt (art. 350 lid 3 aanhef en onder c Fw). Bij arrest van 29 mei 2012 heeft het hof 's-Gravenhage het vonnis bekrachtigd. [Verzoeker] is van dit arrest tijdig in cassatie gekomen.

(1)1.2 In cassatie wordt geklaagd dat het hof ten onrechte, althans zonder voldoende motivering het verzoek van de raadsman van [verzoeker] om aanhouding heeft afgewezen. De aanhouding werd tijdens de mondelinge behandeling in appel op 22 mei 2012 verzocht om reden dat de bewindvoerder nog een aantal stukken miste, die de raadsman bij [verzoeker] zou hebben opgevraagd maar nog niet van hem zou hebben ontvangen. Het hof heeft het verzoek van de raadsman niet gehonoreerd, omdat (
  1. i)[verzoeker] de informatieplicht heeft geschonden door de bewindvoerder niet te laten weten dat hij naar Nigeria vertrok, (
  2. ii)onduidelijk is wanneer [verzoeker] is vertrokken en weer terug kan worden verwacht, (iii) het verzoek om aanhouding niet behoorlijk is toegelicht en (
  3. iv)ook niet blijkt dat [verzoeker] zelf aanhouding wenst. Het hof heeft de schuldsaneringsregeling vervolgens beëindigd op grond van 1) schending van de informatieplicht, 2) schending van de inspanningsplicht c.q. sollicitatieplicht en 3) het laten ontstaan van een boedelachterstand ten belope van € 8.591,91, terwijl hij over een aanzienlijke afloscapaciteit beschikte. Deze tekortkomingen acht het hof ernstig en toerekenbaar en staan volgens het hof zowel tezamen als afzonderlijk aan voortzetting van de schuldsaneringsregeling in de weg. 1.3 In cassatie wordt geklaagd dat [verzoeker] niet te verwijten valt dat hij de bewindvoerder er niet van op de hoogte heeft gesteld dat hij in verband met een sterfgeval naar Nigeria moest afreizen, aangezien sprake was van spoedeisendheid en hij er bovendien vanuit ging dat de schuldsaneringsregeling geëindigd was en dat hij geen bemoeienis meer had met de bewindvoerder. Het middel betoogt dat het oordeel van het hof onbegrijpelijk is, aangezien het op de weg van het hof had gelegen om aanhouding te verlenen, temeer daar het hof "de facto vooruit loopt op een door requestrant te voeren bewijslevering, welke had kunnen plaatsvinden, indien hem een tweede zitting was vergund geweest". 1.4 Het middel faalt. Voor zover [verzoeker] al niet in staat was de bewindvoerder te informeren over zijn vertrek - hetgeen weinig voor de hand ligt -, was de reden voor het verzoek om aanhouding blijkens het proces-verbaal van de op 22 mei 2012 gehouden zitting dat de raadsman bepaalde stukken bij [verzoeker] had opgevraagd maar nog niet van hem had ontvangen. Gelet op de omstandigheden van het geval, noopte dit feit het hof niet tot aanhouding. De raadsman was bij brief van 23 februari 2012 al opgeroepen voor de behandeling van de zaak op 22 mei 2012. De raadsman heeft verder niet (voldoende) toegelicht om welke stukken het ging. Dat [verzoeker] kennelijk noch de bewindvoerder, noch zijn raadsman (tijdig) van zijn vertrek naar Nigeria op de hoogte heeft gesteld en evenmin de door de raadsman opgevraagde stukken heeft aangeleverd, demonstreert veeleer dat [verzoeker] de op hem rustende verplichtingen niet naar behoren nakomt. Voor zover het middel klaagt dat het hof ten onrechte is gaan "prognosticeren ter zake van een bewijsaanbod", gaat het uit van een onjuiste lezing van 's hofs arrest. 1.5 Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 Ro. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Het verzoekschrift is per fax ter griffie van de Hoge Raad ingekomen op 31 mei 2012, derhalve binnen de in art. 351 lid 5 Fw genoemde cassatietermijn van acht dagen.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.