Nr. 11/02266 Mr. Silvis Zitting: 11 september 2012 Conclusie inzake: [Verdachte]
(1), faalt het middel, nu het Hof uit de gebezigde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang bekeken, heeft kunnen afleiden dat verdachte dat feit (mede) te Smilde heeft gepleegd. Die bewijsmiddelen houden immers onder meer in dat ene [betrokkene 2] in april 2004 met een maat in Groningen schoenen heeft gekocht die door die maat met een pinpas zijn betaald, dat hij diezelfde dag een oude vrouw in haar woning te Smilde een pas en pincode heeft ontfutseld en dat 'zij' nadat 'zij' uit Smilde zijn vertrokken, rechtstreeks naar Groningen zijn gereden; dat [betrokkene 1], wonende te Smilde, op 15 april 2004 haar pas en pincode heeft afgegeven aan een voor haar onbekende man, dat een medewerkster van [A] schoenen te Groningen heeft verklaard dat op 15 april 2004 twee mannen schoenen van 212 euro hebben gekocht die door één van de mannen zijn betaald met een pinpas, dat op 15 april 2004 een geldbedrag van 212 euro ten behoeve van [A] Schoenen is afgeschreven van een rekening ten name van [betrokkene 1], en dat verbalisanten verdachte hebben herkend op bewegende beelden waarop de situatie in de winkel van [A] schoenen op 15 april 2004 was vastgelegd. Uit een en ander heeft het Hof kunnen afleiden dat verdachte samen met [betrokkene 2] in Smilde was toen die [betrokkene 2] de pinpas en pincode aan [betrokkene 1] heeft ontfutseld en dat die [betrokkene 2] kennelijk die pas reeds in Smilde aan verdachte heeft overhandigd, nu verdachte direct daarna bij [A] schoenen te Groningen schoenen heeft betaald met die pinpas. Het middel faalt.
- Het tweede middel klaagt dat de opgelegde straf onjuist, althans niet begrijpelijk is nu het Hof ten onrechte van een onjuiste overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg is uitgegaan.
- De Rechtbank heeft in het vonnis in eerste aanleg, voor zover hier van belang, overwogen dat de totale termijnoverschrijding ruim één jaar bedraagt en geheel op het conto van het openbaar ministerie kan worden geschreven. Het middel klaagt derhalve terecht over 's Hofs overweging dat het "met de rechtbank" van oordeel is dat er in eerste aanleg een overschrijding van de redelijke termijn is geweest van zes maanden. Dat behoeft mijns inziens echter niet tot cassatie te leiden.
- De Rechtbank heeft in eerste aanleg het onder 1 en 3 primair tenlastegelegde medeplegen van oplichting, het onder 2 primair tenlastegelegde diefstal in vereniging door middel van het gebruik van valse sleutels, en het onder 5 tenlastegelegde diefstal door middel van het gebruik van valse sleutels bewezenverklaard, en voor die vier feiten, met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn met een jaar, 180 uur werkstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden opgelegd. Het Hof heeft in afwijking van de Rechtbank, verdachte vrijgesproken van het onder 5 tenlastegelegde, onder 1 het meer subsidiair tenlastegelegde opzetheling bewezenverklaard, en ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde niet bewezenverklaard dat dat feit tezamen en in vereniging is begaan. Het Hof heeft voor de drie door het Hof bewezenverklaarde feiten, met inachtneming van de overschrijding van de redelijke termijn in zowel eerste aanleg, als in hoger beroep, een werkstraf van 180 uren opgelegd. Het verschil tussen de door de Rechtbank en door het Hof opgelegde straf kan reeds worden verklaard uit het verschil in aantal en aard van de bewezenverklaarde feiten en de extra overschrijding van de redelijke termijn in hoger beroep. Gelet daarop en nu de door het Hof opgelegde straf, ook indien het uit is gegaan van een overschrijding van de redelijke termijn in eerste aanleg van één jaar, niet onbegrijpelijk is, terwijl het Hof uitdrukkelijk vermeld dat het het oordeel van de Rechtbank volgt, kan mijns inziens worden aangenomen dat het arrest bij vergissing inhoudt dat het Hof van oordeel is dat er in eerste aanleg een overschrijding van zes maanden is geweest, en dat het heeft bedoeld te zeggen dat in eerste aanleg die termijn met een jaar was overschreden. Het middel faalt.
- Het derde middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen toepassing heeft gegeven aan art. 63 Sr.
- Het bestreden arrest houdt onder het kopje 'Toepassing van wetsartikelen' in dat het Hof onder meer heeft gelet op art. 63 van het Wetboek van Strafrecht. Nu het Hof aldus art. 63 Sr heeft aangehaald, faalt het middel reeds bij gebrek aan feitelijke grondslag.
- Het vierde middel klaagt dat het Hof ten onrechte geen beslissing heeft genomen over de goederen die tijdens de doorzoeking in de woning van verdachte in beslag zijn genomen.
- Vooropgesteld kan worden dat in het systeem van afwikkeling van beslag art. 309 Sv van belang is. De officier van justitie moet volgens dat artikel, aangenomen zover dat nog van belang is, een beslaglijst overleggen en hij vordert in zijn requisitoir per voorwerp een bepaalde beslissing. In hoger beroep is deze bepaling van overeenkomstige toepassing (art. 415 Sv). De gehoudenheid van de rechter bij einduitspraak mits inhoudende de oplegging van straf of maatregel, vrijspraak of ontslag van alle rechtsvervolging, te beslissen over in beslag genomen voorwerpen (art 353, eerste lid, Sv), is, gezien het systeem van strafvordering, beperkt tot de op de lijst vermelde voorwerpen die op grond van art. 94 Sv in beslag zijn genomen en nog niet teruggegeven.