Nr. 11/01297 Mr. Machielse Zitting 18 september 2012 Conclusie inzake: [Verdachte]
(2)Bewijsmiddel 6 van de bijlage zaaksdossier B01 bevat observaties van een verbalisant. Deze heeft waargenomen dat een Audi 8, waarvan hij eerder verdachte als bestuurder waarnam, [medeverdachte 2] als passagier en NN1, die later [betrokkene 9] bleek te zijn, als bijrijder, op 7 juni 2007 omstreeks 18:39 stopte op een parkeerterrein aan de Rijksweg A 58 te Gilze tussen een tweetal vrachtwagens. De Audi werd met de achterzijde strak tegen de voorzijde van een vrachtwagen geparkeerd. Bewijsmiddel 9 van deze bijlage geeft de inhoud weer van een aantal afgeluisterde telefoongesprekken, waarin ook conversatie in die Audi 8 wordt gehoord waarin sprake is van "erin gooien" en "stapelen". Die conversatie wijst erop dat er iets in de vrachtwagen moet worden gezet. Door enerzijds te wijzen op de opvallende gelijkenissen tussen de zaken B01 en B02 en op de ongeloofwaardigheid van de verschillende verklaringen van verdachte voor de gebeurtenissen in dossier B01, en anderzijds de inhoud van de bijlage bij zaaksdossier B01 voor het bewijs te gebruiken heeft het hof zijn opvatting dat het ook in de zaak B01 is gegaan om een transport van cocaïne naar Engeland voldoende gemotiveerd. De eerste twee middelen falen. 4.
- Het derde middel komt op tegen de veroordeling voor feit
- Bewezen verklaard is, aldus de steller van het middel, dat verdachte vanaf 1 januari 2002 (bedoeld zal zijn: vanaf 1 januari 2006) deel uitmaakt van een criminele organisatie zonder dat daarvoor in enig bewijsmiddel steun is te vinden. 4.
- Als feit 3 is bewezen verklaard dat "hij in de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 juli 2007 te Zandvoort en Amsterdam en Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer, en Zwanenburg en Velsen-Noord, gemeente Velsen, en Haarlem en Rotterdam en Breukelen en Gilze, gemeente Gilze en Rijen, in ieder geval in Nederland, en in Spanje heeft deelgenomen aan een organisatie, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk het opzettelijk verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren, en aanwezig hebben en binnen of buiten het grondgebied van Nederland brengen van een middel, vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I en witwassen." 4.
- Het middel gaat uit van een onjuiste uitleg van tenlastelegging en bewezenverklaring. De vermelding van de periode van 1 januari 2006 tot en met 3 juli 2007 noopt niet tot de uitleg dat verdachte gedurende de gehele periode heeft deelgenomen aan de criminele organisatie, maar slechts dat hij in die periode dat heeft gedaan.
(4)Onder deze omstandigheden heeft het hof kunnen oordelen dat verdachte de grote aanschaffen die hij deed betaalde uit geldbedragen waarover hij - geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk - door misdrijven te plegen de beschikking had en van welke misdrijven hij de opbrengst aldus heeft willen omzetten en verhullen. Het middel faalt.
- De voorgestelde middelen falen. Het derde en vierde middel kunnen naar mijn oordeel met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen.
- Ambtshalve vraag ik aandacht voor het volgende. Het cassatieberoep is op 4 maart 2011 ingesteld. De Hoge Raad zal uitspraak doen nadat sindsdien meer dan zestien maanden zijn verstreken, terwijl verdachte zich (ook) ten tijde van de betekening van de aanzegging in cassatie in voorlopige hechtenis bevond. Dat brengt mee dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering.
- Ik heb ambtshalve geen andere grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
- Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest voor zover het de opgelegde gevangenisstraf betreft. De Hoge Raad kan de hoogte daarvan verminderen naar de gebruikelijke maatstaf, met verwerping van het beroep voor het overige. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Deze zaak hangt samen met de nrs. 12/00649 ([medeverdachte 2]), 11/00924 ([medeverdachte 9]), 11/01074 ([medeverdachte 4]), 11/01106 ([medeverdachte 5]), 11/01188 ([medeverdachte 6]), 11/00920 ([medeverdachte 1]), 11/02617 ([medeverdachte 7]), 12/00643 ([medeverdachte 3]), waarin ik ook vandaag concludeer. 2 Vgl. HR 22 september 2009, NJ 2010, 637 m.nt. Buruma. 3 HR 2 juli 2002, LJN AE
- 4 Zie HR 26 oktober 2010, NJ 2010, 655 m.nt. Keijzer voor een verwijzing naar de wetsgeschiedenis van de witwasbepalingen, waarin onder meer duidelijk is gemaakt dat het kopen van goederen met geld dat afkomstig is van misdrijven zowel "gebruik maken" als "omzetten" oplevert.