12/02866 Mr. L. Timmerman Parket 30 augustus 2012 Conclusie inzake:
- [Verzoeker 1]
- [Verzoekster 2] verzoekers tot cassatie, (hierna afzonderlijk: [verzoeker 1] en [verzoekster 2] en gezamenlijk: [verzoeker] c.s.) Verkorte conclusie 1 Bij vonnissen van de Rechtbank Utrecht van 30 maart 2010 is ten aanzien van [verzoeker] c.s. de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling uitgesproken. Bij vonnissen van de Rechtbank Utrecht van 26 maart 2012 is op verzoek van de bewindvoerder de toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling ten aanzien van [verzoeker] c.s. tussentijds beëindigd, op de grond van art. 350 lid 3 onder c en e Fw. [Verzoeker] c.s. zijn van de vonnissen van 26 maart 2012 in hoger beroep gekomen bij het Gerechtshof Arnhem. Dit hof heeft de vonnissen van de rechtbank bekrachtigd bij arrest van 31 mei
- Kort gezegd heeft het hof geoordeeld dat [verzoeker] c.s. gedurende de looptijd van de wettelijke schuldsaneringsregeling niet, althans in onvoldoende mate, de uit die regeling voortvloeiende verplichtingen zijn nagekomen. 2 [Verzoeker] c.s. hebben tegen dit arrest tijdig cassatieberoep ingesteld.
(1)3 Tegen het arrest worden twee middelen in stelling gebracht. Middel 1 bedoelt kennelijk op te komen tegen rov. 3.4.
(2)Hierin oordeelt het hof dat, ondanks het feit dat [verzoeker] c.s. enkele malen door de bewindvoerder en de rechtbank zijn gewezen op hun sollicitatieverplichting en op de wijze waarop zij aan deze verplichting inhoud diende te geven, zij deze plicht te lichtvaardig hebben opgevat. Zo hebben zij niet ten minste vier maal per maand schriftelijk gesolliciteerd en de kopieën van de sollicitatiebrieven aan de bewindvoerder overgelegd. [Verzoeker 1] had (gedeeltelijk) ontheffing van de sollicitatieplicht aan de rechter-commissaris kunnen vragen, maar heeft dit nagelaten. [Verzoekster 2] heeft, ook al verkleint de door haar gestelde taalbarrière haar kansen op de arbeidsmarkt, in beginsel de plicht om actief naar werk te zoeken, aldus nog steeds het hof. In het middel wordt geklaagd dat de door het hof aangelegde toetsingsmaatstaf van het sturen van vier sollicitatiebrieven per maand onjuist is en, gezien de huidige stand van de arbeidsmarkt, ook niet reëel is. Verder miskent het hof dat [verzoeker 1] er kennelijk in geslaagd is een baan te vinden. Ten slotte wordt nog geklaagd dat het hof ten aanzien van [verzoekster 2] uit het oog heeft verloren dat de WSNP niet een verplichting tot solliciteren oplegt, maar gericht is op het daadwerkelijk vinden van werk. 4 Onder toepassing van wettelijke schuldsaneringsregeling dient de schuldenaar zich in te spannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven (art. 288 lid 1 onder c Fw). De in de Recofa-richtlijnen geregelde sollicitatieverplichting staat in het teken daarvan. Laatstgenoemde plicht houdt o.m. in dat wordt gesolliciteerd naar fulltime werk (d.w.z. minstens 36 uur per week), per week minstens vier sollicitatiebrieven moeten worden verstuurd en kopieën daarvan aan de bewindvoerder moeten worden gezonden. In cassatie staat vast dat [verzoeker] c.s. hebben erkend dat zij de sollicitatieverplichting hebben veronachtzaamd (zie rov. 3.4 van het bestreden arrest). Dat [verzoeker 1] daadwerkelijk werk voor 32 uur per week heeft gevonden doet aan het voorgaande niet af. Daarmee is nog niet gezegd dat [verzoeker 1] voldaan heeft aan zijn verplichting om zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. Indien hij had voldaan aan zijn sollicitatieverplichting, had hij wellicht een beter betaalde full time baan kunnen krijgen. 5 Middel 2 is gericht tegen rov. 3.5, waarin het hof overweegt dat [verzoeker] c.s. de uit de wettelijke schuldsaneringsregeling voortvloeiende informatieplicht jegens de bewindvoerder niet naar behoren zijn nagekomen. Het hof betrekt hierbij dat niet kan worden verklaard hoe [verzoeker] c.s., die jarenlang met financiële problemen kampen, een aanzienlijke hoeveelheid goederen met bijbehorende aanzienlijke waarde in bezit kunnen hebben, dat zij de bewindvoerder niet hebben ingelicht over hun plannen die goederen te koop aan te bieden en te verkopen en ook nooit hebben aangeboden om de inkomsten, die zij met hun activiteiten hebben verkregen, alsnog naar de boedelrekening over te maken. Ten aanzien van [verzoekster 2] overweegt het hof nog dat onvoldoende aannemelijk is geworden dat zij part noch deel heeft gehad aan de verkoop van goederen via Marktplaats, nu de aangeboden goederen deels door haar waren gedragen of ten behoeve van haar waren aangeschaft. Geklaagd wordt dat het hof de overwegingen van de rechtbank zonder enige nadere nuancering heeft overgenomen, ondanks het feit dat [verzoeker] c.s. uitdrukkelijk hebben aangegeven dat zij vanwege overmacht niet ter zitting van de rechtbank konden verschijnen, zodat sprake is van schending van art. 6 EVRM jo. art. 47 EH-Handvest van de Grondrechten. Tevens wordt geklaagd dat ten aanzien van [verzoekster 2] het hof geen enkele differentiatie heeft aangebracht. 6 Het middel faalt bij gebrek aan feitelijke grondslag. Dat het hof zich bij de beoordeling of [verzoeker] c.s. de op hen rustende informatieplicht hebben verzaakt niets heeft aangetrokken van wat namens [verzoeker] c.s. in de beroepschriften is aangevoerd, blijkt uit het arrest niet. Het hof heeft zich in ieder geval niet laten leiden door de omstandigheid dat [verzoeker] c.s. niet ter zitting van de rechtbank zijn verschenen. Uit de aangevallen overweging volgt bovendien dat het hof een aparte overweging ten aanzien van de betrokkenheid van [verzoekster 2] bij het aanbieden en verkopen van goederen via Marktplaats heeft opgenomen. 7 Ik concludeer tot verwerping met toepassing van art. 81 RO. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden A-G 1 Het verzoekschrift is op 8 juni 2012 bij de griffie van de Hoge Raad ingekomen, overeenkomstig de in art. 351 lid 5 Fw genoemde termijn van acht dagen. 2 In het cassatieverzoekschrift staat rov. 3.2.