← Nederland

ECLI:NL:PHR:2012:BY0051

Nr. 11/02617 Mr. Machielse Zitting 18 september 2012 Conclusie inzake: [Verdachte]

(1)
  1. Het Gerechtshof Amsterdam heeft verdachte op 24 februari 2011 van het onder 2 tenlastegelegde vrijgesproken en haar voor: medeplegen van witwassen, meermalen gepleegd (feit 1) veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf van drie maanden.
  2. Mr. T. Nieuwenburg, advocaat te Amsterdam, heeft namens verdachte cassatie ingesteld. Mr. K.A. Krikke, advocaat te Amersfoort, heeft een schriftuur ingezonden houdende twee middelen van cassatie. 3.
  3. Het eerste middel klaagt dat het hof uit de gebezigde bewijsmiddelen de bewezenverklaring niet heeft kunnen afleiden. 3.
  4. Het hof heeft bewezen verklaard dat "zij in de periode van 1 januari 2007 tot en met 3 juli 2007 in Nederland tezamen en in vereniging met een ander, telkens onderstaande voorwerpen heeft verworven en/of van onderstaande voorwerpen gebruik heeft gemaakt, te weten -1 bankstel en zonwering en gordijnen en een sprei en beeld- en geluidapparatuur (van het merk Bang & Olufsen) ter waarde van ongeveer (in totaal 38.810,- EURO, terwijl verdachte en verdachtes mededader telkens wisten, dat die voorwerpen - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf." 3.
  5. In zijn arrest heeft het hof ten aanzien van de wetenschap van verdachte dat het uitgegeven geld van misdrijf afkomstig was het volgende overwogen: "Verdachte en haar partner, medeverdachte [medeverdachte 1], kennen elkaar al geruime tijd, woonden destijds samen en hebben samen een kind. Verdachte kent de familie van [medeverdachte 1], dus ook enkele medeverdachten, bijzonder goed. Het kan niet anders dan dat zij in de loop van al die jaren heeft geconstateerd dat de legale inkomsten van [medeverdachte 1] niet in verhouding stonden tot de regelmatige, soms bijzonder forse uitgaven aan bijvoorbeeld luxe vermogensbestanddelen en reizen, waarvan zij deelgenoot was. Verder moet verdachte op de hoogte zijn geweest van de criminele aard van de activiteiten van haar partner nu die kennelijk niet in het openbaar konden worden afgewikkeld en er - zoals uit afgeluisterde telefoongesprekken blijkt (in het dossier aanwezig, ook met verdachte) - in versluierde en soms ronduit geheimzinnige taal werd gesproken. Gelet op deze feiten en omstandigheden en gezien het ontbreken van (voldoende) legale inkomsten van verdachte zelf komt het hof tot het oordeel dat verdachte wist van de criminele herkomst van de contante bedragen zodat het aanschaffen en vervolgens het gebruik van de daarmee aangeschafte goederen witwassen oplevert. De door de raadsman aangedragen stelling dat een deel van de kosten door de verdachte zelf met geld van haar ouders betaald zou zijn mist voldoende feitelijke onderbouwing. De door de raadsheer-commissaris gehoorde getuigen (ouders [verdachte]) en de door de raadsman over gelegde stukken overtuigen op dit punt niet tegen over de andersluidend de verklaringen van [betrokkene 11] van 9 oktober 2007 (blz. 000997 en 000998), [betrokkene 10] van 9 oktober 2007 (blz. 001001) [betrokkene 12] (blz. 001004 e.v.) van 12 februari 2008 en [medeverdachte 1] van 16 maart
  6. De overgelegde bankafschriften behelzen niet de periode waarop het ten laste gelegde betrekking heeft." 3.
  7. In wezen herhaalt het eerste middel grotendeels allerlei bedenkingen van feitelijke aard tegen de tenlastelegging, die door het hof zijn verworpen, en miskent het middel aldus de toetsing in cassatie. Maar toch wringt er iets. Onder 6 klaagt het middel dat van bijzonder forse uitgaven aan bijvoorbeeld luxe vermogensbestanddelen en reizen niets uit de gehanteerde bewijsmiddelen kan blijken, terwijl dat feit juist richtinggevend was voor het aan verdachte toegeschreven vermoeden dat het huishouden niet (geheel) draaide op legale inkomsten. Ten behoeve van de inrichting van de woning aan de [a-straat] te Zandvoort is een bedrag van ongeveer € 38.000 in contanten betaald, volgens mij toch bepaald geen kinderachtig bedrag voor de goederen die daarmee werden betaald. Een bankstel waarvoor € 3450 moest worden betaald is met biljetten van € 20 en € 50 afgerekend. Het hof heeft - zo merk ik op - echter niet vastgesteld of verdachte bij deze betaling aanwezig is geweest. Deze betaling heeft plaatsgevonden in het kantoor van [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 8). Het hof heeft inderdaad in zijn bewijsoverweging verwezen naar de reizen die zijn gemaakt, maar heeft nagelaten aan te geven op welk wettig bewijsmiddel dit gegeven is gebaseerd.
(2)Voorts heeft het hof niet aangewezen uit welk bewijsmiddel iets kan blijken over de legale inkomsten van [medeverdachte 1]. De constatering dat verdachte zelf geen legale inkomsten had is ook niet aan een wettig bewijsmiddel te ontlenen. Van forse uitgaven voor het maken van reizen is dus nergens steun te vinden. Ik kan niet zeggen dat het verzuim van het hof in het licht van de hele bewijsvoering een omstandigheid van zo ondergeschikte aard is dat het aan de toereikendheid van de bewijsmotivering niet zou afdoen. Het doen van forse uitgaven is immers gerelateerd aan het ontbreken van voldoende legale inkomsten, en van dat laatste blijkt evenmin. Voor zover het middel bedoelt te klagen over dit gebrek in de bewijsvoering gaat het mijns inziens op. 4.
  1. Het tweede middel klaagt over schending van de redelijke termijn, omdat na de uitspraak tot het moment van indiening van de schriftuur al bijna 14 maanden zijn verstreken. De steller van het middel betoogt dat onzeker is wanneer de Hoge Raad uitspraak zal doen, dat er daarom sprake is van schending van de redelijke termijn en dat de straf zal moeten worden verminderd. 4.
  2. Op 9 maart 2011 is cassatie ingesteld en op het moment dat deze conclusie wordt genomen is de redelijke termijn in cassatie nog niet overschreden. Er zijn immers sindsdien nog geen twee jaren verstreken. Het middel faalt.
  3. Het eerste middel komt mij gegrond voor. Het tweede middel faalt en kan met de aan artikel 81 RO ontleende motivering worden verworpen. Ambtshalve heb ik overigens geen grond aangetroffen die tot vernietiging aanleiding behoort te geven.
  4. Deze conclusie strekt tot vernietiging van het bestreden arrest en tot terugwijzing van de zaak naar het gerechtshof te Amsterdam teneinde op het bestaande beroep opnieuw te worden berecht en afgedaan. De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden 1 Deze zaak hangt samen met de nrs. 12/00649 ([medeverdachte 2]), 11/00924 ([medeverdachte 9]), 11/01074 ([medeverdachte 4]), 11/01106 ([medeverdachte 5]), 11/01188 ([medeverdachte 6]), 11/01297 ([medeverdachte 8]), 11/00920 ([medeverdachte 1]), 12/00643 ([medeverdachte 3]), in welke zaken ik ook vandaag concludeer. 2 HR 23 oktober 2007, LJN BA5851, NJ 2008, 69.

🔗 Naar officiële bron

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.